Dagboek,
Soms voel ik me nog steeds een beetje buitenstaander in mijn eigen leven. Mijn jongen, Bram van Dalen, groeide immers op zonder vader. Nou ja, zijn vader wás er, maar toen Bram vier werd, sloeg het noodlot toe. Menno van Dalen werkte bij de Nederlandse brandweer en werd door zijn team erg gewaardeerdzijn moed was ongekend, maar uiteindelijk werd het hem fataal. In een poging mensen onder het puin vandaan te halen na een aardbeving in Indonesië, verloor ik Menno. Naast hem was Douwe, onze trouwe Mechelse herder, die Menno vanaf pup had opgevoed.
Alleen achtergebleven in Amsterdam, ben ik, Hilde, nooit hertrouwd. In plaats daarvan heb ik al mijn liefde en zorg aan Bram gegeven, en samen probeerden we onze plek in de wereld te vinden. Toen Bram veertien was, sloot hij zich aan bij de jeugdafdeling van de hondenvereniging bij ons in de buurt. Ik was trots op zijn enthousiasme, maar ergens in mijn hart voelde ik de angst opborrelen dat hij ooit net zon gevaarlijk beroep zou kiezen als zijn vader.
Twee jaar later kwam Bram thuis met een jonge Mechelse herder, maar een naam voor het dier had hij nog niet bedacht. Op een dag, toen ik thuis met het beestje bezig was, hoorde Bram mij tegen hem praten:
Och, jij boefje toch, alweer iets uitgespookt, schurkje van me.
Bram stond toen breed lachend in de deuropening. Vroeger, als hij weer eens met modder op zijn kleren thuiskwam of in een boom geklommen was, zei ik precies hetzelfde tegen hem. Die avond besloot hij het: Dan heet hij voortaan Boef. En zo werd Boef zijn officiële naam.
Met geduld en liefde groeide Boef in twee jaar uit tot een prachtige, krachtige en gehoorzame hond. Bram was ontzettend trots op zichzelf én op zijn hond, die zich thuisvoelde in het clubhuis en bij elk optreden uitblonk.
Niet veel later werd Bram achttien en moest hij in dienst. Wat niemand wist, was dat hij stiekem hoopte samen met Boef ingezet te worden. Hij trainde Boef extra hard om hem klaar te stomen. Samen slaagden ze voor de selectie bij het opleidingscentrum. Na drie maanden werden ze uitgezonden, naar een grenspost in Limburg. De andere soldaten noemden hen al snel Boef en Baas. Telkens als ze op patrouille gingen hoorde je: Daar gaan Boef en Baas weer!
De diensttijd verliep rustig tot die ene nacht. Tijdens een nachtelijke controle liep het miser volgde een schietpartij met smokkelaars. Een van de jongens raakte zwaargewond, een ander overleefde het niet. Vanaf dat moment hoorde niemand meer iets van Bram. Boef werd ook geraakt in zijn poot.
Het maandenlange zoeken had geen resultaat. Op een dag kwam een officier van het ministerie van Defensie bij mij langs, met Boef bij zich. De hond was hersteld, maar liep duidelijk mank. De officier vertelde zachtjes wat ze hadden ondernomen om Bram terug te vinden, sprak over hoop en dat ik de moed niet moest opgeven, dat er af en toe wonderen gebeuren. Maar zijn woorden kwamen niet binnen. Terwijl ik Boef over zijn kop aaide, legde hij zijn snuit op mijn schoot, dicht tegen me aan, zoals hij dat altijd bij Bram deed. Ik keek hem aan en zuchtte:
Och, mijn boefje toch
Vanaf die dag zag je ons iedere ochtend en avond wandelend door het Vondelpark. Een vrouw van middelbare leeftijd met een hinkende herder aan de lijn. Mensen keken ons vaak na; er hing iets rustigs en waardigs om ons heen. Het voelde alsof de mensen aanvoelden dat wij méér waren dan alleen vrouw en hond we deelden een gemis, en misschien ook iets van hoop.
We praatten veel, ik gaf Boef op een zachte toon zijn commandos en vertelde hem wat er allemaal op de planning stond.
Boef, vandaag bak ik appeltaart, dan krijg jij een stukje appel. En morgen, als het droog blijft, dan lopen we langs de Amstel. Kun je lekker zwemmen.
Een jaar verstreek. Op een kille herfstdag stond er weer een officier op de stoep, met een doos boodschappen en een zak hondenvoer. Hij legde uit dat, als er binnen een jaar geen nieuws kwam, Bram officieel dood zou worden verklaard. Ik bedankte hem beleefd en sloot de deur.
Niet luisteren, Boef. Ik weet gewoon dat Bram leeft.
En toen gebeurde iets onverwachts: de bel ging en een jongeman die ik niet kende stond voor de deur. Boef reageerde meteen enthousiast, kwispelde uitbundig.
Goedenavond, mevrouw van Dalen. Ik ben Jeroen Visser, ik heb samen met Bram gediend. Dag Boef, ouwe rakker!
Jeroen bleef uren zitten. We dronken thee, hij vertelde over de diensttijd, over Bram, lachte om oude verhalen, en ik liet hem fotos zien van Bram als kind.
Maar opeens werd hij stil en zei, net iets te schuchter:
Mevrouw van Dalen, neem me niet kwalijk hoor, maar Bram vroeg me in een droom om aan u door te geven dat hij zou terugkeren.
Ik barstte in tranen uit. Boef kwam meteen bij mijn stoel, likte mijn hand. Jeroen keek ongemakkelijk, maar ik wist dat hij het goed bedoelde.
Ik weet het, Boef. Bram komt terug, dat voel ik gewoon.
Opnieuw verstreek er een jaar. Nog steeds wandelden Boef en ik in het park, vaak zonder echt te zien wat er om ons heen gebeurde. Soms zei ik: Kom, Boef, we gaan naar huis. Misschien bellen ze vandaag.
Toen kwam de herfst weer. De bomen goudgeel, het zonlicht scheen door de bladeren en we liepen, zoals altijd, tot het einde van de laan. Plots zag ik aan de overkant een gestalte opdoemen, lang en met een licht hinkende pas. Boef spitste zijn oren, hield stil, piepte zacht en rukte aan de lijn. Ik maakte het lusje los en zonder om te kijken stoof Boef vol vreugde naar de man die wij zo lang hadden gemist.
Ik bleef staan, kon alleen nog maar huilen. In de verte zag ik mijn jongen, Bram, die zijn hond vol liefde omhelsde. En eindelijk, eindelijk kon ik weer ademhalen.







