Van Vijandigheid naar Ware Liefde

Van haat tot liefde

Alexander had altijd een hekel gehad aan honden. Het begon allemaal lang geleden, toen hij als mollige, roodharige eersteklasser met een bril en een rugzak vol boeken en schriften, door een roedel zwerfhonden was omsingeld op een braakliggend terrein achter de huizen in Amsterdam.

De leider van de roedel, een ranke zwarte hond met rossige vlekken op zijn snuit, keek Alexander recht in de ogen.

De jongen huilde en smeekte de honden om hem te laten gaan, en strooide de in de klas niet opgegeten boterhammen met leverworst uit, maar de honden bleven onverstoorbaar. Telkens als Alexander een stap probeerde te zetten, trok de leider zijn rechterbovenlip op, ontblootte zijn geelwitte tanden en gromde diep.

De honden hielden hem ruim twee uur ingesloten. Pas toen draaide de leider zijn rechteroor, spitste, luisterde ergens naar en schoot zonder geluid richting het Vondelpark achter het veld. Eén voor één volgde de roedel, netjes op een rij, tot ze tussen de bomen verdwenen.

Alexander veegde zijn tranen af, greep zijn rugzak steviger vast en rende naar huis.

Maar thuis kwam hij niet. Het oude houten huis waar hij samen met zijn familie en een paar buren woonde, stond in lichterlaaie een gasfornuis was ontploft.

Bij de brand kwam zijn grootvader om het leven, de opa van vaderskant, die Alexander altijd opa Jan had genoemd. Opa Jan was vroeger zeeman geweest, door zout en wind gehard. Hij droeg een sneeuwwitte snor en baard, die hij elk jaar na Nieuwjaar afschoor. Daarna liet hij hem weer groeien, vlocht er een kort staartje in en bond die grappig vast met een felgekleurde elastiek. Soms gooide hij het uiteinde gewoon achter zijn oor.

Sinds de dood van zijn opa Jan en de confrontatie met de honden, begon Alexander te stotteren.

De tweede ontmoeting met een hond kwam jaren later. Alexander was inmiddels een slanke brugklasser, zijn kinderlijke bril had hij voor lenzen ingeruild. Op een middag liep hij na school samen met de mooiste van de klas naar huis Marlies van Dijk. Op Marlies had ook Sem van Beusekom een oogje, een beruchte pestkop, die al voor het tweede jaar in de derde zat. Heel de school was bang voor Sem, maar Alexander liep naast het meisje, wetend dat het Sem niet zinde.

Plots sprong een grote bastaard voor hen, grommend en dreigend. Hij duwde Alexander steeds verder van Marlies vandaan. Alexander week stapje voor stapje achteruit, meegevoerd door de blaf van de hond. Pas toen Marlies de hoek om verdween bij haar huis, verdween ook het gevaar uit het naastliggende hofje.

Zuchtend wandelde Alexander naar huis.

De volgende dag tijdens wiskunde kreeg hij een kort briefje:

Loop niet meer met mij mee naar huis. Gisteren wilde Sem je in elkaar slaan. Sorry.

De vriendschap met Marlies verwaterde en Alexander werd alleen maar bitterder over honden.

Jaren gingen voorbij. Alexander groeide op. Hij haalde een uitstekende opleiding, begon na een paar jaar zijn eigen zaak en werd een succesvolle ondernemer. Zijn zaken liepen goed: met zijn harde werken kwam er een goed inkomen en leerde hij de juiste mensen kennen. En ook met de liefde zat het mee. De beeldschone Marlies, voorheen van Dijk, werd zijn vrouw en samen kregen zij een prachtige zoon Janneman, vernoemd naar opa Jan.

Hoewel de acht maanden oude dreumes nog geen woord kon zeggen, lachte hij altijd breeduit naar elke hond die hij in zijn wandelwagen tegenkwam en riep:
Waf, waf!

Op een zondag liep Alexander met zijn zoontje door het park. Hij duwde rustig de kinderwagen voort en vertelde Janneman over de vogels die bij de voederplank zaadjes kwamen eten, over eekhoorns die nootjes direct uit zijn hand kwamen nemen.

Tijd om naar huis te gaan. Bij het verlaten van het park stuurde Alexander de kinderwagen richting het zebrapad, wachtte tot het rode licht op groen sprong, en duwde toen de wagen naar de overkant.

Uit het niets sprong een dolle teckel op het pad! Het dier blafte als bezeten en hield Alexander tegen, dreigend en onverzettelijk, alsof elke seconde zijn stembanden konden knappen.

In datzelfde moment scheerde een personenauto, slechts centimeters van de kinderwagen verwijderd, voorbij. De auto schoot het gras op en ramde een lantaarnpaal.

Tieners sprongen uit de auto en renden joelend weg.

Alexander stond trillend op zijn benen; zijn hart sloeg zo luid dat het leek alsof omstanders het konden horen.

De teckel was nergens meer te bekennen; mensen verzamelden zich bij de auto. Een toevallige voorbijganger pakte Alexander bemoedigend bij de arm.

Is alles goed? Heeft die wagen niks geraakt?

Alexander schudde alleen benauwd zijn hoofd nee, alles was goed, de kinderwagen was ongedeerd, de baby heel.

Hoe hij thuis was gekomen, wist hij later niet meer. Voor Marlies hield hij het verhaal stil; waarom zijn vrouw bezorgd maken nu alles goed was afgelopen? Maar iets raakte hem diep die dag; hij voelde dankbaarheid voor de kleine rode teckel, die zijn zoon had gered.

Die hele avond bleef Alexander stil, telkens denkend aan die drie ontmoetingen met honden. En langzaam besefte hij geen van de dieren had hem willen schaden. Zij hadden hem beschermd, op hun manier.

Marlies keek hem af en toe vragend aan, maar respecteerde zijn zwijgzaamheid.

s Avonds maakten ze met het hele gezin nog een wandeling in de frisse buitenlucht. Bij het bankje in de hoek van het plein stond een groepje buren te overleggen. Toen Alexander langs liep, ving hij stukjes gesprek op:

Maar wie neemt nu mee? Wie wil zon beest?

Hij spiedde langs de schouders van een buurvrouw richting de bank. In een kartonnen doosje lag een piepkleine pup. De pup had geen oogjes ongetwijfeld een erfelijk mankement. De buren fluisterden omtrokken, een beetje ongemakkelijk. Marlies liep alvast vooruit en bleef met de kinderwagen wachten.

Wat moet je nou met zoiets?
Waar laat je een dier als dat?
Zo eentje zou ik echt niet kunnen nemen werd er zachtjes gefluisterd.

Alexander kneep zich naar voren, bekeek het diertje: het kopje was chocoladebruin, het kermde zachtjes, draaide zijn snuitje zoekend van links naar rechts, op zoek naar een vertrouwde geur.

Maar nergens was het warme lijf van een moeder.

Hij bleef een tel roerloos staan, toen trok hij langzaam zijn sjaal af het was lente, maar in de avonden nog fris.

Met beide handen tilde hij de pup voorzichtig op tot overmaat van ramp had het diertje ook nog kromme achterpootjes.

Achter hem hoorde hij iemand zacht snikken.

Voorzichtig wikkelde Alexander het blinde diertje in zijn sjaal, legde het op zijn arm als een baby en zei:

Nou, kleintje, volgens mij is het nu mijn beurt. Kom, ik stel je meteen even voor aan onze mama. Ze is lief, en heeft vast nog wat melk in de koelkast voor jou.

Vastberaden liep hij naar de jonge vrouw bij de kinderwagen, die op hem wachtte en hem met liefdevolle ogen aankeek.

Please rate
Bagattia News
Van Vijandigheid naar Ware Liefde