Schoondochter betrapt haar schoonmoeder in haar eigen keuken en…

Schoondochter betrapt schoonmoeder in haar keuken en…

Gertrude van Dijk stond midden in de keuken met een potje met een viooltje in haar handen. Het viooltje was van Lidewij. Lidewij had het vorig jaar april op de markt in Amstelveen gekocht, driekwartier getwijfeld tussen drie planten, uiteindelijk degene gekozen waarvan de bladeren het scherpst recht stonden. Ze had haar een ereplaats op de vensterbank gegeven en gaf elke zondag trouw water. En nu stond haar schoonmoeder met dat potje in haar handen alsof ze net iets uit de kliko had gevist dat misschien nog goed kon zijnof misschien ook niet.

Mevrouw van Dijk wat bent u aan het doen?

Lidewij kwam uit de slaapkamer, gehuld in een oud T-shirt en versleten joggingbroek. Juul was net in slaap gevallen na de boterham, dus hoopte ze even op een half uurtje rust. In plaats daarvan hoorde ze gerommel, servies dat rinkelde en alweer een plastic tas die zich liet gelden.

Opruimen, zei Gertrude zonder op of om te kijken. Je hebt die plant weer verkeerd neergezet, Lidewij. Hij blokkeert hier het licht, joh.

Hij staat precies zoals ik hem heb neergezet. Dat raam is het zonnigste plekje.

Ja, heerlijk hoor, die oostkant, maar viooltjes houden niet van direct ochtendlicht. Dat is funest!

Hij groeit prima. Ziet u die knoppen?

Ja, nu nog wel. Wacht maar tot-ie ouder wordt, dan is het gebeurd. Ik zet hem wel even bij de koelkast, daar is net ruimte op het plankje.

Lidewij liep de keuken in, pakte het potje uit haar handenzonder veel drama, maar toch stevigen zette het terug op de vensterbank.

Gertrude, zou u alstublieft mijn spullen niet meer willen verplaatsen?

Schoonmoeder keek haar aan, niet kwaad, eerder alsof ze zojuist hoorde dat water nat is. Alsof ze met een natuurwet geconfronteerd werd die haar intens onlogisch leek.

Lidewij, ik bedoel het goed. Ik wil alleen maar helpen.

Dat begrijp ik. Maar dit is mijn keuken. Hier bepaal ik zelf wat waar staat.

Jouw keuken, herhaalde Gertrude en trok haar wenkbrauwen op. Ze draaide zich om, richtte zich op de kraan en begon die overdreven ijverig te poetsen, alsof hij al maanden genegeerd was. Lidewij keek naar haar brede rug in die mosterdgele trui en vroeg zich af: waarom kom je nou op woensdag, zonder te bellen, zonder enige aankondiging? Je stapt gewoon naar binnen, midden in mijn huis, met je eigen regels.

Luidop zei ze niks. Ze dacht het gewoon erg nadrukkelijk.

Wanneer wordt Juul wakker? vroeg Gertrude, nog altijd met de rug naar haar toe.

Over anderhalf uur, denk ik.

Ik maak hier dan even schoon, goed? Jij moet ook even kunnen zitten.

Lidewij snoof. Ze wilde rustig zeggen dat het huis al schoon was.

Gertrude, ik heb hier alles al op orde.

Dat zie ik, hoor, klonk het droog. Alleen de kraan lag onder de vlekken.

Lidewij schonk zichzelf een glas water in, bleef staand bij het raam. Eén knop aan het viooltje was bijna opendiep paars met een wit randje. Juul wilde hem steevast elke dag aaien en gilde dan: Bloeimetje! Waarop Lidewij probeerde: Bloem, Juul, bloem. Waarna Juul grinnikte en het nog eens zei: Bloeimetje.

Ze zette het glas terug, ging de kamer in. De deur dichtgooien leek overdreven. Dat zou van ruzie getuigen. En Lidewij hoopte nog altijd op het mirakel dat haar schoonmoeder uit zichzelf zou snappen dat dit niet het juiste moment was; dat mensen hier hun eigen leven hadden. Maar Gertrude, zo leek het, vond timing een triviale bijzaak.

Twintig minuten later verspreidde zich een geur uit de keuken. Rijkelijk, en overduidelijk bouillonachtig.

Lidewij stak haar hoofd om de hoek.

Op het fornuis stond haar pan. Waarin iets borrelde.

Wat is dat? vroeg ze.

Soep. Kip met vermicelli. Als Wijnand straks thuiskomt uit kantoor kan-ie meteen aanschuiven, want jouw koelkast was leeg.

Er lag nog genoeg boekweit. En zelfgemaakte gehaktballen.

Die waren van gisteren. Ik heb ze weggegooid.

Lidewij bevroor.

U hebt mijn gehaktballen weggegooid?

Lieve kind, anders word je ziek! Ze stonden er al sinds gisteravond in.

Ze hadden nog gekund. Dat was mijn eten, zelfgemaakt.

Och kom, gehaktballen zijn drie habbekrats.nl Ik heb soep gemaakt, veel lekkerder.

Lidewij keek zwijgend naar de pan. De soep rook goddelijk. Dat was juist het irritantstedat het lekker rook, in háár pan, gemaakt met boodschappen die Gertrude kennelijk van huis had meegenomen. En nu moest Lidewij weer met haar gevoelens aan de slag.

Dank u, zei ze koel. Maar zou u voortaan alstublieft mijn eten niet meer willen weggooien?

Ik bedoel het goed, Lidewij.

Weet ik. Alleen niet meer doen.

Gertrude roerde in de pan. Geen antwoord.

Lidewij ging aan tafel zitten. Ze keek toe hoe haar schoonmoeder bekwam de boel poetste, roerspaan afwaste, fornuis afnam. Overduidelijk voelde Gertrude zich op haar gemak in deze keuken: geen kastje te onbekend, alles met het grootste gemak open. Blijkbaar was ze hier al vaker geweest zonder dat Lidewij het wist. Toen Lidewij bij haar moeder was, of lag te slapen, of met Juul aan het wandelen was. Kennelijk gewoon met haar eigen sleutel binnengekomen.

Gertrude, zei Lidewij, hoe vaak komt u hier eigenlijk binnen?

Ach, af en toe. Als het nodig is.

Wat bedoelt u met als het nodig is?

Schoonmoeder draaide zich om, haar gezicht open, maar van binnen toch een beetje gegriefd.

Lidewij, kom op. Dit is toch ook het huis van Wijnand, mijn zoon?

Klopt. En van mij.

En dus mag ik niet binnenkomen?

Natuurlijk wel. Maar wel als u even belt en vraagt of het uitkomt.

De stilte was van de soort die begint te knallen als een elastiek. Gertrude keek op die unieke manier die Lidewij inmiddels goed kende: een mix van verbazing en gekrenktheid, de aankondiging van een uitgebreid telefoongesprek met Wijnand later op de avond.

Goed dan, zei Gertrude uiteindelijk. Zoals je wilt.

Ze liet de pan soep staan. Vertrok een uur later toen Juul nog steeds sliepdrukte haar een kus op via de dichte slaapkamerdeur (Ssst, ze slaapt!) en vertrok. Sleutel mee.

s Avonds kwam Wijnand thuis, meteen opgewonden door de geur.

Hee, mam is langs geweest?

Ja.

Het ruikt heerlijk.

Wijnand

Hij deed zijn jas uit in de hal.

Wat is er?

Ze kwam weer onaangekondigd binnen. Gooide mijn gehaktballen weg. Verschoof mijn spullen. Liep gewoon rond alsof ze thuis was.

Lieverd, ze bedoelt het alleen maar goed. Dat zei je toch?

Weet ik. Maar wil je haar alsjeblieft uitleggen dat ze moet bellen voordat ze binnenkomt?

Wijnand brak een stuk brood af.

Ik zal het zeggen.

Dat zeg je altijd.

Dan zeg ik het nóg een keer.

Lidewij schepte soep op, zette de kom voor zijn neus. Hij nam een hap.

Ze kan het wel, soep koken, mompelde hij, en schrok er zelf een beetje van.

Lidewij at zwijgend.

Enkele dagen later stond Gertrude weer op de stoep. Vrijdag deze keer, net toen Juul uit haar middagdutje kwam en zachtjes jammerde in de kinderkamer. Lidewij liep haar kant op, op dat moment hoorde ze de sleutel.

Wakker, lieverd! Oma is hier! Gertrudes stem galmde door de gang. Juul hield meteen op met huilenaltijd als haar grootmoeder kwam. Lidewij wist nooit of ze daar blij mee moest zijn of niet.

Ze ging naar de kinderkamer. Gertrude stond al bij het bedje, armen uitgestrekt, Juul lachte blij.

Hoi, zei Lidewij.

Dag schat, kirde Gertrude, die Juul optilde, even wiegde en stevig omhelsde. Zo gemist. Je had gebeld?

Nee, ik was er gewoon.

Nou, ik hinder niet, toch? Ben heel stil.

Ze gingen naar de keuken. Lidewij zette thee. Juul at ondertussen een boterham met boter uit het tasje van Gertrude, die haar standaard proviand meenam.

Ik heb taart meegenomen. Biscuittaart van de bakker. Juultje is dol op lekkernijen!

Juul krijgt nog geen taart.

Hoezo niet?

Ze is pas twee en een half. We wachten nog even met suiker, ze had laatst huiduitslag van chocoladeroom.

Dat was van de room! Dit is vanille, heel mild.

Gertrude, alsjeblieft.

Eén klein stukje kan toch wel, Lidewij? Ze klonk zoet, bijna eng zachtaardig.

Uw kind en mijn kind zijn niet hetzelfde. Juul reageert anders op eten.

Je overdrijft het.

Misschien. Maar het is mijn kind, en ik vraag u: geen taart.

Pauze. Juul reikte naar de tas. Gertrude schoof hem onder tafel.

Goed dan, geen taart.

Dank u.

Ze dronken wat eerzaam hun thee. Juul rommelde op de grond met een pannetje en een houten lepel die Gertrude zonder vragen uit een la had gehaald. Lidewij vond het maar niks, maar ja, die lepel was in elk geval schoon.

Hoe gaat het met Wijnand op het werk? vroeg schoonmoeder.

Goed, hij is moe.

Dat had hij altijd al. Volle inzet, daarna niks meer waard. Tijd voor vakantie. Gaan jullie nog weg?

We weten het nog niet.

Ik neem Juul wel een weekje mee, lekker naar mijn stacaravan op de Veluwe. Frisse lucht, moestuin. Jij je rust, zij haar lol.

Ik denk erover na.

Niet zoveel denken, gewoon doen. Juli is top.

Gertrude, ik denk erover na, zei ik.

De blikken kruisten. Dan richtte Gertrude zich weer op Juul.

Juultje, kom je bij oma zitten?

Juul trippelde naar haar toe, werd stevig geknuffeld.

Lidewij waste de bekers af bij het raam, keek naar haar viooltje. Alwéér had het een nieuwe knop.

Het taartdoosje kwam uiteindelijk toch tevoorschijn toen Lidewij even naar haar mobiel moest. Bij terugkomst trof ze Juul met een prop cake in haar vuist en een sanctievolle blik van haar oma, die triomfantelijk terugkeek.

Gertrude!

Klein hapje maar, hoor. Ze vroeg zelf!

Ze grijpt alles aan wat haar wordt voorgehouden. Dat is geen toestemming. Ze is een kindje!

Lidewij peuterde het cakeje uit Juuls hand, gaf haar een stuk appel. Juul accepteerde het en hobbelde terug naar haar keukengerei.

Ik had u gevraagd

Ze wilde het zo graag, Lidewij.

Volgende keer zegt u gewoon nee. U bent volwassen, u mag dat.

Gertrude stond op, greep haar tas.

Toch maar eens gaan.

Is goed.

Je bent boos.

Nee. Ik vraag u zich aan mijn regels te houden in dit huis.

Jouw regels. Duidelijk.

Ze trok de deur achter zich dicht. Juul zwaaide: Doei, doei! en Gertrude riep al vanuit de gang: Dag mijn zonnetje! De voordeur viel dicht.

Lidewij stopte het taartdoosje in een plastic zak. Die zette ze bij de deur, om nooit te vergeten het terug te geven.

s Avonds zei Wijnand: Ze houdt gewoon van Juul.

Lidewij zuchtte: Ja. Dat weet ik.

En wat is dan het probleem?

Besef je dat ze altijd komt wanneer het haar uitkomt? Alles bepaalt, mij nergens in betrekt? Dat ik moet vechten voor simpele beslissingen als wat eet mijn kind?

Wijnand zat op de bank. Hij keek glazig naar zijn telefoon, legde hem neer.

Ze heeft geholpen met het appartement, Lidewij.

Daar was het.

Lidewij vouwde haar handen samen.

Dat weet ik nog.

Zonder haar stonden we nu nog steeds in een huurflat.

Weet ik ook, Wijnand.

Dus misschien moeten we een beetje

Wat? Slijmen? Accepteren dat ze alles mag bepalen omdat ze geld heeft gegeven?

Hij zweeg.

Zo werkt het niet, Wijnand. Hulp is hulp, geen entreebewijs op elk moment.

Hij pakte zijn telefoon weer.

Ik bel haar. Echt. Nu echt.

Dat heb je al twee keer gezegd.

Dan zeg ik het nog een keer, Lidewij. Wat wil je van me?

Ze hoopte dat hij het zelf eens zou begrijpen, zonder haar hulp. Maar ze zag aan hem dat begrijpen koste wat kost werd uitgesteld. Begrijpen betekende namelijk ingrijpen. Ingrijpen betekende ruzie met moeder. En daar was hij banger voor dan voor haar zwijgen.

Niks, laat maar. Slaap lekker.

Ze liep Juul even instoppen. Die lag uitgestrekt, snoof zachtjes, totaal ontspannen. Lidewij draaide haar op haar rug, aaide even. Ze bleef in de halfdonker luisteren naar haar adem.

Een week ging voorbij. Dan nog een. Op zaterdagochtend belde Gertrude eindelijk zelf:

Lidewij? Ik dacht eraan zondag even te komen. Gezellig?

Zondag komt niet uit.

Niet uit… Hoezo? Wijnand zei dat jullie thuis zouden zijn.

We zijn thuis, maar hebben onze eigen plannen. Volgende keer misschien.

Pauze.

Ik heb een cadeautje voor Juul gekocht. Speelgoed. Wilde langskomen.

Geef het anders aan Wijnand.

Nog een stilteminuut. Achter het donkere glas van de telefoon voelde Lidewij de verandering in toon.

Duidelijk, klonk het dan ineens. Oké.

Zondagavond meldde Wijnand:

Mam is verdrietig.

Weet ik.

Ze zegt dat je haar buiten houdt.

Nee, ik wil alleen vooraf worden ingelicht. Groot verschil.

Voor haar niet.

Lidewij vouwde de was op het bed. Sloeg lakens uitzelfs die frisse hoek gaf haar geen rust.

Wijnand, sta je aan haar kant of de mijne?

Aan geen kant! Ik wil gewoon rust.

Nee. Je mag kiezen. Wie beslist er hier: zij, of wij?

Hij zat zwijgend op de bedrand, keek hoe zij alles glad en strak vouwde.

Wij, Lidewij.

Mooi. Praat dan echt met haar. Leg uit dat binnenkomen zonder bellen niet kan. Dat mijn regels over Juul gelden. Dat de reservesleutel terug moet.

Hij slikte.

De sleutel?

Juist. Die.

Dat wordt… pijnlijk.

En haar onaangekondigde bezoekjes zijn niet pijnlijk?

Het is niet hetzelfde.

Waarom niet?

Stilte.

Ze is mijn moeder, klonk het ten slotte.

En ik ben Juuls moeder. En jouw vrouw. Ik vraag niet dat ze nooit komt, maar dat ze zich aan onze regels houdt. Dat is niet te veel gevraagd.

Hij zweeg, liep de kamer uit.

Lidewij vouwde nog wat rompertjes. Eén knoop zat los, die zou ze straks aannaaien.

Twee weken later belde Gertrude Wijnand. Ze kon vrijdag niet, had een verjaardag, maar wilde graag zaterdag komen. Wijnand zei: Natuurlijk, tot dan! Hij vergat het Lidewij te melden.

Zaterdag deed Lidewij open, zag haar schoonmoeder staan met tassen vol boodschappen.

Hoi, Wijnand zei dat je zou komen.

Toch fijn dat ik welkom ben.

Zet maar binnen.

Ze hielpen samen de tassen naar de keuken. Er kwam een berg aardappelen uit, uien, een pot augurken, een stuk karbonade in slagersverpakking, appels, een pak bloem.

Ga even pasteitjes maken, Wijnand dol op die met kool! riep Gertrude, al begonnen met handen wassen, keukenkastjes openen zonder iets te vragen. Want ja, ze wist tóch al waar alles lag.

Lidewij liep de kamer uit, vond Wijnand op bed, verdiept in zijn telefoon.

Heb jij haar uitgenodigd zonder mij te vragen?

Hij keek op.

Ja. Ze wilde graag

Je hebt het niet aan mij gevraagd.

Nee. Jij had nee gezegd.

En daar was hij weer: dat moment, die korte zin waarin alles werd gezegdjij had nee gezegd, dus hoef ik het niet te vragen.

Lidewij stond even stil. Boven het geklepel van pannen uit de keuken klonken uien en kool. Volgende keer vraag je het eerst aan mij. Altijd.

Wijnand zei iets, maar zij hoorde het niet meer. Ze liep naar Juul, die zacht lag te murmelen in bed.

De pasteitjes kwamen er toch. Goudbruin, krokant, met savooiekool, zoals beloofd. Juul werkte er eentje weg als een soort Michelin-chef en vroeg om meer. Gertrude straalde van blijdschap. Lidewij dacht ondertussen aan gehaktballen, cake en dat ene viooltje op haar vensterbank.

Bij het afscheid bleef Gertrude even in de gang staan, keek naar de kale hoek.

Hier zou een plankje mooi staan, voor schoenen. Erg handig, zeg maar.

We denken erover na, zei Wijnand.

Gewoon eentje van hout, ik zie er vaak mooie op de markt! Zal ik er een meenemen?

Graag niet, zei Lidewij. We regelen het zelf wel.

Gertrude keek van haar naar Wijnand. Ging. De deur viel dicht.

Waarom zo? vroeg Wijnand.

Hoe?

Ze wil enkel helpen.

Ze wil een plank ophangen in háár eigen huis, dat is wat ze wil.

Hij liep de keuken in. Pakte stilletjes de laatste pastei.

Half april was het frisjes. Lidewij liep tot lunchtijd met Juul in het park, daarna ging ze naar huis, legde Juul in bed, deed de was, streek, kookte wat, soms een hoofdstuk uit haar boek. Geen groot levenmaar van haar.

Op een middag waarmee alles begon zoals de andere, hoorde ze weer het slot in de voordeur klikken.

Boek terzijde. Gertrude kwam binnen, zag haar al zitten.

O, je bent thuis. Mooi! Ik ben zó weer weg. Kom alleen de gordijnen wisselenik heb nieuwe meegenomen, prachtig. Deze zijn echt verbleekt.

Ze zwaaide met een pakket onder haar arm. Binnenin: beige gordijnen, kleine bloemenprint, dik materiaal.

Wacht stop, zei Lidewij.

Schoonmoeder keek verbaasd op.

Wat?

Stop. Dit hoeft niet. Ik wil geen nieuwe gordijnen, ik vind deze leuk.

Lidewij, die zijn gewoon simpel! Deze zijn prachtig, spotgoedkoop op de uitverkoop.

Gertrude Lidewij kwam overeind. Ik heb u vaker gevraagd: bel als u op bezoek wilt komen. Ja, hè?

Ja

En nu staat u er weer onverwacht. Dat wil ik niet meer. Geen telefoontje? Dan niet binnen. En die gordijnen: nee. Die wil ik niet. Ik heb de mijne zelf uitgekozen. Neem die van u maar weer mee.

Gertrude balde de gordijnen samen. Keek Lidewij aan. Duwde de gordijnen weer in de tas.

Goed, hoor. Je bent hier de baas.

De toon zwartgallig, alsof de baas niet per se positief bedoeld was. Stug, stuursmisschien teleurgesteld, misschien koppig.

Ja, zei Lidewij. Ik ben hier de baas.

Deze keer dronk Gertrude geen thee. Nog voor Juul wakker werd, was ze weg. Zak onder haar arm. Alles bij het oude, behalve het gevoel in huis.

s Avonds de standaardronde met Wijnand.

Mam belde. Ze vindt dat je bot was.

Ik hield me aan het topic.

Ze bedoelt het goed.

Wijnand, meen je nou echt dat je bij iemand alles mag binnenvallen, zo lang je het goed bedoelt?

Hij zweeg.

Wil je eens achter mij staan, in plaats van achter haar? Ik ben je vrouw.

Hij pakte haar hand. Korte stilte.

Ik praat nog wel met haar.

Dat zou voor de verandering wel fijn zijn. Na vijf keer komt het misschien aan.

Lidewij

Vijf keer, Wijnand.

Hij stond op en liep de kamer uit.

Lidewij ruimde op. Zette het viooltje zelf iets dichter bij het raam. Nog een knop kwam uit.

Eind april. Wijnand werd dertig. Lidewij genoot van de voorbereiding. Uitgebreid appeltaartrecept, boodschappen op het Westermarktplein, s avonds alles in de oven als Juul sliep. Taart in de ijskast, klaar voor grote dag.

Weinig gasten: twee vrienden met aanhang, zijn zus Karin met haar man, en natuurlijk Gertrude.

De tafel was feestelijk: salade met nieuwe aardappelen, gegrilde vis, Hollandse augurken, hamrolletjes. Klassiekers, allemaal zelfgemaakt.

Gertrude was als eerste van het feestgezelschapen jawel, deze keer had ze wél netjes gebeld. Ze liep direct naar de keuken.

O, tjongejonge, wat een tafel. Vis?

Ja, zalmforel.

Wijnand houdt meer van paling.

Vandaag doen we het zo.

Nou vooruit dan. Ze schoof een vork een halve centimeter opomdat dat beter stond, blijkbaar. Heb je de taart zelf gemaakt?

Alles zelf. Appeltaart.

Wijnand vindt kruimeltaart lekkerder, dat weet je?

Dat heeft hij nooit gezegd.

Nee, maar ik ken hem al langer.

Lidewij sneed brood, zei niks.

Ik had zelf een snelle kruimeltaart kunnen bakken, hoor. Was zo gefixt.

Deze is goed gelukt.

We zullen wel zien.

De rest van het gezelschap druppelde binnen. Juul racete onder de tafel door. Iedereen lachte, kletste, Joost gooide per ongeluk een kaasstengel naar een vaas.

Wijnand was vrolijk. Lidewij hield van die kant van hem. Alleen jammer dat hij zo standvastig klem zat tussen twee vrouwen, niet in staat kleur te bekennen.

Gertrude zat tegenover Lidewij, en aan het eind van het diner, bij de taart, liet ze zich nog even gaan tegen de vrouw van Wijnands beste vriend:

Appeltaart. Zelfgemaakt door Lidewij.

Heerlijk geurig! zei die enthousiast.

Ja, maar niet iedereen houdt van appeltaart hoor, hij is wel wat zwaar op de maag.

Iemand greep een stukje, Lidewij zette de schaal neer bij het aanrecht.

Wijnand houdt meer van kruimeltaart eigenlijk, voegde Gertrude eraan toe, met de subtiliteit van een luchthoorn. Maar goed, er is niets anders.

De stilte duurde slechts twee seconden. Iemand begon weer te praten.

Maar Lidewij hoorde het in haar botten.

Even later bracht Lidewij Juul naar haar bedze was doodmoe, bijna slapend in haar armen. Gertrude stond op, liep mee.

Laat mij haar in bed leggen, zei ze.

Ik doe het zelf, Gertrude.

Maar je bent moe. Echt, laat mij maar.

Nee, dat doe ik.

Gertrude bleef staan. Achter haar ritselde het feestje door.

Jij wijst mij altijd af, ook áls ik gewoon wil helpen. Echt, dat doet me pijn, hoor.

Lidewij draaide zich om met Juul in haar armen, die al sliep.

Gertrude, ik wil Juul zélf in bed leggen. Zonder discussies. Dat is mijn goed recht.

Ze legde Juul neer. Streelde haar haar. Keek even. Rust.

Toen ze terugkwam, was het feest ten einde aan het lopen. Karin knuffelde haar broer, vitrages werden al aan de kant geschoven, men zocht zijn spullen bijeen.

In de keuken stond Gertrude, foeterend bij de restjes.

Wat doet u?

Salade mee naar huis, zonde van het weggooien.

We eten het morgen op. Zet maar terug.

Maar halfvol nog, zonde!

Ik doe het zelf wel. Dank u.

Nu keek Gertrude haar voor het eerst echt recht aan. Ze liet de salade op het aanrecht staan.

Wat is er met jou aan de hand?

Niets. Geef het maar gewoon terug.

Schoonmoeder keek langdurig.

Lidewij, begrijp me niet verkeerd ik ben je niet vijandig gezind.

Dat weet ik.

Ik hou van Wijnand. En van Juul.

Dat weet ik ook. Maar mijn gezin is van mij. Wijnand heeft een vrouw, een dochter, en wij hebben ruimte nodig.

Ruimte? Wat bedoel je?

Dit: u komt onaangekondigd binnen, doet in mijn keuken wat u wilt, gooit mijn eten weg, verplaatst alles, arriveert met vreemde gordijnen, voert Juul dingen terwijl ik dat niet wil en zegt bij de visite dat ik de verkeerde taart heb gebakken. Dat alles, zonder uitzondering, maakt het moeilijk voor mij om u gastvrij te ontvangen.

Gertrude bleef even zeer stil.

Ben ik je niet welkom hier?

Het gaat erom: heeft u respect voor ons huis? Voor óns als gezin?

Tuurlijk, ik bedoel het goed.

Nee. U doet het niet. Wilt u nu de gasten uitzwaaien en rustig naar huis gaan? Morgen ga ik met Wijnand praten.

Gertrude pakte haar tas en keek Lidewij aan als iemand die net haar leesbril vergeten is. Ze zei niks meer.

Een omhelzing voor Wijnand bij vertrek, een blik op Juul in haar donkere kamertje. Toen was ze weg.

Wijnand sloot de deur en plofte op een stoel.

Ik ben kapot, zei hij.

Ga maar even zitten. We moeten iets bespreken.

Ze schonk thee in en kwam tegenover hem zitten.

Wijnand, ik wil dat je de huissleutel bij je moeder ophaalt.

Bijna liet hij zijn mok vallen.

Wat?

De sleutel. Ik wil dat je die ophaalt.

Lange stilte.

Doe normaal, Lidewij

Ik weet wat je gaat zeggen. Ze zal gekwetst zijn, ze heeft je geholpen met het huis, blabla. Dit is mijn voorstel: we nemen gewoon een kleine lening erbij, betalen haar uit. Dan heeft ze geen excuus meer om als huisbaas hier binnen te lopen.

Maar

Dan moet je niet meer elke keer zeggen ze heeft geholpen om alles maar te laten gaan.

Hij liep heen en weer.

Het is een sterk karakter, mijn moeder. Altijd alles zelf geregeld, na papa alleen voor ons gezorgd. Alles altijd via haar.

Weet ik.

Ze bedoelt het niet verkeerd.

Weet ik ook. Maar je bent geen jongetje meer, Wijnand. Je hebt je eigen gezin. Er zijn grenzen.

De sleutel afpakken doet haar vreselijk veel pijn.

En wat ze bij mij doet, doet mij ook pijnelke keer. Dus ja: sleutel terug, óf ze leeft onze regels na.

Hij keek uit het raam, naar het enige licht achter de overburen.

Je hebt haar eruit gezet vanavond.

Nee. Ik heb haar gevraagd te gaan na een eerlijk gesprek. Dat is iets anders.

Ze is er kapot van.

Ik ben dat ook, keer op keer. Omdat zij blijft doet wat ze wil.

Ze stond op. Ik ben moe van praten. Doe het nu gewoon.

Hij was lang stil.

Ze zal zeggen dat we ondankbaar zijn.

Misschien.

Dat ik voor jou kies en haar laat vallen.

Misschien.

Dat het haar kwetst.

Ik weet het.

Ze stonden samen in de keuken. Het huis was stil. Juul sliep.

Wil je echt die lening?

Wil gewoon dat het ons huis is. Niet het hare.

Is het toch al?

Niet zolang zij de sleutel heeft.

Hij kwam terug aan tafel, nam een slokje thee.

Geef me een paar dagen, zei hij.

Goed.

Ik ga alles bespreken. De sleutel en alles.

Doe dat. Echt.

Ik zeg het. Echt waar.

Hij keek haar aan.

De appeltaart was lekker, trouwens. Echt.

Ze glimlachte niet. Waste de kopjes netjes af.

Drie dagen gebeurde er niets. Gertrude belde niet. Wijnand ging werken, kwam terug, at, speelde met Juul. Was stil.

Na vier dagen zei hij: Ik heb gebeld.

Lidewij keek hem aan.

En?

Het was lastig. Ze moest huilen.

Dat had ik wel verwacht.

Zei dat we niet van haar hielden.

Dat zegt ze altijd.

Ja. Hij zweeg even. Ik heb alles uitgelegd. Over de sleutel. Over bellen. Over niet zomaar dingen veranderen of Juul dingen te eten geven die wij niet willen.

En?

Niet meteen akkoord. Ze zegt dat jij haar tegen mij opzet. Dat je haar buiten werkt.

En jij?

Ik zei dat dit ons besluit was.

Lidewij haalde diep adem.

Dank je wel.

Ze vraagt om nog een weekje respijt. Ze zegt dat ze de sleutel afgeeft, maar niet vandaag. Ze wil eraan wennen.

Dat is geen antwoord.

Laat haar een week. Geef haar die ruimte. Als ze dan niks doet, ga ik zelf langs.

Ze dacht na.

Oké. Eén week.

Hij knikte. Pakte de grauwe krant die hij altijd van werk meenam. Ontvouwde.

Ik dacht na over een lening, mompelde hij. Misschien heb je gelijk. Ik ga eens rekenen.

Doe maar.

Ik ken iemand bij de ABN, ik kan even bellen.

Goed.

Rustig huis. Kind op de achtergrond met blokken in de weer.

Lidewij liep de gang in, keek bij Juul. Ze bouwde aan een toren.

Een toren, zei Lidewij.

Toren! beaamde Juul plechtig en legde er nog eentje bovenop.

De toren wiebelde. Maar bleef staan.

Een week later. Gertrude belde woensdag. Ze wilde zaterdag komen, vroeg of het uitkwam. Lidewij zei: ja.

Zaterdag om drie uur stond ze op de stoep. Met een klein tasje: boekje voor Juul, prenten van dieren. Overhandigde het aan Lidewij.

Hier, voor Juul. Ze houdt van dieren toch?

Dank u, Gertrude.

Oma! gilde Juul vanuit de kamer.

Gertrude tilde haar op, drukte haar stevig tegen zich aan. Over Juuls hoofd keek ze naar Lidewijiets nieuws in haar blik, niet boos, maar eerder beschouwend.

Ze dronken thee. Praatten over het weer, de camping op de Veluwe, of het een warme zomer zou worden. Juul bladerde door het boek, wees diertje na diertje aan.

Beer, riep Juul uitgelaten.

Ja, een grote beer, lachte Gertrude.

Aan het eind haalde Gertrude een sleutelbos uit haar tas. Wipte er één sleutel uit, legde hem op tafel.

Zoals afgesproken.

Wijnand nam hem aan, stak hem in zijn jas. Dank je wel, mam.

Graag gedaan. Zeg maar wanneer ik welkom ben. Zoals het hoort.

Heel graag zelfs, antwoordde Wijnand.

Ze keek hem aan. Toen Lidewij.

Ik weet het, zei ze enkel.

Misschien was het zo. Misschien niet. Lidewij besloot het niet te ontleden.

Om half zes was ze weg. Juul zwaaide uit het raam. Gertrude keek om, zwaaide terug.

Wijnand sloot het raam.

Nou, zei hij.

Nou.

Juul holde alweer met haar dierboek de kamer in. Ze bleven samen voor het raam staan.

Ze belt minder, hè? Ze vindt het moeilijk.

Weet ik.

Heb je spijt?

Lidewij dacht na, echt na. Rustig.

Nee, zei ze. Geen spijt.

Ik ook niet.

Hij bleef naast haar staan, samen uit het raam staren. Beneden liep Gertrude, in haar mosterdgele trui, stap voor stap naar de hoek, waar ze verdween.

We moeten de kast in de gang eens verplaatsen, zei Wijnand pardoes.

Welke?

Die daarze had hem verzet in het voorjaar. Jij klaagde erover.

Weet je dat nog?

Ja.

Lidewij keek hem aan.

Nu meteen?

Waarom niet.

Ze sloten zich samen op in de gang. De kast stond tegen de muur, verkeerd volgens Lidewijvroeger stond-ie schuin, zo kon de deur open.

Wijnand pakte één kant, Lidewij de andere.

Twee, drie

Ze tilden. De kast stond weer goed. De deur ging easy open.

Zo is het beter.

Zo is het beter, herhaalde ze.

Juul kwam met haar boek.

Kijk, mama, een vos!

Goed zo, een sluwe vos.

Sluw! brabbelde Juul tevreden en verdween weer.

Lidewij liep de keuken in, schonk zichzelf een glas water in, keek naar de vensterbank.

Haar viooltje stond waar zij het had neergezet. Drie knoppen bloeiden, paars met een wit randje, donker glanzend blad. De vierde knop stond op springen. Geen spoor van verdroogd zijn. Niet in de verste verte.

Please rate
Bagattia News
Schoondochter betrapt haar schoonmoeder in haar eigen keuken en…