Dagboek van Maarten van Dijken, cardioloog, dinsdag 18 juli
Ik kwam aan in het kuuroord in Egmond aan Zee om wat uit te rusten. Net bezig om mn gezicht glad te scheren met ouderwetse kwast en zeep wilde er toch een beetje fleurig uitzien vanavond. Vijftig, zestig jaar? Ach, wie let erop? Ik ben inmiddels over de zestig, maar wie telt die jaren als je hier tussen de jolige badgasten zit.
Nog voordat ik het schuim van mijn kin heb, stormt een vrouw mijn kamer binnen. Wat voor vrouw? Tja, daarvoor moet je eigenlijk kunstenaar zijn, een Anton Pieck of Breitner. Als je les zou moeten geven over het vrouwelijke lichaam, dan zou je prima op haar de contouren kunnen aanwijzen: Dit, dames en heren, is een vrouw. Je kon zo zien dat ze stevig in haar schoenen stond en op haar gezicht een vuurrode lippenstift als een koninklijk zegel midden op een besneeuwde rots.
Ze roept dat het een wonder is dat zon beroemd cardioloog als ik nét nu hier uitrust. Want in de behandelkamer ligt een zieke man en de huiskundige is met vakantie. En zeg nou zelf: wie plant er nou een hartaanval om middernacht? Gelukkig loopt hier dokter Van Dijken rond, dat is toch mooi meegenomen.
Ik voel meteen ik kom hier niet zomaar onderuit. Ze weegt makkelijk honderd kilo, ijsblauwe ogen priemen door mijn ochtendjas. Met dit type vrouwen valt niet te redeneren: zelfs als je Hans Klok in een doktersjas zou zijn, en je moest werken met een huismeester en een verpleegkundige verkleed als de Verleidelijke Sneeuwpop, dan nóg krijg je het niet uitgelegd.
Dus, binnen vijf minuten sta ik in de behandelkamer. Daar tref ik de huismeester in paniek, naast een brancard. Op de brancard ligt een slappe, bebaarde man, onder zijn dossier. Het is zon type die eruitziet als een eervolle universitair docent van een jaar of vijftig: dun, onhandig, lange ledenmaten; hoofd als een Viking, lichaam als een jongen van dertien.
Hij praat wartaal, meldt de huismeester, iets met rozen. Denkt zeker dat-ie in een bloemenzaak ligt.
De verpleegkundige meet ondertussen bloeddruk. Zeventig over vijftig, en het daalt volgens mij nog steeds. Ze lacht er ineens onbedaarlijk bij: Dat zijn ongeveer de maten van mijn armen en benen, dokter. De rillingen lopen over mijn rug. In zijn dossier lees ik dat 180 over 100 zijn normale bloeddruk is.
Ik kijk rond, zoek naar wat ik nodig heb, als ik plots hoor dat de verpleegkundige staat te snikken.
Gaat het? Hoezo huilen? vraag ik.
Het is zo zielig voor de man, snift ze.
Een onheil bekruipt mij.
Pak adrenaline, zeg ik, terwijl ik mijn handen ontsmet. Weet je wel wat dat is? En hoe doseer je het?
Het is zo zielig! Ze leunt dramatisch tegen het kozijn en huilt.
Uiteindelijk pak ik zelf een spuit en trek de adrenaline op. Terwijl ik een geschikte plek zoek, zie ik de huismeester wit wegtrekken bij de aanblik van de dikke naald alsof hij voor zn leven vreest. De verpleegkundige zit in de hoek te snikken. Voor ik haar met een klap op haar wang tot de orde roep, realiseer ik me: straks slaat ze terug en vlieg ik drie hoog naar beneden.
Ik besluit door te pakken. Vind een rib tussen zijn borst en zet de naald er resoluut in. Meteen stort de huismeester neer als een stapel bakstenen.
Ach, arme huismeester! gilt de verpleegkundige.
Zijn jullie nou helemaal mesjogge? Waar is de ammonia? bulder ik.
Het lampje van gietijzer op tafel, zon beeldje van David geneest de leeuw, komt akelig dichtbij mijn hand vijf kilo Nederlands design. Ik overweeg het even, maar laat toch staan: orde moet terugkeren. Want ondertussen is het onduidelijk wie precies de patiënt is.
Rust! Discipline en orde! roep ik streng.
Plots gaat de patiënt rechtop zitten op de brancard, ogen dicht.
Niks te jolig, meneer! waarschuwt de verpleegkundige streng, en duwt zijn hoofd terug op het kussen. Ammonia ligt natuurlijk gewoon in de kast.
De huismeester is inmiddels zo van de wereld dat zijn pols onmeetbaar is. De bebaarde man zakt weer weg. Geef borstcompressies! roep ik, en vis de huismeester onder de brancard vandaan.
De verpleegkundige zwiept de patiënt op zijn buik, rok omhoog, klaar om tja, wat?
Op zijn borst, sufferd! Geen bilmassage! schreeuw ik tegen haar.
Ze draait de patiënt en gaat zitten op zijn borst, brancard kraakt. De huismeester krijgt de geur van ammonia in zijn neus. Vijftien seconden passeren de man naast me verliest bijna zijn lucht als een lekke fietspomp.
Ik steek de verpleegkundige daarna ook een dotje onder haar neus en zet haar bij de huismeester neer twee natte kippen, wattenschijfjes uit hun neuzen hangend. Broek van de een tot op de knieën, rok van de ander omhoog.
Net als ik denk dat iedereen knock-out is, richt de patiënt zich weer op. Draait zijn hoofd traag richting de huismeester, ogen nog steeds dicht. De huismeester denkt: nu is het écht afgelopen, en zakt voorover.
Tjonge, wat een toestand, begint de patiënt. Mag ik u dringend verzoeken mij niet verder te behandelen?
Hij begint te vertellen dat hij erfelijk lage bloeddruk heeft. Bij storm in de lucht zakt hij in elkaar, na een sneeuwbui waait hij als een blaadje over de vloer. Hij heeft het niet verzonnen, zo is hij nu eenmaal geboren: zijn werkdruk is 80 over 50. Soms lager, dan lost een kopje stevige espresso alles op. Het helpt níet als een vrouw met een snoer van biljartballen om haar nek bovenop hem gaat zitten. Even dacht hij: dit was het dan. Zijn Roos zou uit het toilet komen en denken wie begraaf ik hier eigenlijk?
Ik begin al wat grijzer te worden van frustratie, pak zijn dossier erbij: Yvonne Rooseveld, lees ik. Had ik nog zo gehoopt: misschien ontmoet ik hier een leuke vrouw, een beetje wild doen, dacht ik stiekem. Maar nu is de pret verdampt.
Wat is dit? gil ik naar de verpleegkundige, wijzend op het dossier.
Dosssier, murmelt ze, wattenschijfjes nog steeds uit haar neus.
Maar dit is geen Yvonne, dit is duidelijk een Leon Rooseveld tenminste.
Als hoofdbehandelaar had u dat misschien kunnen opmerken
Zolang ik hier nog enigszins bij ben, zegt de patiënt zelf, zal ik het uitleggen: ik was met mijn vrouw in het kuuroord. Een fles karnemelk gebracht naar mijn Roos. Zij ging naar het toilet, haar dossier bleef bij mij liggen. Opeens voelde ik me niet lekker, en toen hebben jullie me, god weet waarom, op de brancard gesleurd. Het ging niet goed, maar nu gaat het prima. Ik weet niet wat die heldhaftige arts me heeft gegeven, maar slapen zal ik de komende tien jaar niet meer en kan ik eindelijk weer aan mijn proefschrift beginnen.
De verpleegkundige zegt droog: We waren hier niet. Nooit geweest.
Ik wilde haar bijna alsnog de lamp op het hoofd slaan, maar ze is me voor:
Ik neem de huismeester wel op sleeptouw.
Nooit met iemand gescharreld in het kuuroord. De enige les? Nooit denken dat je tijd hebt om te ontspannen. In Nederland wordt altijd verwacht dat je direct klaarstaat, zelfs midden in de nacht op je slippers, met scheerschuim nog op je kin.







