Aan de Universiteit van Amsterdam gaf een dokter college aan de militaire faculteit. Heel haar leven had zij als kinderarts in het Emma Kinderziekenhuis gewerkt. Op een dag deelde ze een opmerkelijk verhaal met haar studenten. Ondanks haar medische kennis werden haar eigen kinderen voortdurend ziek ze hadden werkelijk álle kinderziektes doorgemaakt. Terwijl zij hen behandelde, leek het wel of er altijd weer een nieuw virus zijn kans schoon zag, tot ze er simpelweg wanhopig van werd. Haar kinderen waren levendige, vrolijke hummels, maar het blijven behandelen van al die kwalen putte haar uit.
De dokter nam al jarenlang strikte hygiënemaatregelen daadwerkelijk, zodra ze thuis kwam, nam ze eerst een douche, verwisselde haar kleding, waste grondig haar handen. Toch haalden haar kinderen iedere keer precies die ziekte op die zij overdag op haar werk bestreed. Hoe zwaarder het geval op haar werk, hoe sneller ze het thuis terugzag. Vitamines, frisse lucht, koude douches niets hielp. Het bracht haar tot wanhoop.
Toen, op een gure woensdag, had de dokter een uitputtende dag gehad met een bijzonder heftig geval. Terwijl ze door de grauwe straten van Amsterdam fietste, voelde ze zo’n knoop in haar maag ze wist bijna zeker dat haar kleintjes thuis weer zouden snotteren. Maar deze keer durfde ze het even niet aan om direct naar huis te gaan. Ze draaide haar fiets de stad in en besloot spontaan naar de bioscoop te gaan. Ze keek naar een film over een Nederlandse avonturier, die op Indiana-Jones-achtige wijze zijn weg vond door oude kastelen in Limburg. Met een mix van schuldgevoel en een onverwacht plezier kwam ze pas laat thuis en tot haar verbazing waren haar kinderen kerngezond en heerlijk aan het spelen.
De dagen daarna ging ze bij haar vriendin Liesbeth langs op de koffie. Giechelend om een oude grap en smullend van een stroopwafel bleef ze een uurtje langer dan gepland. Ook toen bleven haar kinderen kiplekker.
Langzaam sloop er een nieuw ritueel in haar leven. Na de hectiek van het ziekenhuis liep zij steevast eerst een rondje door het Vondelpark, waar de tulpen bloeiden en het water ruiste in een vrolijke fontein. Daar zat ze even op een bankje, keek naar de ganzen die voorbij waggelden en ademde diep in. Pas daarna fietste ze naar huis.
En het wonder gebeurde: haar kinderen werden niet meer ziek. Niet één keer meer, dat hele jaar.
“Het ligt niet alleen aan bacteriën,” vertelde zij haar studenten, onder het zachte neonlicht van het collegezaaltje, “het gaat om de energie, de stemming die je het huis binnenbrengt. Slecht nieuws neem je ongemerkt mee, als een koude wind door de deur.” Net als een besmettelijk virus, dacht ze, kon haar vermoeidheid haar kinderen raken.
Dus misschien moet je, juist na een vervelende dag, even een omweg nemen langs de bloemenvelden of een terrasje aan de gracht, of gewoon even diep ademhalen op een bankje. Daarna pas naar huis, bij je lieve mensen, met je hart weer licht en je gedachten helder. Hoe het precies werkt weten de wetenschappers ook nog niet, maar dat het echt werkt, daar was zij van overtuigd een stukje appeltaart in het café, een filmavondje, of een wandeling door het park kan al voldoende zijn. Gun je dierbaren dat sprankje licht als je thuis komt want met een glimlach breng je meer gezondheid mee dan met de schoonste handen alleen.







