Sem Jansen reist naar een pittoresk Nederlands dorpje om zijn tante, de oudste zus van zijn moeder, te bezoeken—de vrouw voor wie zijn moeder hem vlak voor haar overlijden vroeg een oogje in het zeil te houden.

Dus luister, laatst was ik weer bij mijn tante Johanna op bezoek. Zij is de oudste zus van mijn moeder, weet je nog? Mijn moeder vroeg vlak voor haar dood of ik een beetje op haar wilde letten. Dus, ik voel me daar gewoon verantwoordelijk voor.

Tante Johanna is echt zo’n oud en klein dametje geworden. Ik zeg haar al vaker dat ze beter naar ons in Utrecht kan komen, dat ze daar een eigen kamer krijgt, lekker kan wandelen in de binnentuin daar zijn allemaal andere oudere dames en het is veel gezelliger. Maar ze is koppig, ze wil haar huisje in het dorp niet verlaten. Dus wat doe ik? Om de drie maanden neem ik vijf dagen onbetaald verlof en ga ik haar opzoeken. Twee dagen kwijt aan reizen, drie dagen help ik haar in huis en in de tuin. Gelukkig heb ik mijn eigen afdeling, dus ik regel dat allemaal wel. Bovendien, de directeur is een vriend van mij, dus dat scheelt.

Dit voorjaar kon ik pas eind april gaan, want het was echt chaos op kantoor. In maart lukte het gewoon niet. Toen ik aankwam, zag ik meteen dat tante Johanna flink achteruit was gegaan na de winter. Haar buurvrouw, tante Annetje, vertelde me dat ze twee keer de ambulance hadden moeten bellen.

Ik vroeg waarom ze mij niet hadden gebeld, want elke keer als ik vroeg hoe het ging, zeiden ze dat alles goed was met tante Johanna. Nou, Annetje zei dat mijn tante haar op het hart had gedrukt me niet te storen. Wanneer ik dood ben, mag je hem bellen, zei ze. Gek mens.

Ik ben daarna meteen naar de supermarkt in het dorp gelopen, moest suiker en zout halen voor haar. Ben meteen flink losgegaan rijst, blikgroente, houdbare melk zodat ze genoeg in huis heeft. Toen ik terugliep en het tuinhekje opendeed, zat daar ineens een jonge herderpup, ik denk een maand of vijf oud.

Echt een apart beestje, beetje lomp hoofd, lange snuit, maar superschattig.
Tante Johanna, waar komt die pup vandaan? vraag ik.

Ach, die kwam een maand geleden aanlopen. Ik deed het hekje open en daar zat ‘ie, verschrikkelijk mager en bibberend van de kou. Nu is ‘ie alweer wat aangesterkt. Ik heb hem gehouden, wel zo gezellig.

Ik kriebel die pup wat over z’n kop en meteen legt ie zn hoofd op mijn knieën. Als kind wilde ik altijd een hond, maar dat mocht nooit van mijn ouders. En nu? Geen tijd voor beesten, maar goed, mijn vrouw probeerde ooit een kat maar die was na drie jaar weg. Geen kinderen, dat ging niet bij ons, dus we leefden lekker ons eigen leven, veel op reis.

Hoe heet die boef eigenlijk? vraag ik.

Sjors, zegt mijn tante, zo heette vroeger mn kat ook.

Ik moest lachen. Noem je een hond Sjors? Das toch meer een kattennaam!

Ach, wat maakt het uit. Hij luistert er prima naar.

Terwijl ik daar was, volgde Sjors me overal. Maar ja, het was weer tijd om naar huis te gaan. Ik vroeg haar of ze alsjeblieft wilde bellen als het niet goed ging, of als ze medicijnen nodig had. Ik kom echt wel, joh. Bel gerust, geen gedoe.

Och Martijn, ik heb je al genoeg last bezorgd. Maar lang zal het niet meer duren, hoor.

Niet zo kletsen, tante Jo. Gewoon doorgaan, hoe langer hoe beter. Voor mij ben je geen last.

Toen vroeg ze ineens: Martijn, zou je wat voor me willen doen? Als ik er straks niet meer ben, zorg je dan voor Sjors? Het is toch ook een levend beestje.

Natuurlijk, ik zoek wel iemand voor hem.

Nee, neem hem alsjeblieft zelf. Hij is niet voor niks naar mij toegekomen, dat weet ik zeker.

Op dat moment stak Sjors zn neus tegen mijn benen en keek me zo slim aan.
Oké, tante Johanna, als het zo moet, dan neem ik hem mee.

Een maand later was ze er niet meer. Heb haar begraven, samen met de buren de negendaagse rouwdienst gehouden, zoals het hoort. Met Sjors ben ik nog naar het kerkhof gegaan om afscheid te nemen.

En toen werd het tijd om naar huis te gaan. Halsband en muilkorf in de tas, op naar het station. Ik kocht een kaartje voor het hondencompartiment in de trein. In het coupeetje zat al een man met zon typische jachthoed op. Zodra we binnenkwamen, blafte Sjors meteen en leek te grommen.

Die vent draait zich om, kijkt ons aan en roept: Moet dat nou? Neem je gewoon een wolf mee in de trein?!

Doe effe normaal, dit is gewoon mn hond, Sjors!

Joh, dat is een halve wolf! Ik ben jager, ik ken die beesten!

Sjors gromt nog harder.

Haal dat beest weg, of ik geef hem een klap!

Ga jij maar in de gang zitten als je het zo eng vindt. Sjors doet niemand wat.

Uiteindelijk ging die man mokkend de gang op. Toen keek ik Sjors aan. Zeg, Sjors, ben je soms echt een wolf? Sjors liet zich tegen me aan vallen, kwispelde vrolijk. Ach joh, maakt niet uit, ik vind je geweldig.

Even later kwam de conducteur langs.
Is dat nou een wolf of gewoon een herder? vroeg ze.

Een bijzonder ras van herdershond, zei ik stoer. Hij helpt me met zoeken.

Heb je papieren van hem bij je?

Uh oeps. Die heb ik bij het loket laten liggen U weet toch, zonder die papieren krijg je geen ticket tegenwoordig. Gelukkig keek ze naar mn verhaal en het was allang goed in de stationswinkel werkt de dochter van tante Annetje, dat scheelt.

De volgende ochtend in Utrecht ben ik gelijk met Sjors naar de dierenarts aan het einde van onze straat gegaan. De dierenarts keek eens goed: Bent u soms van het circus?

Haha, nee. Waarom?

Nou ja, u heeft gewoon een wolf in de wachtkamer.

Ik moest lachen: Nee joh, hij is van het dorp, daar opgegroeid met mijn tante. Ik verzorg m nu.

Ze bekeek hem van dichtbij: Dit is een wolfs-hondkruising, Martijn. Hebt u geluk ze zijn trouw, rustig en heel makkelijk in de omgang. Kom, ik maak hem in orde, registreren, vaccinaties, dan komt u nooit in de problemen.

Sjors werd thuis meteen het lievelingetje van mn vrouw Marjolein. Zij zorgde voor hem wassen, voeren, lekker samen wandelen. Tien maanden ging het zo goed. Tot het rond kerstvakantie ineens heel koud was en Marjolein besloot samen met Sjors een flinke wandeling te maken in het park, even frisse lucht happen.

In het park schoot Sjors ineens het duister in, oren gespitst. Marjolein riep en riep, maar Sjors kwam zeker zeven minuten niet terug. Net toen ze Martijn bijna wilde bellen, zag ze Sjors terugkomen, helemaal hijgend. In zijn bek hield hij een bundel een baby!

Ze rende eropaf, nam de baby van hem over en ja hoor, de baby leefde en was pasgeboren. Marjolein is zelf arts, dus die heeft meteen 112 gebeld en de politie. Iedereen kwam supersnel.

We konden niet mee naar het ziekenhuis vanwege de hond, maar toen Marjolein Sjors thuisbracht, ben ik meegegaan naar het opvanghuis. Daar bleek de baby een meisje, een maand oud, kerngezond. Er zat een briefje bij, haar naam was Lotte en de moeder vroeg haar alsjeblieft aan lieve mensen te geven.

Toen ze haar voor het eerst vasthield, was het meteen raak Marjolein wilde niets liever dan haar houden. Ze keek me aan, en zonder woorden wist ik het: dit meisje was voortaan bij ons thuis.

Twee maanden later was Lotte, gevonden door onze Sjors, officieel onze dochter. Precies zoals tante Johanna altijd zei: die hond kwam niet voor niets bij haar terecht. Dat geloof ik nu echt wel.

Please rate
Bagattia News
Sem Jansen reist naar een pittoresk Nederlands dorpje om zijn tante, de oudste zus van zijn moeder, te bezoeken—de vrouw voor wie zijn moeder hem vlak voor haar overlijden vroeg een oogje in het zeil te houden.