Drie jaar verbouwen zonder visite

Drie jaar verbouwing zonder gasten

Maaike zette haar mok op de vensterbank en hoorde hoe Sjoerd stokstijf in de gang bleef staan. Ze voelde de stilte in haar rug prikken, al stond ze met haar gezicht naar het raam. Rugbrekende stiltes kunnen ook diep zijn, dacht ze, zo diep dat je erin kon verdwijnen als in de Amstel op een windloze dag.

Je hebt je mok op de vensterbank gezet, zei Sjoerd eindelijk. Het klonk niet als een vraag. Eerder een vaststelling, droog als beschuit.

Ja, Sjoerd. Ik heb de mok op de vensterbank gezet.

Daar zit een gelakte laag. Iets heets laat een kring achter.

Dat weet ik.

Waarom dan?

Maaike draaide zich langzaam om. Hij was achtenveertig, en je zag het aan alles. Niet ouder, niet jonger. Hij stond in de deuropening van de keuken, in zijn vale grijze T-shirt, met zijn waterpas in zijn hand. Altijd die waterpas, zelfs op zondag. Zoals anderen een mobiel vasthouden.

Omdat er geen andere plek is, antwoordde ze. De tafel bedekt met plastic. De tweede stoel op zn kop. De gangvloer is nog nat van de primer. Ik drink al drie jaar thee bij het raam, Sjoerd. Staand. Altijd staand bij het raam.

Zijn blik ging van haar naar de mok. Terug naar haar. Weer naar de mok.

Ik leg wel een onderzetter neer.

Hoeft niet.

Maar je ziet dan wel een kring.

Laat die kring maar zitten.

Hij kneep zijn ogen tot spleetjes, zo keek hij als hij niet wist of zij nu serieus was of niet. Soms wist Maaike het zelf niet meer.

Maaike, wat is dit nou…

Klaar, fluisterde ze, en het woord viel als een kei in het water van de stilte. Klaar, Sjoerd.

Hij had het niet meteen door. Vroeg nog eens:

Wat bedoel je met klaar?

Ik ga mijn spullen pakken.

De stilte duurde net zo lang als een tram die even stilstaat en dan toch weer doorrijdt. Buiten claxonneerde een auto, stopte weer. Sjoerd liet de waterpas langzaam zakken.

Om de vensterbank?

Nee. Niet om de vensterbank.

Maaike dronk haar thee op, zette de mok opnieuw op de gelakte rand. Ditmaal opvallend, vastberaden, zonder wroeging.

Ze was vijfenveertig. Werkte als boekhouder bij een klein kantoor aan de Zuidas, las altijd een hoofdstuk voor het slapengaan en hield van haar mini-cactusje Feliks vernoemd naar de plant die op haar werk stond en al drie jaar had ze geen vriendin meer over de vloer gehad. Precies drie jaar.

Ze liep naar de slaapkamer.

Drie jaar terug, toen ze dit tweekamerappartement op de vijfde verdieping van een bakstenen blok in Amsterdam-West kochten, was ze gelukkig. Echt, voelbaar gelukkig. Ze herinnerde hoe ze met Sjoerd in de lege kamers stond, behang afgebladderd, piepende planken, terwijl ze uitkeek over de lindenbomen in de natte novemberwind, en ze dacht: Hier. Dit is ons huis.

Ook Sjoerd was toen een ander. Of leek dat maar zo? Hij liep van kamer naar kamer met zijn rolmaat, noteerde in zijn notitieblok, en in zijn ogen brandde dat vuurtje dat zij juist zo in hem waardeerde. Het vuur van iemand die weet wat hij wil, en niet bang is voor vieze handen.

Kijk Maaike, zei hij dan, een ruitjespapier vol schetsen daar komt de open keuken. Daar trekken we een wandje door, hier maken we wandplanken van vloer tot plafond. En spotjes, met dimmer, voor precies het goede licht.

Mooi, fluisterde ze, en het was waar.

We doen alles zelf, rustig aan, maar goed. Eén keer, voor altijd.

Achter dat voor altijd zat natuurlijk iets groters dan een verbouwing zonder aannemers.

Het eerste halfjaar was een avontuur. Ze woonden in het bouwstof. Koken op een elektrische kookplaat, want gas was er nog niet. Slapen op een matras, want het bed stond in de weg. Van plastic borden eten, want afwassen ging niet. Het was lastig, een beetje romantisch, maar prima te doen. Toen nog wel.

En dan veranderde er iets. Niet snel. Meer als het verzakken van een dijk na een stille storm.

Sjoerd kluste elke zaterdag. Soms zelfs op donderdag, als hij vrij had. Hij werkte als uitvoerder op bouwlocaties en wist meer van materialen dan de meeste aannemers. Dat was goed. Dat was meer dan goed. Het probleem lag ergens anders.

Het probleem was dat het nooit af mocht zijn.

Eerst had Maaike het niet door. Tot ze, acht maanden na het begin, met vriendin Linde in een cafeetje zat. Linde vroeg:

Nog even, dan mag ik eindelijk je stoofpot proeven?

Nog heel even, lachte Maaike. Sjoerd zegt: met Kerst is het klaar.

Met Kerst stonden er gipsplaten in de woonkamer. Geen gasten, geen feest. Ze aten huzarensalade met zn tweeën op de keuken al bijna af. Bijna.

Volgend jaar wél een echte kerst, zei Maaike, champagne schenkend.

Tuurlijk, zei hij. Eerst de woonkamer, dan parket, dan nodigen we uit.

Het plafond in de woonkamer was tegen maart klaar. Maar toen moest de badkamer opnieuw: verkeerde leidingen, vond Sjoerd. Daarna het balkon: kit moest opnieuw, hij had met een voeler een kier van drie millimeter gevonden.

Maaike maakte daar nog grapjes over. Mijn man voert oorlog tegen drie millimeter. Vriendinnen lachten, zij lachte, het was nog grappig toen.

Het parket kwam eraan in mei. De ramen konden open, het rook naar voorjaar. Maaike sleepte planken, pakte de bouwstofzuiger, gaf gereedschap aan. Sjoerd zweeg chirurg precies elke baan nagemeten met de waterpas. Regelmatig haalde hij alles weer los, want de voeg was niet recht.

Dat ziet niemand, toch? vroeg ze.

Ik zie het, zei hij.

Dat was het eerste moment waarop Maaike iets anders voelde. Geen boosheid, meer alsof ze vaag een bestemming zag, maar de naam ervan niet kon vinden.

Zodra het parket lag, in juni, ging hij bezig met de juiste lak. Duitse lak, krasvast. Maar een plintje zat los: lak moest wachten.

Toen belde Maaike Linde. Ze spraken af op een terras onder een halfopen parasol. Linde vroeg: Wanneer mogen we nu écht komen?” Maaike zei zacht: Misschien wel nooit. Misschien wil hij het niet afmaken. Zolang het niet af is, hoeft er niets. Geen gasten, geen meubels, geen leven.

Heb je het hem verteld?

Elke keer zegt hij: bijna klaar, straks is het perfect.

Wil jij perfectie?

Stilte.

Ik wil een thuis, antwoordde Maaike.

Thuis die avond toonde Sjoerd haar stalen van muurverf allemaal wit, maar elk met andere ondertoon.

Hier, warm wit met melk. Dit is koeler. Dit heeft een vleugje blauw. Zie je het verschil?

Maaike zag alleen wit. Gewoon, wit.

Sjoerd, zuchtte ze. Het maakt me niet uit.

Zijn blik was alsof ze vloeken sprak.

Hoezo maakt het je niet uit? We wonen hier.

Precies. Mensen leven hier. Ze zien geen verschil.

Natuurlijk wel. Ze beseffen het alleen niet.

Kies jij maar, zei ze uitgeput.

Dat deed hij. Altijd. Steeds vaker werd haar iets niet meer gevraagd, als ze deze tegel vind ik mooi zei, legde hij uit waarom een andere technisch beter was. Laat mij maar, Maaike, ik weet het beter.

Ze hield op met zeggen wat ze mooi vond. Waarom zou ze?

Herfst, jaar twee: Sjoerds oude kameraad Wouter uit Haarlem wilde overnachten. Maaike verheugde zich, kocht lekkers, zocht servies uit.

Sjoerd zei: slaapkamerrenovatie, niet handig voor Wouter.

Erover liegen, en dat voor een vriend. Maaike voelde het wegsijpelen van de grond onder haar voeten.

Wouter kwam die avond, dronk thee, ging later naar een hotel. Maaike at alleen.

Die nacht kon ze niet slapen. Ze staarde naar het kraakloze witte plafond. Er was twee jaar geen gast geweest.

Die winter werd haar moeder ziekjes griep Maaike logeerde soms bij haar. Sjoerd mopperde niet; hij lakte het balkon met een speciaal mengsel, laag op laag.

Op een dag trof ze hem met een vergrootglas in de gang. Tussen plint en muur zat een kier.

Wat is er?

Hier zit een spleetje.

Heb je gegeten vandaag?

Dat weet ik eerlijk gezegd niet.

Ze kookte pasta, bakte een eitje. Sjoerd schoof later aan.

Dankjewel.

Ze aten zonder woorden. Buiten dwarrelde er natte sneeuw.

Op tafel lag een catalogus met handgrepen voor de ingebouwde kast dat bespraken ze een jaar terug.

Vertel eens iets? Iets dat niet over verbouwen gaat.

Hij keek op alsof ze hem vroeg een andere taal te spreken.

Zoals?

Iets. Iets doms, leuks, geks, droevigs. Iets anders.

Hij dacht echt na, merkte ze. Maar kon niets bedenken buiten bouwland.

Ik weet het niet, gaf hij toe. Echt niet.

Ze vroeg zich af: wanneer was hij veranderd in een verlengstuk van zijn werk? Ooit reden ze samen naar Terschelling, hij wees sterrenbeelden aan. Kijk, Cassiopeia, Grote Beer, de Plejaden. Zij zag echt wat hij bedoelde.

Nu: waar zijn de Plejaden gebleven?

Na drie jaar stopte ze met tegen haar vrienden te zeggen dat het binnenkort af was. Het afmaken draaide in een cirkel. Sjoerd ontdekte telkens een nieuwe fout, kocht zelden iets zonder omwegen. Elke imperfectie werd het begin van een nieuwe klus.

Ze kocht een klein nachtlampje. Met een stoffen kapje. Sjoerd vroeg: Waarom, we zouden spots maken? Zij antwoordde: Ik wil nú lezen. De lamp bleef één week bij haar bed. Sjoerd zette er een metalen spot bij. Haren lamp verdween naar de kast.

Ze haalde hem terug. Hij zette hem weer weg. Zij terug op het nachtkastje. Een bomloze strijd om een lamp tragisch en klein.

Lente, derde jaar: Maaike appte Linde.

Zullen we naar een vakantiepark? Even weg. Zonder mannen.

Linde antwoordde meteen: Wanneer?

Ze vertrokken vier dagen naar een pension bij Bergen aan Zee. De kamer was eenvoudig, alles een beetje scheef, beetje gekrast, de geur van vochtig duinbos kwam door het klapraam. Maaike voelde zich op haar plek. Het eerste avond keek ze naar de barst in het plafond, en huilde eindelijk goed.

Ik woon in een museum, zei ze dan zachtjes tegen Linde. Een mooi, dood museum.

Heb je het hem uitgelegd?

Ja.

Wilt hij hulp? Samen naar een therapeut?

Nee. Therapeuten zijn voor mensen met échte problemen, zegt Sjoerd.

Het leven: het was de barst in het plafond, het bos buiten, het bonte dekbed zonder waterpas. Zo hoorde het, dacht Maaike.

Vier dagen later was ze weer thuis. De geur van stucwerk. Sjoerd was enthousiast over de douche-nis die hij rechtgemaakt had. Tot op de millimeter.

Ze knikte. Goed gedaan.

In juni, een gewone zondagavond, riep ze: Sjoerd! Eten klaar over twintig minuten!

Hij kwam niet. Ze at alleen. Pas tegen elven kwam hij uit het hok.

O, de tijd vergeten, zei hij.

Ja.

Zal ik het opwarmen?

Doe maar zelf.

Ze ging naar de slaapkamer, sloeg een boek open.

Toen Sjoerd later naast haar kwam liggen, vroeg ze zonder om te kijken:

Sjoerd, ben jij gelukkig?

Stilte.

Uh ja, denk ik wel.

Weet je dat zeker?

Wat is dat voor vraag?

Gewoon.

Hij zuchtte. Als de berging klaar is, dan het balkon. Nog even. Dan is het huis af.

Ze sloeg het boek dicht.

Snap je dat je net geen antwoord geeft op mijn vraag? Ik vroeg of je gelukkig bent, jij praat over het balkon.

Hij vond geen woorden.

Welterusten, zei ze.

Welterusten.

Ze liet het licht nog lang aan. Dacht aan die andere, mogelijke varianten van hun leven, waarin ze misschien ook zo samen lagen, maar wel spraken. Over een serie. Of haar moeder die een grap maakte. Of de nieuwe kaart bij hun stamcafé. Gewoon praten.

In dit leven: enkel stilte. Perfecte stilte. Zoals het plafond.

Juist dat gesprek kwam in haar op toen ze s ochtends haar mok op de vensterbank zette. En ze wist: het woord klaar was allang rijp. De mok was slechts de trigger.

Ze pakte haar spullen, secuur, huilde niet. Alleen wat van haar was: wat boeken, cosmeticatas, wat kleding, de lamp met kapje, haar ID, lader, en mini-cactus Feliks. Feliks haar enige groene leven thuis, want Sjoerd hield niet van planten liet geen kringen achter.

Sjoerd stond in de slaapkamerdeur, keek toe.

Maaike.

Ja.

Kunnen we praten?

Waarover?

Gewoon. Je pakt je koffers.

Ja.

Om die mok?

Sjoerd, alsjeblieft. Je weet het best.

Ik snap het niet. Echt niet.

Ze keek hem aan. Geen waterpas in de hand, zijn gezicht ongepantserd. Ze zag verwarring. Dat was nieuw die kwetsbaarheid.

Sjoerd, zei ze. We wonen hier drie jaar.

Ja.

We hebben geen enkel normaal etentje gehad met vrienden. Geen. Drie jaar.

Omdat het huis nog niet…

Omdat het huis nooit af zal zijn. Jij zult altijd wel iets vinden. Zo ben jij. Niet erg, maar ik kan hier niet zo in leven. Ik ben het moe, leven op een bouwplaats.

Het is bijna…

Nee. Niet bijna. Het gaat nooit om ‘bijna’. Ik bleef steeds logeren in mn eigen huis. Je was bang voor krassen. Ik ruimde mn lamp. Ik nodigde niemand uit. Jij schaamde je, ik…

Haar stem trilde, ze pauzeerde.

Ik wil leven. Gewoon leven. Met krassen op de vloer en kringen op de vensterbank. Met visite op zondag. Met jouw oude jas op de stoel. Dat hebben we nooit gekregen.

Hij zweeg lang.

Waar ga je heen?

Naar mama, voorlopig.

Lang?

Weet ik niet.

Ze rits haar tas dicht, pakte Feliks, liep naar de gang, trok haar jas aan, zonder de glans van het parket te zien.

Maaike, riep hij.

Ja.

Ik… Ik wist niet dat het zo was.

Wist je wel. Maar je dacht er niet over na.

De deur viel zacht in het slot. Zorgvuldig. Zoals alles hier.

Sjoerd bleef alleen.

Hij liet zich op de bank in de woonkamer zakken. De bank had hij met zorg uitgekozen, de stof mocht niet pluizen, niet vervagen. Alles was af. Prachtige muren in de juiste tint, parket zonder kieren, plafond strak. Alles was glanzend, perfect, boeketten op de plank, alles afgemeten.

En toch: iets riep misselijkheid op. Geen trots, iets anders alsof hij de verkeerde fiets had gepakt en het pas halverwege merkte.

Boven de boeken zag hij de bandjes van haar boeken. Sinds wanneer had hij haar niet meer gewoon zien lezen, gewoon op de bank, zonder zich te verstoppen?

Hij stond op. In de keuken stond de mok. Geen kring. Thee koud.

Hij spoelde de mok om, zette haar terug in het rek. Ging naar de slaapkamer. Ging op bed liggen, in zijn kleren. Iets wat hij nooit deed.

Het plafond was perfect.

Hij lag uren. Of minuten. Tijd loste op. Daarna schuifelde hij naar de berging. Alles keurig. Dozen, blikjes, rollen tape. Hij draaide een oude tegel in zijn hand, teruggelegd overbodig.

s Avonds at hij onverschillig, de stilte gonsde. Eens was er geluid, nu was er niks dan ordelijkheid.

Hij probeerde tv, zette hem uit.

Staarde naar haar naam in de telefoon. Nog niet bellen.

Dacht na over haar woorden: over gasten, de lamp, over drie jaar gast in haar eigen huis. Dat woord bleef steken. Gast.

Hij dacht terug aan Wouter, de leugen over de slaapkamer. Waarom? Omdat de woning zijn droom niet was nooit precies dat wat hij wilde bouwen.

Het ideaal: je loopt erachteraan, maar raakt er nooit. Dat begreep Maaike. Hij niet. Of misschien toch wel.

Hij liep met het licht aan overal. In de woonkamer stonden boeken in precisierijen, alles op de plek, zelfs een klein glazen hartje amberkleurig, wat scheef. Maaike had het op de Albert Cuyp gekocht, tegen zijn zin: Zonde, gewoon stof. Ik vind het mooi, zei ze.

Hij pakte het op. Het voelde warm. Of dat leek maar zo.

Drie dagen dwaalde hij zo rond. Op werk maakte hij fouten, zijn aandacht versprongen. Alles oke, Sjoerd? Jawel.

Op de vierde dag stuurde hij een bericht.

Maaike, kun je praten?

Na een uur antwoordde ze: Ja.

Hij belde. Na de tweede keer over ging ze op.

Hoi, zei hij.

Hoi.

Hoe is het daar?

Prima. Mama is blij.

Lange stilte.

Maaike, ik heb nagedacht.

Ik snap het.

Jij weet al wat ik ga zeggen?

Ongeveer.

Ik begrijp nu dat ik iets echt verkeerd maakte. Niet zomaar gemist ik koos het verkeerde.

Zij zweeg.

Je zei iets over gasten, over die lamp. Nu begrijp ik dat. Niet eerder. Of ik deed alsof.

Waarom zeg je dit allemaal?

Omdat ik wil dat je terugkomt.

Een stilte die langer werd.

Sjoerd…

Het hoeft niet, niet nu. Maar ik wil het echt. Anders, deze keer. Ik weet niet of het lukt. Maar ik wil het proberen.

Ze liet het vallen. Er klonk iets van porselein in de verte.

Je snapt dat ik probeer het niet genoeg is?

Dat begrijp ik.

Je beseft, ik kan niet terug en alles weer precies doen als eerst?

Ja.

Ik denk niet dat je het snapt. Neem het niet kwalijk. Je klinkt nu bang. Maar echt veranderen is niet gewoon een schroef aandraaien.

Ik weet dat. Het is geen schroef het is iets anders.

Wat stel je dan voor?

Stilte.

Laten we afspreken. Gewoon praten. Niet bellen.

Goed, zei ze. Laten we dat doen.

Ze spraken af in een café in de Jordaan. Gewoon, scheve stoelen, krijtbordmenu. Maaike in haar beige jas, lichtjes vermoeid maar kalm.

Ze bestelden koffie. Sjoerd keek echt kijken, zonder lijnen na te rekenen.

Hoe is het met je moeder?

Beter. Heeft bloemen gekocht, begint aan tomatenplantjes. Ze vond het fijn, ik ook.

Ze zwegen.

Sjoerd, zei ze. Je moet iets snappen. Het gaat niet om het klussen. Niet om perfectie. Je hebt het doel verwisseld. Een huis is voor het leven, jij maakte er een doel op zich van.

Ja, fluisterde hij.

Zeg je ja om het zeggen, of snap je het ook echt?

Hij pakte zijn koffie. Draaide de mok. Zet neer.

Daar kunnen we niet achter komen. Jij niet, ik ook niet. Maar ik weet dat het zo niet meer kan. Toen je weg was, was het hier een dure doos.

Maaike keek naar buiten. Regen, slenterende mensen, bij de bloemenwinkel tulpjes in rommelige bossen.

Ik zal het proberen, zei ze zacht. Maar onder voorwaarden.

Ja.

Voorwaarde één: komende maand geen verbouwing. Geen hamers, geen staalvoorbeelden, geen catalogi. Gewoon leven.

Oké.

Twee: zondag komt Linde. En als Wouter kan, ook. Grote pan soep, samen eten. In deze flat, zoals-ie is.

Hij knikte.

Derde: zodra je weer een kras dramatisch maakt, zeg ik het. En je luistert.

Afgesproken.

Ze keek hem nog eens aan echt aankijken. Daarna zei ze: Laten we het proberen.

Ze wandelden samen naar huis. Het regende nog na. Zij had Feliks in haar jaszak, hij droeg haar tas. Voor de deur keek ze omhoog.

Prachtig huis als je de gevel zo ziet.

Ja, zei hij.

Ze namen de lift. Zij liep voorop naar binnen. In de woonkamer zette ze Feliks op de vensterbank. Zonder onderzetter.

Sjoerd keek naar de cactus, zag de lak. Zei niets.

Maaike liep naar de keuken, water kokend. Hij ging in de woonkamer zitten. Kijkend naar de plank: het glazen hartje stond scheef. Hij liet het staan.

Zondag riepen ze Linde. Eindelijk! riep ze door de telefoon, haar gelach galmde. Wouter kon niet, Kees kwam mee met wijn, Linde bakte appeltaart. Maaike kookte erwtensoep zoals ze ooit beloofde.

Ze dekten de tafel in de woonkamer. Sjoerd dacht: niet allemaal recht, maar het moest maar. Een glas viel om, rode wijn op het tafelkleed. Sjoerd voelde zich samenspannen, keek naar Maaike.

Zij keek terug. Niet bang, niet afkeurend. Alleen maar kijken.

Hij pakte een doekje en depte het. Geeft niks, zei hij.

Linde blies haar adem uit. Maaike glimlachte vaag.

Ze bleven lang natafelen. Grappen, verhalen, kruimels en kruikjes. Toen de gasten weg waren, was het na middennacht. Maaike waste af, Sjoerd droogde. Ze zwegen, maar de stilte was een ander soort stilte.

Misschien gaat dat wijnvlekje er nooit meer uit, zei ze.

Dan niet boeien.

Ze lachte.

Sjoerd…

Ja?

Het was goed vandaag.

Ja, zei hij. Het was goed.

Na het afwassen bleven de kopjes staan. De vlek was zichtbaar. Het glazen hartje op de plank, Feliks op de vensterbank.

Sjoerd keek, dacht: dat moet ik morgen week zetten. Dacht aan de pot zonder onderzetter. Aan een mok die niet precies recht stond.

Toen dacht hij aan Maaike die vandaag twee keer echt lachte. Een keer om een kattenverhaal, een keer om een verspreking. Zo oud, zo vertrouwd.

Ze liep naar de slaapkamer. Bleef in de deur staan.

Kom je?

Onmiddellijk.

Hij keek nog even naar de kamer, naar de vlek, de cactus, het hart.

Deed het licht uit.

Ging naast haar liggen. Zij las haar eigen lamp scheen zacht, kapje diffuus. Hij keek naar het plafond.

Maaike.

Hm?

Hoor jij me eigenlijk als ik praat over kieren en millimeters?

Ze legde haar boek neer.

Ja, ik hoor het.

Wat denk je dan?

Ze dacht even na, echt na.

Dat je ver weg bent. Op dat moment.

Klopt wel, fluisterde hij.

Ze pakte haar boek weer op, sloeg een bladzijde om.

Hij snapte niet of het kon lukken. Drie jaar is lang, er verschoof iets in hen beiden, als een scheur in muurplamuur: je kunt het dichtsmeren, maar het wordt nooit meer zoals het was. Dat wist hij als geen ander.

Hij dacht, starend naar het perfecte plafond, en gleed langzaam in slaap. Dacht vaag: morgen zal ik Feliks op een onderzetter zetten. Anders komt er een kring.

Zijn ogen openden zich nog eens.

Het plafond was perfect. Nog steeds.

Naast hem sloeg Maaike zacht een bladzijde om.

Hij sloot zijn ogen weer. Feliks kon wel wachten tot morgen.

Please rate
Bagattia News
Drie jaar verbouwen zonder visite