De Ongelezen Roman
Nou, Hetty, ik ga! Geen gedoe, je hoeft me echt niet uit te zwaaien. Ben laat thuis! Leg morgen mijn lichtblauwe overhemd en die blauwe pantalon klaar, niet vergeten! O ja, vergeet niet mn pak op te halen bij de stomerij! riep Maarten vanuit de hal, greep haastig zijn regenjas, hield even halt om zichzelf kritisch in de spiegel te keuren, zette zijn hoed op en verdween, de deur met een klap dichtgooiend.
De klap was zo hard dat het raam in het geopende raamkozijn nagalmde.
Tocht dacht Hendrika, draaide de kraan dicht, droogde haar handen af aan haar schort en gluurde de keuken uit. Alles vertrouwd de zonovergoten gang, eindigend bij de voordeur, de familiefotos aan de muur, het vrolijk gestreepte behang, twee brede en twee smalle, zachtblauwe strepen; Hetties jas aan de kapstok. En…
Hendrika fronste.
Het pakketje! Maarten was het vergeten, en daar zaten nou net die broodjes in! Ze had ze vanmorgen, voordat de zon op was, zelf zitten vouwen en bakken, met prei en ei, precies zoals Maart graag eet. Speciaal gebakken voor vandaag, want Maarten moest naar een klus buiten de stad, daar kon je nergens fatsoenlijk eten, en thuisgemaakt is toch altijd beter!
Hendrika trok snel haar schort uit, streek haar haar glad en holde in haar alledaagse huisjurk, eenvoudig, met korte pofmouwtjes en een koffievlek op de zoom, het warme tasje tegen haar borst geklemd de flat uit gelukkig bedacht ze zich nog net op tijd dat ze haar sleutels mee moest nemen, anders kon ze straks uren voor een dichte deur zitten! Ze nam de trap, haar hand steunend op de leuning. Vierde etage, derde, tweede…
Hendrika had net als veel andere huisvrouwen uit het raam kunnen roepen tot haar man naar buiten kwam, maar nee, zoiets deed je gewoon niet. Ze zou zelf dat pakketje brengen, gelijk afscheid nemen, Maarten een kus op de wang geven en dan zou hij knikken: Het is tijd, tot straks
Hijgend van het haasten kwam ze buiten, bonkte de deur per ongeluk keihard tegen de muur en dat op haar negenveertigste, nu ze toch niet echt meer in de bloei der jeugd was en rennen haar niet makkelijk afging.
Ze keek snel om zich heen, scannend naar de vertrouwde figuur in de grijze regenjas en lichte hoed.
Maarten hield van lange jassen, liet ze het liefst openwaaien zodat de wind ermee kon spelen als met vleugels. En hij moest altijd een hoed op, hij had er stapels voor alle seizoenen. Hendrika hield zijn hoeden schoon en kocht nieuw als het nodig was kortom, ze zorgde voor hem.
Een hoed is stijlvol! hield Maarten vol als hun zoon, Bram, genoemd naar zijn opa, weer eens grapjes maakte over zijn vader. Jullie jongeren snappen dat niet, altijd maar synthetisch spul en nepleer!
Waar was Maarten?
Daar, daar liep hij al richting poort, duikend in de drukke, in zonlicht badende straat. Als Hendrika niet opschoot zou hij de bus pakken en was hij weg
Ze sprinte het asfalt over en knikte haastig naar de buurvrouwen die op het bankje zaten te genieten van de zon. De dames in gehaakte vesten en met een bolletje breigaren keken haar glimlachend na, blij met zoveel liefde voor haar gezin.
Wat is er aan de hand, Hettie? riep mevrouw Koster.
Lunch! Maarten vergat zn broodjes! riep Hendrika.
Mevrouw Koster knikte goedkeurend, lachte: zelfgemaakte broodjes, en liefde, altijd goed.
Hendrika holde intussen de poort door, wilde roepen, maar… Ze hield haar pas in, haar schouders zakten, ze stond ineens in het donker, of het licht plotseling uitging en de lucht benauwend zwart werd. Het duizelde, Hendrika greep de regenpijp.
Op de halte stond Maarten, al bij de bushalte, met zijn arm losjes om het middel van een jonge vrouw met een volle boezem. Het meisje lachte flirterig naar hem, Maarten lachte breed terug. Toen gaf ze hem ineens een spottende blik en maakte zich los, Maarten bukte snel, nam haar hand, wilde hem kussen, maar zij rukte haar perfect gemanicuurde hand los, gaf hem bijna een klap. Maarten rechtte zijn rug geschrokken, leek kwaad, Hendrika begreep het intuïtief maar toen vleide hij zich ineens weer aan haar zijde, overhandigde haar een snoepje uit zijn jaszak. De vrouw lachte breed, opende haar mondje uitnodigend.
Hendrika werd misselijk. Heer, haar Maarten gerespecteerd, volwassen, bijna pensioengerechtigd stond te zwijmelen voor een jongedame! Hoe kon hij!
De vrouw droeg een schitterende zomerse jurk, donkerblauw met witte stipjes waardoor je er bijna duizelig van werd. Haar haar in een bijpassend lint gestrikt, op haar voeten sandalen.
Hendrikas ogen gleden bovenlangs haar, en nu wist ze helemaal niet meer wat ze met dat tasje moest, die stomme broodjes, met alles…
De bus stopte, een menigte drong naar binnen, Maarten hielp, hield de vrouw vast, duwde haar richting de deur. Toen ging de deur dicht.
En toen de bus wegreed, leek het alsof Maarten haar, ja haar, aankeek Hendrika zelf. Een schaamte golfde door haar heen voor haar eenvoudige huisjurk, de versleten sloffen en dat suffe broodjestasje.
Hendrika draaide zich bruusk om, liep door de tuin, langs de buurvrouwen in hun fleurige ochtendjaponnetjes, was bijna over mevrouw Koster gestruikeld bij de rozen.
Zielig toch, Hettie, niet gehaald? vroeg zij, de sigaret tussen haar lippen, knikkend naar het tasje.
Niet gelukt, haalde Hendrika haar schouders op.
Zonde. Laat Bram dan maar langskomen ben je thuis vandaag?
Hendrika schudde onduidelijk haar hoofd.
Prima, dat mag. Hij houdt van je broodjes ik bak ze nooit, zon gedoe met deeg. Nou, tot straks.
Toen kwam er ineens een oude tractor het hofje binnenrijden. Mevrouw Koster schoot overeind en riep: Hé, oppassen! Je rijdt mn violen kapot met die herriemaker! Draaien nou!
Maar Hendrika hoorde het niet. Ze schuifelde naar de trap, dook de koele hal in. Haar stappen klonken hol op het marmer. Een diepe snik klonk samen met het gepiep van de deur.
Dat was het. ‘Dit is het einde’, dacht ze. Einde familie, einde warmte, einde geborgenheid en vertrouwen, einde geloof in mensen. Nou ja, ‘mensen’, dat is breed. Een man als dat wegscheurt, wat blijft er dan nog van je zelf over?
Hendrika liet zich zwaar neerploffen op een kruk bij de deur, het tasje met broodjes viel open. Kat Frits kwam meteen aangesneld, duwde zijn kop tegen haar kuit, miauwde schraal om eten. Maar Hendrika merkte niets. Ze stond nog steeds buiten bij die regenpijp, staarend naar de blauwe jurk met witte stippen, naar Maarten. En de tranen rolden maar, heet en zout, en zowaar genoot ze ergens van die bittere weemoed eindelijk niet rechtop zitten, niet altijd glimlachen, maar gewoon even zwelgen in simpel huiselijk verdriet…
Wie weet hoe lang ze daar zo zat, tot opeens de voordeur kraakte. Frits schoot de kamer uit.
De deur zwaaide open, in de opening de bolle kop van ome Jaap, de man van mevrouw Koster. Grote neus, pokdalige wangen, glimmende krullen, een vuurrode nek Jaap was op alles net te grof voor deze flat, maar toch hoorde hij erbij. Een warhoofd, volgens Maarten. ‘Ja, maar wél een kunstenaar en zelfs galeriehouder,’ zei Maarten altijd als verdediging. ‘Kunstenaars zijn half gek, anders konden ze niet scheppen…’
Jij hier, Jaap? stamelde Hendrika.
Lijk ik op een ander dan? snuifde hij. Hoor eens, Hettie, Koster zei dat je broodjes over had. Bij ons verbouwen ze de keuken, ik krijg niks te eten! Koster stuurt me van het kastje naar de muur. Mag ik er eentje?
Hij haalde een zielig gezicht, schoof met zijn brede lijf vol in het licht, zo dat Hendrika hem niet kon negeren.
Wacht even, schoenen uit nat, grote plens in de gracht getrapt. En de sokken ook! Gatver, kijk maar.
Hendrika pakte zonder na te denken Jaaps natte schoenen en liep al naar het balkon om ze te drogen.
Laat maar zitten! mopperde Jaap, ik zorg zelf voor mn spul!
Nee hoor, anders krijg je nog kou. Laat maar drogen, toe nou, Jaap.
Ze zette de schoenen in het zonnetje, leidde Frits weg en zuchtte. Jaap was al op zoek naar eten in de keuken.
Hettie! Koffie! Verse graag, zo zwart als stroop met een schijfje citroen. Weet je, zon lekkere Hollandse kop. Maak maar, goede buur!
Komt eraan. Ik zet het alvast op, mompelde ze, zette het gas aan, de waterkoker op het vuur. Maar haar hoofd was vol mist en verdriet.
Maarten… al net buiten het huis met een ander, zomaar…
Nee, suste een andere stem in haar hoofd. Vast toeval, gewoon een collega, dat is alles! Vanavond is alles weer goed, zorg maar voor hem, dan vergeet-ie die ander vanzelf.
Ondertussen fronste Jaap.
Wil je me oude koffie geven? Doe normaal, nieuw zetten! Weg met die ouwe zooi!
Hij greep het porseleinen potje, rook er gefronst aan en trok een vies gezicht.
In de gootsteen met dat spul!
Ach, Jaap ik heb net nog gezet Maar goed, als je het wilt… zuchtte Hendrika, haar handen automatisch bezig om nieuwe koffie te maken.
Dat was niet moeilijk. Maar wat moest ze nu met Maarten…?
De waterkoker floot, ze schonk het kokende water over, de geur van Indiase thee met olifant verspreidde zich in de keuken.
Kijk, dát is andere koek! Maar Hettie, pak die chique servieskopjes erbij, ja? Die met dat kobaltblauwe goudrandje, die vind ik zo mooi. Toos had die ook, jij weet welke. En die broodjes erbij! Kom op, kom op, niet op dat gare schaaltje het feestelijke, ja! En terwijl ik eet, wil ik dat je mn sok repareert. Kijk, dat doet pijn!
Hendrika, nette vrouw, oud-docente met een rijk leven, keek vol minachting naar de sok met het gat. Maar haar hand reikte automatisch al naar naald en draad.
Jaap sloeg plots op tafel, hief zich op tot een klein blok beton: Hettie! Kom op! Heb toch wat eigenwaarde! Je bent de baas hier! Wáár is die trotse vrouw gebleven waar vroeger alle leerlingen ontzag voor hadden? Je was de koningin van de wijk nu is het pakketje en rennen! Je cijfert je helemaal weg. Maarten, je muts! Maarten, zn lunch! Je bent zn moeder, geen vrouw!
Eerst was Hendrika beledigd, maar toen schoot ze in de lach. Hij deed het inderdaad goed na tja, zo was ze inderdaad.
Dus ik ben een bemoeial? Misschien wel… Maar zorgzaam zijn, dat geeft betekenis aan alles.
Jouw Maarten is zn mannelijkheid kwijt omdat jij álles voor hem regelt. Wij mannen willen veroveren, strijd, avontuur! Niet alleen warme sokken en mutsen! Natuurlijk is zorg ook goed, maar niet in overvloed, Hettie! Je zoon is al het huis uit, nu klamp je je aan je man. Je hebt je passie opgegeven voor zijn comfort, je tekende, je zong, je gaf bijles. Maar alles voor Maarten geen bezoekers, geen geurtjes van verf, niks! Op den duur was er niks meer over van de vrouw die je was…
Dat snapte Hendrika eigenlijk niet, of wilde ze niet snappen. Alles opgegeven, en waarvoor…?
En dus kwam haar leven stil te staan. Geen workshops meer, geen zang, geen feestjes. Nieuwe jurk? Waarom, als je nergens naartoe gaat? Hakjes? Voeten als rupsen, straks spataderen! had Maarten ooit lachend geroepen, en hup, ze verdwenen naar zolder.
Haar vriendinnen belden zelden; zoon Bram kwam eens per maand, at, ging weer amper een belletje achteraf.
Dat was alles. Dit was het dus. Einde…
Waarom zo terneergeslagen, meid? Je bent nog jong, je leeft nog! Je bent een roos, Hettie! Kom op, schud het van je af, herpak jezelf! Anders blijft Maarten in zn bus avonturen zoeken! Je bakt fantastische broodjes o, waar zijn de tijden van jonge liefde! Ik had je wel willen schaken destijds!
En met een grijns vertrok Jaap. Hendrika bleef achter.
Maarten kwam die avond pas laat thuis, beschonken en een beetje verwilderd. De geur van parfum en wijn hing rond hem.
De seminar liep uit, bromde hij, duwde haar zijn aktetas in de hand. Schenk wat in. En maak wat aardappels klaar, met jenever, met een traan… Hettie, hoor je me?
Maar Hendrika pakte zijn tas niet. Ze vroeg Maarten aan de kant te gaan, want ze moest haar eigen koffer neerzetten.
Waar ga jij heen?! Wat gebeurt hier nou?
Maartens blik bleef hangen op de mooi gekapte, met oorbellen getooide Hendrika in haar zandkleurige jurk en sandalen en was sprakeloos.
Ik ga een week weg voor mn werk. Je redt het wel, met of zonder traan. Ik moet nu gaan, Maarten.
En mijn aardappels dan? Mn overhemd voor morgen? vroeg Maarten streng.
Hendrika leek even van plan te willen gaan strijken, maar haalde haar schouders op.
Zelf maar doen. Of misschien nodigt ze die dame maar eens uit. Het is goed zo, Maarten. Vaarwel.
Ze verdween, even haperend op de trap omdat het handvat van haar koffer sneed in haar hand, maar dan klonken haar hakken al op het trappenhuis, haar jurk flitste door de schemering; de taxi startte en alles verstilde.
Maarten holde naar het trapgat, wilde iets roepen, maar kreunde alleen toen hij een scheut pijn in zijn rug voelde, en het dof werd voor zijn ogen.
Hetty kon hij uitbrengen.
Waar was Hettie nu? Ze zou hem masseren, insmeren, inwikkelen in een wollen sjaal, naast hem kruipen, hem troosten
…Anouk? Ben jij het? mompelde hij in de telefoon. Ja, ik weet dat ik niet moet bellen, maar… mn rug, Anouk! Ik kom niet eens in de keuken… maar wij zijn toch geen vreemden voor elkaar? Wat?
De telefoon kraakte: Doktersdienst is een ander nummer, zei Anouk kort, en verbrak de verbinding. Anouk zou niet komen, zou hem niet troosten, zijn overhemd niet strijken, niet naast hem liggen. Anouk was té fier, te zelfstandig. Ze was geen Hendrika, helemaal niet.
Met moeite strompelde hij naar de keuken, waar de broodjes koud op het bord lagen. Dit was geen nare droom, nee, een ramp. En dat had hij helemaal zelf veroorzaakt. O, had hij het maar anders gedaan!
De volgende middag kwam Hendrika terug samen met de dokter en bloemen. Zelf kocht ze een bos rode rozen, die zette ze in een sierlijke kristallen vaas. Ze rook naar parfum en een tikje sigarettenrook. Ja, ze rookte af en toe, als ze nerveus was.
Wacht even, dokter! Nog niet prikken, riep ze.
Maarten kreunde ernaast, verging van de pijn.
Wat is er? vroeg de arts.
Nog één vraagje. Maarten, wat heb jij haar allemaal beloofd? Zulke vrouwen strijken niet zomaar langs, je bent gewoon te oud voor haar, boog ze zich over zijn bezwete gezicht.
Ik ben niet oud! Ik ben in de bloei van mijn leven
Pensioen, vulde de dokter aan.
Dus, wat heb je haar beloofd? Kom op, ik heb haast!
Functie en promotie. Maar ze krijgt niks, Hettie! Echt niks! Alleen jij! Jij bent alles voor mij! Vergeef me!
Ze krijgt haar promotie en baan. Je hebt beloofd, dus moet je je eraan houden! En jij vertrekt, Maarten. Weet ik veel waarheen, maar weg uit je kantoor. Overigens, vanaf volgende week ga ik weer aan het werk. Het strijkijzer staat op de plank, de was ligt klaar. Bevalt het niet? Dan scheiden we. Begrepen?
Maarten hijgde, snoot het zweet van zijn voorhoofd, knikte. Hij had helse pijn, Hendrika was meedogenloos, de dokter aan haar kant, Jaap stond grijnzend in de deuropening, klaar om de vernedering nog groter te maken.
Begrepen. Spuit nu maar, martelaars! fluisterde hij snikkend.
Hendrika knikte goedkeurend. De dokter begon zijn werk.
Anouk was intussen dolgelukkig. Haar snelle proefschrift was goedgekeurd, de nieuwe baan binnen. Allemaal dankzij die gekke, lieve Maarten. Maar nu zag ze hem niet meer staan. Zijn vrouw had duidelijk gemaakt dat alles zo weer afgenomen zou kunnen worden.
Maarten nam ontslag. Iedereen in het kantoor stond versteld, waarom opeens, van zon mooie baan? Maarten zei niets, alleen: Ik heb het beloofd. Aan wie, waarom? Niemand wist het.
Op zijn afscheid bracht hij zijn vrouw mee, vol diamanten, danste een prachtige tango met haar. En keek haar aan zoals hij Anouk nooit had aangekeken. Waarom? Wat had Hendrika wat niemand anders had?
Gewoon: alles. Zij was de lucht die Maarten altijd had ingeademd. Je merkt het pas als het er ineens niet meer is. Hendrika, realiseerde Maarten zich, was nog steeds die ongelezen roman, vol geur, mysterie, zoet en scherp tegelijk, als verse aardbeien aan zee op een zomerdag. Je zult dat boek nooit uitlezen, nooit de laatste pagina omslaan. God geve dat het zo blijft!
En Anouk die moet nog haar eigen lezer vinden. Of misschien lukt haar dat wel nooit. De tijd zal het leren.







