De geur van een verzorgingshuis
– Weet je waar je naar ruikt? Naar een bejaardentehuis. Kamfer en oudheid. Ik trek dit niet meer.
Maaike staat voor het raam en kijkt naar beneden, waar de poes van de buren behoedzaam een plas ontwijkt op het binnenplein. De woorden van haar man dringen door tot haar, maar het lijkt als of ze door watten komen. Ze draait zich niet meteen om. Daarna wel.
Bram staat midden in de keuken in een fris overhemd. Zijn lichtblauwe overhemd, het enige dat ze voor hem kocht op de markt aan het Spui, ergens in april, omdat hij toen zei: “Ik wil iets luchtigs, iets dat niet kreukt.” Ze zocht zorgvuldig, voelde aan de stof, vroeg aan de verkoopster naar het materiaal. Bram zat ondertussen in de auto, luisterend naar Radio 1.
– Hoor je me? vraagt hij.
– Ik hoor je, zegt Maaike.
Haar stem klinkt vlak. Het verbaast haar hoe kalm ze overkomt.
Bram zet een sporttas op de stoel. Grote, donkerblauwe tas, met een bekend logo. Maaike kent deze tas: hij ligt meestal te verstoffen op de zolder, onder zijn schaatsen die al acht jaar niet uit de schuur zijn geweest.
– Ik ga, zegt hij. – We weten allebei: dit had al veel eerder moeten gebeuren.
Maaike kijkt naar de tas, dan naar zijn handen. Ze trillen niet. Hij friemelt niet aan zijn overhemd, hij kijkt haar recht aan. Het besluit is genomen, lang geleden, dit gesprek is alleen nog om de situatie hardop te maken.
– Veel eerder, herhaalt ze.
– Ja, zegt hij. – Maaike, ik wil geen gedoe. We zijn gewoon te verschillend. Jij bent de hele tijd hier, met mijn moeder, met haar verzorging, met die geur. Ik kan dit niet meer.
Die geur. Ze denkt eraan. Vijf jaar. Vijf jaar lang staat ze om zes uur op, omdat mevrouw Gerritsen om zes uur wakker is, omdat een ziek lichaam werkt volgens zijn eigen wetten. Vijf jaar lang kamferolie, absorberende onderleggers, vijf jaar hoest achter de muur en nachtelijke telefoontjes naar de huisartsenpost. Vijf jaar is haar eigen werk een stapel op haar bureau in het atelier, waar ze steeds minder komt, omdat het niet anders kan, omdat hij het zelf zei: “Maaike, jij bent de enige, je beseft het toch zelf?”
Ze beseft het.
– Ga je nu direct weg? vraagt ze.
– Ja.
– Goed, zegt Maaike.
Hij verwacht iets van haar, waarschijnlijk tranen. Of een schreeuw. Of de vraag “naar wie ga je toe”. Die vraag stelt ze niet. Niet omdat ze het antwoord niet weet, maar omdat het nu niet relevant voelt.
Bram pakt zijn tas, blijft nog even staan bij de deur.
– Ik laat de sleutels op het tafeltje in de gang.
– Zet maar daar, knikt ze.
Een klik van het slot. Dan de zware voordeur, alle vier trappen naar beneden, dat geluid kent ze uit haar hoofd. Het wordt stil. Niet gewoon stil; het is zo’n stilte die opvalt als de tv uitgaat na jarenlang ruisen op de achtergrond.
Maaike kijkt naar de sleutels. Dan naar de stoel. De tas is weg.
Ze gaat terug naar de keuken en vult de waterkoker bij.
Vijf jaar geleden kreeg mevrouw Gerritsen een beroerte aan tafel, tijdens Bram zijn verjaardag. Maaike had appeltaart gebakken, mevrouw Gerritsen riep “lekker”, liet haar vork vallen en keek zo naar haar dat Maaike meteen snapte hoe laat het was. Maaike belde de ambulance en zat naast haar in de auto, hield haar hand vast die reageerde al niet meer.
Bram was die avond op een bedrijfsborrel. Hij nam pas na drie keer bellen op.
Later zeiden de artsen: linkerzijde deels verlamd, herstel duurt lang, thuis kan als er continu iemand erbij is. Bram zei toen: “Jij werkt toch niet volledig nu, Maaike? Je opdrachten zijn geen hoofdinkomen.” Zij zei niets terug, stopte haar mappen met ontwerpen in een doos op het atelier.
De waterkoker slaat af. Maaike maakt thee en kijkt opnieuw naar buiten. De kat is verdwenen, de plas blijft.
De eerste drie dagen komt ze nauwelijks buiten. Niet omdat het niet kan, maar omdat ze niet weet waarheen. Haar lichaam is gewend: zes uur opstaan, halfacht verzorging, tien uur ontbijt, een uur lunch, vier uur in de stoel naar het balkon, zeven uur naar bed. Nu is dat schema weg.
Ze loopt door het huis en kijkt rond. Naar de rolstoel in de woonkamer. De zakken met luiers onder het logeerbed. Het medicijnkastje waar alles netjes staat: ‘ochtend’, ‘avond’, ‘bij hoge bloeddruk’. Drie maanden geleden is mevrouw Gerritsen rustig in haar slaap overleden, en alles in huis staat nog zoals het stond. Bram raakte niks aan, en Maaike kan zich er nog niet toe zetten.
Op de vierde dag haalt ze drie grote vuilniszakken uit de kelder en begint.
Ze werkt ordelijk. Luiers, katheters, handschoenen, onderleggers. Dan de medicijnen: doosje na doosje. De rolstoel is het moeilijkst, ze weet nog hoe ze samen wandelden langs de singel, en mevrouw Gerritsen naar de bomen keek zoals mensen kijken die weten dat ze het voor het laatst zien. De stoel demonteert ze en versleept alles in drie keer naar de ondergrondse afvalkamer.
Daarna doucht ze lang.
Als ze in de spiegel kijkt, ziet ze zichzelf weer: geen mantelzorger, geen echtgenote, geen dochter van, maar gewoon: vrouw van tweeënvijftig met nat haar waar de grijze lokken duidelijk worden door tijdgebrek en niemand meer om het voor te doen.
De volgende ochtend belt ze de kapsalon.
De kapster heet Lieke, een dertiger met snelle handen en een ontspannen houding. Als Maaike zegt dat ze korter wil en misschien wat aan het grijs wil doen, vraagt Lieke niet door. Ze kijkt in de spiegel met hetzelfde scherpe oog als een goede dokter.
– Je natuurlijke haarkleur is mooi, zegt ze. We kunnen wat highlights doen, dan wordt dat grijs een deel van het geheel. En een coupe zodat je nek vrij komt. Je hebt een mooie hals.
– Graag, antwoordt Maaike.
Twee uur zit ze in de stoel en ziet hoe in de spiegel een ander verschijnt. Niet nieuw, nee. Eerder: zijzelf, maar schoongewassen van alles wat in de jaren is blijven hangen.
Buiten waait het, een gure oktoberdag. De wind speelt met haar nieuwe haar en op de stoep begrijpt ze dat ze dit gevoel, wind in haar haar, lang niet had gehad. Altijd onderweg: naar de apotheek, ziekenhuis, huis.
Nu hoeft ze nergens heen.
Ze haalt koffie bij het buurtwinkeltje, loopt zomaar over straat.
De scheiding duurt vier maanden.
Bram komt naar de rechtbank met een advocaat, een jonge man in een net pak die snel praat en over iedereen heen kijkt. Maaike is alleen. Niet als statement: ze hoeft niet te vechten om iets.
Bij de tweede zitting komt Bram met haar.
Maaike ziet haar in de gang: een dertiger, licht haar, paardenstaart, ruitjesjas, hakken. Staat wat terzijde, kijkt met twee handen naar haar telefoon. Bram loopt naar Maaike toe; de vrouw werpt haar een korte, onpersoonlijke blik toe, precies zoals mensen kijken naar anderen in een nare rij.
Maaike observeert het met een soort nieuwsgierigheid. Er is geen superioriteit, enkel: iemand die haar niet kent.
– Maaike, zegt Bram zacht. – Ik wil het over het huis hebben.
– Hoeft niet, zegt ze.
– Maar…
– Bram. Ze kijkt hem rustig aan. – Ik wil het atelier. Dat was van mij vóór het huwelijk. Dat wil ik. Huis, auto, boot doe ermee wat je wilt.
Hij zwijgt.
– Weet je het zeker?
– Zeker.
De advocaat noteert vluchtig wat. Bram kijkt naar haar met een uitdrukking die Maaike niet meteen duidt. Dan begrijpt ze: hij verwachtte dat ze zou gaan onderhandelen. Dat ze de jaren zou gaan uitrekenen. Dat ze de zorg voor zijn moeder weer zou noemen.
Dat doet ze niet. Niet omdat ze geen gelijk heeft, maar omdat ze er geen zin in heeft. Geen zin in zijn excuses, noch in haar eigen tranen die nog wachten, ergens diep binnenin.
Het atelier ligt aan de Houtstraat, op de tweede verdieping van een oud pand. Tweeëntwintig vierkante meter met een hoog plafond en een groot noordraam. Ze kocht het op haar vierendertigste, direct na haar diploma, van drie jaar spaargeld. Haar tekentafel staat er nog, haar oude kast vol planten, ordners, kamerplanten op het raam die alles doorstaan.
Ze brengt de eerste nacht door in het atelier wanneer de rechter de handtekening zet.
Ze ligt op een opvouwbare bank, kijkt naar het plafond en denkt: wat nu.
Het antwoord blijft uit, maar dat beangstigt haar minder dan verwacht.
Haar eerste telefoontje is naar het ‘Groenbureau’, waar ze vroeger kluste. De telefoniste herinnert zich haar en verbindt met meneer Van de Meer. Hij is vriendelijk, complimenteert haar ontwerp voor het kinderpark, maar zegt: “Maaike, vijf jaar is een lange pauze. De markt is veranderd, de klanten ook. We hebben mensen nodig die direct inzetbaar zijn…”
– Dat begrijp ik, zegt Maaike.
– Mocht er iets veranderen, laten we het weten.
Ze weet dat ze niet zullen bellen.
Tweede poging: een particuliere studio waar haar oud-klasgenoot Judith werkt. Judith is blij, maar na korte tijd somt ook zij de veranderingen op: “Nieuwe eisen, jonge mensen met verse tools concurrentie is hevig, snap je.”
Derde keer belt Maaike zonder verwachtingen. Het gemeentelijk groenbeheer. Er volgt een lange stilte, dan: “We zijn momenteel vol.”
Maaike legt de telefoon neer. Kijkt uit het raam. Buiten november, bomen kaal, wandelaars haastig.
Ze realiseert zich dat vijf jaar niets is voor je gevoel, maar alles in de buitenwereld. Haar plek, ooit netjes achtergelaten, is inmiddels ingenomen.
Ze opent haar laptop en duikt in nieuwe tuinontwerp-software. Tot diep in de nacht leest ze, drinkt thee, maakt aantekeningen. Sommige dingen zijn écht nieuw, andere enkel van naam veranderd.
In december vindt ze werk. Niet haar droombaan, maar werk: hulp bij een klein plantenbedrijf aan de rand van de stad. De eigenaresse, tante Vera toeval doet soms raar is kort en daadkrachtig.
– Kun je met planten omgaan? vraagt ze.
– Ik kan het, zegt Maaike.
– Oké, klein salaris, maar wel werken met leven.
En het is werk met leven. Maaike is er om acht uur, helpt met stekken en planten, adviseert klanten. Het is niet waarnaar ze verlangde, maar het is echt: handen in de grond, de geur van vochtige bladeren, rijen potten waar echt iets groeit.
Daar hoort ze voor het eerst over de kas.
Tante Vera zegt terloops dat er aan de Veerkade een verlaten kas staat naast de botanische tuin. Daar probeert een directeur nog wat van te maken, maar heeft geen mensen.
Maaike blijft het eerst in haar hoofd herhalen. Op een luie zondag trekt ze haar jas aan en gaat.
De kas ligt diep in een oud park achter de bomen. Het eerste dat opvalt: veel glas, allang niet gewassen. Achter het glas leeft van alles. Het metalen skelet is op punten geroest, sommige ruiten zijn van triplex. Het pad naar de ingang ligt onder een tapijt van herfstbladeren.
Maar binnen…
Als Maaike de zware deur opent ruikt het warm en vochtig. Ze blijft staan.
Binnen heerst chaos, maar levendige chaos. Planten groeien zoals ze zelf willen; sommige zoeken licht, andere liggen over elkaar, lianen klimmen tot het plafond. Mandarijnboompjes met kleine vruchten, palmen die hun potten allang ontgroeid zijn, orchideeën die ooit liefdevol geplant zijn en sindsdien hun plan trekken.
Maaike kijkt en iets in haar, klem en stil, begint open te rollen.
– Heeft u een afspraak? klinkt een stem.
Ze draait zich om. Vanuit de zijgang komt een oudere man met een gebreide trui en bril. Handen waar je werklui aan herkent.
– Nee, zegt Maaike. Sorry, ik zag het hier en ben even naar binnen gelopen. Als het niet mag, ga ik weer.
– Ach, waarom niet. Hij stelt zich voor: Sjoerd van Beek. Directeur, als dat hier zo heet.
– Maaike de Vries. Landschapsarchitect.
Hij zwijgt – peinst over haar antwoord, niet om haar te beoordelen, maar uit oprechte overweging.
– Kom maar mee; ik laat u het een en ander zien, zegt hij dan.
Ze wandelen bijna twee uur. Sjoerd legt uit wat er was, wat er is, wat geprobeerd is. De kas was zeven jaar geleden voor renovatie gesloten, is nooit écht open of dicht geweest. Sjoerd kreeg toestemming om te werken, maar mensen zijn er niet meer. Hij komt elke dag, geeft water, verzorgt planten, praat met ze, zoals mensen dat doen die snappen dat je daar geen gek voor hoeft te zijn.
– Ik help graag, zegt Maaike.
– Betalen kan ik voorlopig niet.
– Is goed.
Hij kijkt lang.
– Kom donderdag maar.
Ze komt donderdag, dan nog eens, dan dagelijks. Ze laat het plantenbedrijf achter zich; tante Vera snapt het gelijk. “Jij bent te slim voor potten,” lacht ze.
De kas is Maaikes eerste échte project in vijf jaar.
Ze ordent alles: registreert elk plantensoort, noteert conditie en plaats. Dit duurt drie weken. Ze tekent de ruimte op papier: vierhonderd meter kas, chaotisch ingericht, geen paden of systeem. Ze tekent schemas, s avonds in het atelier, met de hand zoals vroeger op de academie.
Sjoerd knikt begrijpend bij haar uitleg.
– Hier maken we een citruszone; mandarijnen, citroenen, kumquats. Het moet gaan geuren.
– Zo’n geur doet je goed in de winter, zegt hij.
– Hier laten we de hoge palmen staan. Die geven hoogtegevoel. Daaronder tropische struiken, met een pad ertussen.
– Een pad, ja. Voor mensen.
– Die komen vanzelf.
Ze zegt het zonder twijfel ze weet: looproutes zorgen dat mensen zich welkom voelen.
De winter is één en al werk: planten sjouwen, afspraken met leveranciers sluiten, stukjes glas repareren, alles van het geld dat ze uit de scheiding overhield. Sjoerd is er altijd, verzorgt en praat met de planten.
In januari belt ze haar studievriendin Remke.
Remke was er altijd, al werd het contact minder door Maaikes afwijzingen: “mama van Bram, ik kan echt niet mee.” Remke neemt op lange stilte.
– Leef je nog?
– Ja.
– Gelukkig. Waar ben je al die tijd?
– Lange geschiedenis. Rem, ben je thuis?
– Ik eet stamppot. Kom langs.
Dat doet ze. Ze drinken thee, later wat sterkers. Maaike vertelt, Remke luistert rustig, stelt weinig vragen, zegt alleen af en toe “helder” of “tja”. Het is precies goed.
– Bram weet dat je hier werkt?” vraagt Remke aan het eind.
– Wat kan hem dat schelen?
– Gewoon, benieuwd. En hoe gaat het met je?
Maaike denkt na.
– Voor het eerst in tijden goed.
Remke knikt, meer wordt er niet gezegd over vroeger.
Februari brengt iets nieuws.
Maaike brengt nieuwe planten: een paar geraniums en een flinke rozemarijn, gevonden voor een prikkie bij het tuincentrum. Sjoerd is verderop bezig, zij werkt alleen. Opeens gaat de deur open.
Een man – 58, breed, laptop onder de arm – stapt binnen. Hij heeft dat rustige van mensen die lastige plekken gewend zijn.
– Pardon, is Sjoerd hier?
– Daar bij de palmen, wijst Maaike.
– Mooi, bedankt. Mooi zeg, het wordt hier echt wat. Half jaar geleden was het heel anders.
– Het is inderdaad anders nu, glimlacht Maaike.
– Heeft u dit gedaan?
– Samen met Sjoerd.
– Maar het idee is van jou, toch?
Hij kijkt met het oog van een vakmens ziet de structuur.
– Wie bent u? vraagt ze.
– Alexander van der Pas. Ingenieur. Ik help met het dak, daar lekt het nogal.
– Sectie drie en zeven, zegt Maaike.
Nu kijkt hij écht op.
– Knap, hoe weet je dat?
– Ik ben er elke dag.
Hij loopt verder. Na twintig minuten komt hij terug met papieren, overlegt, vertrekt dan met een knik.
– Mag ik iets vragen? – Die mandarijnen daar, bloeien die in het voorjaar?
– Als de temperatuur klopt, wel.
– Hoe zie je dat?
– De knoppen zwellen op; donkergroen, drie weken later begint de bloei.
– Aha, bedankt.
Bij terugkeer vertelt Sjoerd: “Goede kerel, die Alexander. Komt nu ruim twee jaar helpen. Interventie oude gebouwen, weet precies waar hij aan begint. Voor hem is het een vakproject.”
Snel komt hij wekelijks langs. Kijkt, vraagt, observeert maar vaker langer. Ooit vraagt hij:
– Wat was je vak eigenlijk?
– Landschapsontwerp in de openbare ruimte.
– Zie je. Je ontwerpt niet alleen mooi, maar denkt aan stromen mensen.
Het raakt haar. Het is lang geleden dat iemand haar zo spreekt over haar werk: niet leuk met plantjes, maar inhoudelijk juist.
In maart kondigen ze het niet-officiële open aan: briefje op het hek, Facebookgroep van de buurt. De eerste dag komen er zeven mensen, de week erop dertig. Ouderen ruiken aan rozemarijn, jonge gezinnen maken foto’s bij de palmen. Een dame herkent bij de rozemarijn de geur van haar moeders tuin.
– Het werkt, glimlacht Sjoerd.
– Het werkt, zegt Maaike.
– Ik heb een kleine formatie geregeld bij de gemeente, zegt hij. Hoofdspecialist groen. Officieel.
– Goed, zegt ze.
Dat woord telt nu pas écht.
In april nodigt Alexander haar uit voor koffie.
Niet als date, gewoon: “Even pauze nemen, anders werk je je vast.” Hij blijkt een dochter te hebben, allang gescheiden, reist veel door het werk aan oude gebouwen.
– Waarom juist die gebouwen? vraagt Maaike.
– Daar zit het verleden. Je voelt de mensen die het ooit maakten. Het is een gesprek tussen generaties.
Maaike kijkt naar buiten.
– En een kas?
– Die is bijzonder, daar groeit het gesprek nog altijd door.
Na een uur lopen ze terug, Alexander zegt: “Morgen kom ik het dak verder bekijken.”
– Is goed, zegt Maaike.
Ze kijkt hem na en beseft: met hem kan ze ademen, niet omdat hij iets doet, maar omdat hij er is.
Remke vraagt later meteen: “Is het serieus?”
– Ik weet het niet.
– Ga het vragen!
Maaike lacht voor het eerst sinds tijden. Gewoon, omdat het zomaar kan.
Van Bram hoort ze via via. Nina, een buurvrouw, belt:
– Maaike, die vrouw van Bram Die is in mei vertrokken. Vreemd, ze wilden kinderen, maar het liep stuk.
– Dank je, Nina.
Oude collega Anton laat weten dat Bram buiten de boot viel bij zijn werk. “Hij heeft het pittig. Als je…”
– Anton, jij bent zn vriend, dat is nu belangrijk maar ik laat het zo.
Juni. De sering bloeit buiten, in de kas werken de airco’s. Mandarijnen krijgen kleine vruchtjes. Maaike verzorgt. Soms denkt ze aan Bram vroege jaren waren goed, tot het langzaam kantelde. Ze was zelf ook fout: te veel opgegaan in zorg en te weinig zichtbaar thuis.
Maar het woord over die geur het voelde als een steek. Alsof zij schuldig was aan zijn vertrek.
Ze begiet de citrusplanten, kijkt naar hun glanzende bladeren. Dat was hard. Zoiets zeg je niet als je gewoon weg wilt, maar als je hoopt dat de ander zich schuldig voelt.
Alexander verschijnt geregeld. Soms brengt hij een vijgenstruik (voor de kas) of loopt gewoon een rondje. Ooit neemt hij haar mee naar een architectuurexpo; hij kent een deel van de makers. Vertelt vol vakkennis over ontwerp, fouten, details alsof het allemaal leeft.
– Waarom oude gebouwen?
– Omdat je de fouten ziet. Echte, menselijke fouten. Dat schept een band door de tijd.
Maaike beseft: zo kan je ook terugkijken. Niet als falen, maar als verhalen.
Augustus: zonnig, de kas is een bestemming geworden. Scholen schrijven zich in voor lessen biologie. Sjoerd straalt.
– Dankzij jou.
– Wij samen.
– Nee, het plan is echt van jou.
Ze lacht. Op haar werkplek maakt Maaike ondertussen ontwerpen voor uitbreiding: een educatiehoek in het oude huis naast de kas. Ze schrijft grantvoorstellen, Sjoerd leest mee met zijn serieuze blik.
September, Bram belt.
Ze heeft zijn nummer niet gewist, gewoon niet aan gedacht.
– Ja.
– Maaike. Ben je bezig?
– Ja. Wat is er?
– Ik wil je zien.
– Waarom?
– Gewoon praten. Kan ik langskomen? Waar werk je?
Ze denkt na.
– De kas aan de Veerkade. Tijdens openingstijden.
Ze hangt op.
Hij komt in oktober. Op een dinsdag. Maaike is bij de orchideeën als ze voetstappen hoort. Bram loopt binnen, met een handvol chrysanten, uit zo’n supermarktboeket.
Ze kijkt naar hem. Hij is dikker, ogen zijn veranderd. De lucht van “ik vertrek” is weg.
– Hoi, zegt hij.
– Hoi.
Hij kijkt rond.
– Wat is het mooi.
– Ik weet het.
Hij geeft bloemen, verlegen. Ze neemt ze aan.
– Ga maar zitten.
Ze zitten op de bezoekersplek rieten stoelen, een tafeltje, wat tijdschriften. Sjoerd is tactisch verdwenen.
– Je ziet er goed uit, zegt Bram.
– Dank je.
– Nee, echt. Ik zie je lang niet zo. Geleefd.
– Ik ben niet anders.
– Jawel.
Ze zwijgen.
– Maaike, wat ik deed en zei het was niet eerlijk.
– Klopt, zegt ze.
– Ik dacht dat ik wat anders nodig had, dat ik het benauwde kreeg. Eigenlijk Ik schrok. Van dat alles oud werd. Dat je zorg nodig had.
– Dat dacht ik niet altijd, zegt Maaike eerlijk. Vroeger niet.
Lang zwijgen.
– Maaike Ik zou terug willen. Wil je erover nadenken?
Ze kijkt hem aan. Haar antwoord rust al lang in haar.
– Ik ben niet boos meer. Alleen: je hebt gekozen. Ik koos anders.
– Is er een kans?
– Nee.
– Waarom niet?
– Ik koos voor dit. De kas, het werk, de planten, mezelf.
Hij knikt, begrijpt dat het waar is.
– En die man Sjoerd zei dat er een ingenieur komt.
– Sjoerd zegt veel tegen iedereen.
– Heb je iets met hem?
– Bram: dat is niet meer jouw vraag.
Hij knikt opnieuw.
– Ik ben blij dat je gelukkig bent, zegt hij. Ik had het niet door.
– Ik weet het. Ik ga verder.
Ze staat op.
– Wil je de kas zien?
– Nee, bedankt. Succes, Maaike.
– Jij ook.
Hij loopt weg. Ze blijft bij de tafel staan, zet de bloemen in een hoge vaas. Chrysanten kunnen lang mee. Goede bloemen.
Sjoerd komt binnen, alsof er niet is gepraat.
– Kop thee? vraagt hij.
– Graag.
Ze bespreken zomerbloeiers, citrusvlinders; Maaike denkt aan de kinderen die dat geweldig zullen vinden.
Oktober schuift door naar november. De subsidieaanvraag wordt goedgekeurd, Sjoerd trakteert op taart die tussen de planten wordt opgegeten. Maaike ontdekt kruimels op haar schetsen, ze lachen samen.
Alexander komt vaker, niet alleen voor werk. Eens neemt hij glühwein mee in een thermos.
– Typisch november, zegt hij.
– Hoe weet je dat ik dat lekker vind?
– Je zou het toch niet weigeren?
Ze lachen.
Ze drinken op rieten stoelen, kijken naar het park buiten waar nu, plots, tóch de eerste sneeuw valt.
– Sneeuw, merkt Alexander op.
– Ja.
Maaike houdt haar kopje vast, voelt warmte door haar handen. Buiten dwarrelt de eerste sneeuw, binnen ruikt het naar citrus en dennegroen. Ze beseft: dit is de plek waar het binnen warm blijft, wat er buiten ook gebeurt.
– Waar denk je aan? vraagt Alexander.
– Aan iets goeds.
En ze kijkt naar de sneeuw, mandarijnenbomen in bloei, bloeiende orchideeën en de hoge palmen tegen het glazen plafond. Ja, ze denkt aan iets goeds.
Alexander zegt niets. Giet nog wat glühwein in. Nu zitten ze naast elkaar, in de warme kas, en ze kijken samen naar de eerste sneeuw.







