Mijn buurvrouw maakte van het portiek bij mijn voordeur een rookplek. Ik greep stevig in – en zij had nooit verwacht hoe dit zou aflopen.

Wie zegt dat deze lucht van jou is? Het trappenhuis is van iedereen. Ik rook waar en wanneer ik wil. Lees de regeltjes nog maar eens, mevrouw!

Sanne, de twintigjarige dochter van buurvrouw Marijke, blies een dikke zoete wolk damp recht in mijn gezicht. Naast haar lagen twee jongens languit op de vensterbank tussen de verdiepingen, luid proestend van het lachen. Op de betonnen vloer lagen peuken, lege blikjes energiedrank en schilletjes van zonnebloempitten.

Ik, Hendrika van Dijk, hoofdboekhouder van een grote fabriek in Rotterdam, ging niet hoesten of wild met mijn armen zwaaien, zoals die jongeren verwacht hadden. Ik zette mijn bril recht en keek Sanne aan met die ijskoude, peilende blik waar onze productiechefs bij voorraadcontroles spontaan zweethanden van krijgen.

Het is inderdaad van iedereen, Sanne, zei ik met vlakke stem. En dat betekent: hier wordt niet gerookt, niet gespuugd en niet gesloopt. Je krijgt vijf minuten om deze bende op te ruimen. Anders praten we op een andere manier.

Poehpoeh, ik bibber helemaal! trok Sanne haar mond, terwijl ze expres as op de net geboende vloer liet vallen. Ga lekker kalmeringstabletten halen, straks stijgt je bloeddruk. Ga je het aan mijn moeder vertellen? Zij zég het nog: beter dat ik hier zit te roken dan in huis.

De jongens schaterden. Mijn deur viel achter mij dicht en sloot het rumoer van het portiek af.

In de gang rook het gewoonlijk naar gebakken aardappels en oud hout een huiselijke, Hollandse geur, nu verdrongen door die goedkope rook die onder de deur door kroop. In de keuken zat Micha, mijn neef, over de tafel gebogen.

Micha is 32 maar ziet er minstens veertig uit, met zijn beginnende kaalheid en kromme rug. Hij is de zoon van mijn overleden mans zus, woont al tien jaar bij me in. Stil, snel onzeker, met een lichte stotter. Hij werkt in een horlogewinkel in de stad en is altijd bang dat iemand hem raar vindt. Voor de buren is hij de simpele, een makkelijke prooi voor plagerijtjes.

H-h-henny, zijn ze er weer? kroop Micha in elkaar toen er luid gestommel op de gang klonk.

Eet maar, Micha, bemoei je er niet mee, zei ik scherper dan ik bedoelde, terwijl ik hem nog wat aardappels opschepte. Maar ik kookte vanbinnen.

s Avonds belde ik aan bij Marijke. Ze stond in een badjas, met haar mobiel aan het oor en een gezichtsmasker op.

Marijke, jouw dochter heeft een rookhoek voor mijn deur gebouwd. De rook trekt mijn huis in, het lawaai gaat tot diep in de nacht. Ik verwacht dat je er wat aan doet.

Marijke rolde met haar ogen en bleef gewoon bellen:

Ach Henny, waar maak je je druk om? Die kinderen, waar moeten die in vredesnaam heen met dat weer? Laat ze toch, ze zijn geen criminelen. Je hebt zelf geen kinderen, daarom zeur je zo. En Micha? Die merkt dat toch niet!

Die opmerking kwam hard en gemeen. Ik haalde diep adem en hield mezelf in.

Dus, het is “jeugd” en Micha mag niet klagen? Goed, Marijke. Ik heb je boodschap gehoord.

Ik ging terug naar huis, zocht mijn dossierkast op en pakte mijn mappen. Voor emoties had ik geen tijd. Nu had ik de Nederlandse wet en het huishoudelijk reglement achter me.

De dagen erna hield ik me stil. Sanne en haar kliek dachten dat die oude zeur eindelijk haar mond hield, dus werd het alleen maar erger. Op de trap verscheen een versleten leren fauteuil, rechtstreeks van het grofvuil. Het muziekvolume ging tot diep in de nacht.

Op vrijdagmiddag kwam het breekpunt.

Micha kwam thuis van werken met een tas boodschappen en een klein doosje voor een klant. Net toen hij zijn eigen verdieping wilde oplopen, stak Sannes vriend, “Brammetje”, demonstratief zijn been uit.

Micha struikelde de tas scheurde open, appels rolden over de vuile vloer, zo tussen de peuken. Het doosje met uurwerkdelen kletterde tegen de muur.

Kijk nou, een struisvogel die stuntelt! proestte Brammetje.

Sanne blies slaperig rook uit:

Kijk uit joh, simpele. Je kan hier niet zomaar rondlopen. Rapen, hup, voordat ik boos word.

Micha, vuurrood, begon met trillende handen in stilte zijn appels te rapen. Tranen blonken in zijn ogen, maar dit kende hij niemand kwam ooit voor hem op.

Mijn voordeur vloog open. Daar stond ik. Geen bezem, geen deegroller alleen mijn smartphone met de camera precies op Brammetje gericht.

Diefstal, vandalisme en pesten, zei ik duidelijk. Alles op film. Ik bel zo de wijkagent. Morgen liggen de fotos en videos ook bij de huurvereniging.

Doe die telefoon weg, mevrouw! riep Brammetje, maar zijn bravoure was verdwenen mijn blik was griezeliger dan die van agent Jansen.

Micha, naar binnen, beval ik, zonder hem aan te kijken.

Maar de appels stamelde hij.

Laat maar liggen, dat is nu afval, net als de rest op deze trap.

Toen de deur achter Micha dichtviel, draaide ik me tot Sanne.

Luister, meisje. Waarom denk je dat ik al die tijd zweeg? Ik heb alles verzameld wat ik nodig heb.

Wat bedoel je!? snauwde ze, nu plots onzekerder.

De eigenaar van deze woning is jouw vader niet je moeder. Hij woont in Amsterdam en denkt dat zijn dochter een voorbeeldige geneeskundestudente is, niet een rookgrage organisatrice van trappenhuisfeestjes.

Sannes gezicht werd spierwit. Haar vader was niet streng, maar een dictator. Hij onderhoudt hen alleen als alles keurig verloopt.

Dat durf je niet, fluisterde ze.

Allang gedaan. Hij kreeg net fotos, filmpjes, een rapport voor de politie, de huisbaas én de VvE: data, tijd, lawaai, rommel. De wijkagent komt straks kijken, je vader is morgen hier.

En ja hoor, zaterdagochtend denderde de stem van Sannes vader door het portiek.

Ik zat aan de thee toen er werd aangebeld. Op de drempel stond een forse man in een deftige jas Sannes vader, Arjen van der Veen. Naast hem een huilerige Marijke, van Sanne geen spoor.

Mevrouw van Dijk? zijn stem was beleefd, maar beslist. Ik bied u mijn excuses aan voor het gedrag van mijn dochter en ex-vrouw. De schoonmaakdienst is nu begonnen, het schilderwerk betaal ik. Sanne verhuist direct naar het studentenhuis. Hun geldkraan gaat dicht.

Ik knikte dat leek me redelijk.

Nog één ding, zei ik en riep Micha erbij. Met zijn schouders opgetrokken kwam hij de kamer uit.

Uw vrienden hier hebben mijn neef gisteren uitgescholden en zijn werk gesloopt. Micha is een bijzonder vakman. Hij repareert horloges waar zelfs Zwitserse specialisten hun hoofd op breken.

Arjen van der Veen keek met oprechte interesse naar Micha.

Echt een horlogemaker?

R- restauration specialist, verbeterde Micha zachtjes.

Dan heb ik misschien iets voor je. Mijn collectie Breguet-zakhorloges ligt al maanden stil, niemand krijgt die goed. Kun je er naar kijken?

Voor het allereerst werd Micha als vakman aangesproken, niet als de simpele.

Ik kan het proberen… Als de veer niet gebroken is.

Afgesproken, Arjen gaf Micha een stevige hand. Sorry voor al het gedoe. Rekening en vergoeding neem ik voor mijn rekening.

Na het vertrek bleef Micha nog lang naar zijn hand staren, tot zijn schouders eindelijk eens recht werden.

Tante Henny, zei hij plots vastbesloten, ik raap die appels straks zelf wel op. Zonde om eten te laten liggen.

Ik keek even uit het raam, want ik voelde tranen opkomen.

Goed, Micha. En zet de waterkoker maar aan. Vandaag is het een feestdag.

Het portiek was schoon en stil. Het rook naar chloor en nieuwe verf. Uit mijn keuken klonk het geluid van dampende appeltaart en de rustige, zelfverzekerde stem van Micha. Hij vertelde me over tourbillons en balansveren.

De rookplek? Die was voorgoed gesloten.

Soms moet je niet schreeuwen of vechten, maar rustig het juiste doen en je gelijk halen. Dat is de Nederlandse manier.

Please rate
Bagattia News
Mijn buurvrouw maakte van het portiek bij mijn voordeur een rookplek. Ik greep stevig in – en zij had nooit verwacht hoe dit zou aflopen.