Kom binnen, mam, we hebben op je gewacht, zegt zoon Daan, terwijl schoondochter Marjolein haar snel Janskes jas afneemt en warme pantoffels overhandigt. Plots verandert Marjoleins glimlach in een onrustige frons.
Willemijn stapt de woonkamer in, waar de gasten al zitten. Marjolein knikt naar de vloer en nu ziet Daan het ook: natte voetstappen glinsteren surrealistisch op de houten planken, als dunne slootjes die de kamer doorkruisen. Hun blikken kruisen elkaar kort. Uitgesproken wordt er niets. Niet nú.
Daan en Marjolein zijn in een soort gelukstrance: hun tweeling is pasgeleden geboren, de babys zijn al wat gegroeid en het werd tijd om deze vreemde gebeurtenis te vieren met hun naasten, dacht men. Overal staan tulpen in vazen, en uit de keuken drijft de geur van stroopwafels.
Willemijn, al jaren met AOW, had zelf gebreide rompertjes voor de kleintjes meegenomen ze had geen euro om uit te geven in de winkel, wat haar aanvankelijk liet twijfelen of ze wel op bezoek moest komen. Maar Daan en Marjolein hielden vol: Op zon dag, moeder, moet je erbij zijn.
De babys heten Joost en Luuk. Voor Willemijn betekent dat meer dan men zou denken; haar man was een Luuk, haar vader een Joost. Traditie, die zich met een plotse logica net als een vaargeul blijft uitgraven in de tijd. Haar hart glimlacht.
Wat zijn ze prachtig, kijk nou toch, Marjoleintje, deze lijkt op jou, kraait ze, en die op jou, Daantje. Nee, wacht, nu ben ik de draad kwijt ze zijn elkaars spiegelbeeld! Willemijn cirkelt dromerig om de wieg. Alles glanst, de muren wiegen golvend, de jongen lijken wel uit hetzelfde molenaarsdeeg gekneed.
Daan en Marjolein lachen zachtjes. Grootmoeders vreugde klinkt als zacht klaterend water, haar lichte onrust dwarrelt als wind over de polder.
Tegen de tijd dat de appelbollen uit de oven komen, begint iedereen zich te verzamelen voor vertrek. Willemijn wil haar jas pakken, maar Marjolein fluistert met een twinkeling naar Daan. Hij stelt met een dromerige vanzelfsprekendheid voor:
Mam, blijf je slapen? Het is al laat, misschien rijdt er geen bus meer. We kunnen je goed gebruiken Marjolein kan wel een extra handje gebruiken met het badritueel.
Ach ja, kind, natuurlijk. Zeg het maar, ik help jullie, antwoordt Willemijn, haar stem als warme vlaai.
Ze ruimt de tafel af, het porselein kleppert als een miniatuurorkest. Ze wast het servies, droomt over het verleden en sluit zich aan bij Marjolein en Daan in de badkamer, waar het warme water wolkjes blaast.
Marjolein geeft haar één van de jongetjes. Willemijn schrikt even: Zo klein ze glippen zo uit mn handen. Marjolein lacht: Mam, je liet Daan nooit vallen, weet je nog?
Dat was zo lang geleden, dat weet ik haast niet meer, fluistert Willemijn in zichzelf.
Ze neemt Joost op haar arm. De kleine valt gelijk in een diepe droom, alsof haar geur het polderland zelf is, het eiland van veiligheid. Marjolein wiegt Luuk stil.
s Nachts krijgt Willemijn een eigen kamer. Maar slapen lukt niet, te alert op het gekreun of gehuil van een van de jongens. Haar waakzaamheid loopt mee door haar dromen, tot vlak voor zonsopkomst; pas dan dommelt ze diep weg.
Bij het ontwaken ruikt de kamer naar verse koffie en beschuit met muisjes. Marjolein tovert ontbijt op tafel, de tweeling slaapt nog.
Waar is Daan? vraagt Willemijn verbaasd De keuken lijkt vreemd leeg.
Ach, mam, ga maar lekker zitten, Daan is zo terug, zegt Marjolein geruststellend, haar stem vloeibaar als warme melk.
Na een moment keert Daan terug, met een grote doos, bedekt met klompenmotief. Mam, deze is voor jou. Open maar!
Willemijn opent de doos. Binnenin: een paar glimmende nieuwe laarzen, zacht als boter. Ze krijgt geen woord uit.
Lieve kinderen, veel te duur! Dat kan ik niet aannemen, haar stem breekt als ijzel op een slotgracht.
Niet duurder dan jij, mam, glimlacht Daan. Doe ze maar aan, loop ze in, denk aan ons.
Willemijn past de laarzen, verwonderd dat haar kinderen, bijeen geraapt in het wazige droomland, wisten dat haar oude, gesprongen laarzen de tocht naar de winkel niet meer aankonden. Ze had niet eens geld voor tweedehands.
Net als ze haar veters strikt, huilt een van de babys. Op haar nieuwe laarzen stapt de grootmoeder de kamer in, gedragen door het gevoel van geliefd en gewaardeerd zijn, alles licht, alles zacht als dauw op het gras.
Daan fluistert dankbaar naar Marjolein, met de vanzelfsprekendheid van windmolens die draaien: Wat ben je toch een kanjer. Zonder jou had ik het niet gezien
Ach, hoefde ik niet voor te raden, lacht Marjolein fluisterend. Gisteren kwam ze doorweekt binnen, haar voetstappen lieten natte viooltjes achter. Voor ons is drieduizend euro veel, maar we verdienen bij. Voor jouw moeder is het onbereikbaar. Laat haar genieten, ze drukt Daan zacht tegen zich aan, hun gezichten spiegelen in de keukenkast.
En misschien komt het door haar nieuwe laarzen, misschien door het warme huis, maar Willemijn voelt die vreemde, zoete droom nodig zijn, belangrijk zijn, het water in de slootjes kabbelt net iets vrolijker haar tegemoet.






