Suzanne lag languit op de bank, starend naar het plafond. Rusteloze gedachten weerhielden haar van de slaap. Hoe kun je ook rustig liggen als je eigen kleine meid ziek is? Waarom had ik haar toch al naar de crèche gebracht, dacht ze somber. Ze had gerust nog een of twee dagen thuis kunnen blijven, dan was ze nu misschien niet zo ziek geworden
Haar hart kneep samen, ze kon amper ademhalen. De jonge vrouw stond op en liep naar het raam. Het grijze, met wolken bedekte hemel hing zwaar boven het dorpje. Al drie dagen viel er onafgebroken een typische Hollandse motregen, troosteloos als een lange herfst. Ze zuchtte diep. In bed bewoog Julien, kreunde in haar slaap, en begon direct te hoesten. Suzanne snelde naar haar dochter, voelde aan haar voorhoofd zo heet als een kachel. Ook zonder thermometer was het zonneklaar: weer koorts. Ze deed zachtjes het nachtlampje aan en pakte de thermometer.
Veertig! Mijn hemel, wat moet ik doen
Julien opende haar ogen.
Mama, ik heb het warm
Even volhouden, lieverd. Ja, je hebt het heet
Ook Stef, haar man, werd wakker en kwam naast het bed zitten. Suzanne schoot meteen in de weer, bereidde weer een dosis paracetamol. Maar de koorts wilde niet zakken. Tegen de ochtend stopte een ambulance voor het huis, het blauwe zwaailicht verlichtte de tuin. Suzanne werd samen met haar dochter meegenomen naar het ziekenhuis.
Een verpleegkundige keek met medelijden naar de bleke, angstige moeder, en aaide haar geruststellend over de arm. Met vaardige handen bracht ze een infuus aan bij Julien.
Maak je geen zorgen, we helpen haar snel. Alles komt goed.
Suzanne kon enkel zuchten.
Even later voelde Julien zich echt beter. Ze deed haar ogen open en vroeg om water. Suzanne keek op en zag vanaf het naastgelegen bed twee enorme, blauwe ogen vol nieuwsgierigheid op haar gericht. Het betrof een tenger meisje van een jaar of zes, met futloos, lichtblond haar dat warrig op haar schouders lag. Ze droeg een versleten shirtje, maillot met gaatjes bij de tenen, en bij de bedpot stonden oude, afgetrapte gympen in blauwe slofjes.
Hoi.
Goedemorgen. Zijn jullie vannacht aangekomen?
Ja, vannacht.
Hoe heet je?
Ik ben tante Suzanne, dit is Julien. En jij?
Mijn naam is Fenna.
Ben je hier al lang?
Ja. Vrijdag mag ik naar huis.
Vrijdag lijkt nog ver weg. Het is vandaag pas maandag.
Is je moeder bij je?
Nee mijn moeder is lang geleden overleden. Mijn vader ging toen drinken en nu is hij er ook niet meer. Dus woon ik nu in het kindertehuis.
Ze haalde haar schouders op, alsof het erbij hoorde.
Ik woon daar… Maar hier vind ik het fijner. Ze zijn aardig en je krijgt goed te eten. De groteren pesten je niet.
Ze stond op en trok haar gympen aan.
Het is zo tijd voor ontbijt. Zal ik wat voor jullie meenemen?
Laat maar, lieverd, ik regel het zelf wel.
Suzanne keek Fenna na en voelde haar hart samentrekken van medelijden. Een andere buurvrouw volgde het meisje met haar ogen, zuchtte, en fluisterde: Dat is zon lief kind, zo zacht en vriendelijk. Ze heeft gewoon pech gehad…
Nog voor Suzanne kon antwoorden, rinkelde haar telefoon.
Hallo?
Hoe is het daar, meisje? Hoe gaat het met Julien?
Mam, we liggen in het ziekenhuis.
O jee, wat is er?
Maak je geen zorgen. Ze had flinke koorts. Nu is het beter, ze denken aan een bronchitis. Ze slaapt nu.
Haar moeder snikte zacht: Och, mijn schat In welk ziekenhuis liggen jullie? Ik kom eraan. Wat moet ik meenemen?
Mam, ik ben mijn sloffen vergeten. Wil je Juliens roze pyjama meenemen? En mam… Hier is een meisje uit het kindertehuis. Kun je wat shampoo, zeep meenemen? En… heb je nog wat oude spulletjes van Sophie liggen?
Wat voor meisje, kind?
Vertel ik later, mam. Kun je ook wat hemdjes, een badjas, leggings meenemen? Het allerbelangrijkste: slofjes, maatje zes jaar, oké?
Ik breng het allemaal mee.
De volgende ochtend voelde Julien zich al veel beter en speelde volop met haar nieuwe vriendin. Suzanne liep even de gang op en sprak een verpleegkundige aan.
Komt er eigenlijk nooit iemand voor Fenna?
Nee, alleen als ze weg mag, komt iemand van het tehuis haar halen.
Mag ze wel douchen?
De verpleegkundige glimlachte weemoedig. Moet beter gezegd, maar we komen er vaak niet aan toe.
s Avonds was het kind haast onherkenbaar: schoon, stralend in een mooie pyjama en nieuwe roze slofjes met vrolijk geborduurde hondjes. Fenna straalde van oor tot oor. Alle gekregen spulletjes van Suzanne legde ze zorgvuldig onder haar kussen. De sloffen stopte ze zelfs onder haar matras.
Waarom verstop je die, Fenna? vroeg Suzanne verbaasd.
Zodat niemand ze steelt
Suzanne slaakte een diepe zucht.
Toen het licht uitging, sloot Fenna haar ogen en droomde weg. Ze stelde zich voor hoe ze samen met Julien, hand in hand, door een zonnige, met bloemen versierde straat liep. Aan haar andere hand hield tante Suzanne haar stevig vast. Hoe fijn zou het zijn als ze ook een mama en papa had. Iemand die haar een kus gaf bij het slapen gaan, haar haar waste, s avonds in een warme pyjama stopte, en haar hoog optilde tot bijna aan het plafond. Dan kon ze lachen, net als de andere kinderen. En ze zou helpen: de afwas doen, dweilen, op Julien passen of samen de letters oefenen. Als ze maar geliefd was als ze maar een mama had.
Ze zuchtte. In het kindertehuis kreeg ze geen klappen, maar juf Carla had altijd een harde stem, de anderen noemden haar namen of pakten haar spullen af. Onlangs liet Fenna nog een bord pap vallen in de keuken direct werd ze opgesloten in het donkere, tochtige hok onder de trap. Zie je wel, dommerd, nu mag je bij de muizen zitten! siste Victor nijdig. Fenna was als de dood voor muizen. Ze was bang dat er elk moment eentje over haar voeten zou rennen. Ze huilde zachtjes, rug tegen de deur. Het was koud, de vloer keihard. Pas in de avond, doodop, liet ze zich op de grond zakken. Zo had ze zich vast verkouden en zo was ze uiteindelijk hier terechtgekomen.
De herinnering joeg tranen in haar ogen, die oncontroleerbaar over haar wangen rolden. Snikkend merkte ze opeens dat iemand haar zacht over haar hoofd aaide. Ze opende haar ogen.
Tante Suzanne
Rustig maar, lieverd Stil maar Het komt goed, echt waar.
Uit medelijden nam Suzanne het droeve meisje in haar armen.
Heel stil nu, het komt goed
Fenna voelde zich veilig, alsof haar echte moeder haar vasthield.
Tante Suzanne
Ja, meisje?
Was u maar mijn mama
Suzanne kreeg tranen in haar ogen. Haar besluit stond op dat moment vast. Niet met haar verstand met haar hart. Alleen nog haar familie overtuigen…
Haar moeder begreep haar meteen en steunde haar met liefde. Ook haar schoonmoeder vond het een goed idee. Die was zelf zonder ouders opgegroeid. Maar Stef was niet direct enthousiast.
Ben je gek geworden? Besef je wel dat dit voor altijd is?
Ik weet het! Maar ik weet ook: als ik het niet doe, krijg ik daar mijn hele leven spijt van. Begrijp je dat?
Hij keek weg.
Ik wil haar wel zien.
Goed.
Die avond stonden ze samen in de hal. Stef tilde Julien op en gaf haar een kus.
Jij bent mijn alles. Ik heb je gemist
Daarna draaide hij zich om naar Fenna.
Maak kennis, Stef. Dit is Fenna.
Ze knikte beleefd, haar blauwe ogen groot en vol hoop.
Dag meneer!
Dag Fenna, wat leuk je te ontmoeten.
Ik ook
Iets raakte hem diep. Hij keek zijn vrouw aan, ogen vochtig. Hij knikte.
Een paar maanden later stopte er een auto bij het kindertehuis in Amersfoort. Suzanne en Stef stapten uit. Achter het raam dromden kinderen samen.
Fenna! Fenna, jouw nieuwe ouders zijn er!
Blij en een beetje verlegen rende Fenna naar hen toe.
Hallo Fenna! We zijn er voor jou! Ga je met ons mee naar huis?
Het hartje van het meisje vulde zich met geluk: Ja, mama!!!
Want echte liefde kent geen grenzen. Soms vindt een gezin elkaar door bijzondere omstandigheden en dan besef je dat een beetje warmte het leven van een kind volledig kan veranderen.







