Goede vrouw.
Een goede vrouw, wat zouden we zonder haar moeten? En jij betaalt haar maar tweeduizend euro per maand. Johanna, we hebben dat appartement toch op haar naam gezet?
Hendrik stond op uit bed en liep langzaam naar de kamer ernaast. In het schemerige licht van de nachtlamp keek hij met vermoeide ogen naar zijn vrouw.
Hij ging naast haar zitten en luisterde. Lijkt allemaal goed te gaan.
Toen stond hij weer op en schuifelde naar de keuken. Hij opende de karnemelk, ging even naar het toilet en keerde terug naar zijn eigen kamer.
Hij ging op het bed liggen. Slapen lukte niet.
Wij, Johanna en ik, zijn al negentig jaar oud. Hoeveel hebben we wel niet meegemaakt? Binnenkort is het onze tijd, en verder is er niemand meer om ons heen.
Onze dochter, Sophie, is er ook niet meer, nog voor haar zestigste overleden.
En Bastiaan is ook al weg. Altijd een wild leven geleid Er is nog een kleindochter, Mariska, maar die woont al zeker twintig jaar in België. Aan opa en oma denkt ze allang niet meer. Ze zal nu zelf wel grote kinderen hebben
Zonder het te merken viel hij in slaap.
Hij werd gewekt door een hand op zijn schouder:
Hendrik, gaat alles goed? Klonk Johannas zachte stem.
Hij opende zijn ogen. Zijn vrouw boog zich over hem heen.
Wat is er, Johanna?
Je lag zo stil, ik schrok ervan.
Ik leef nog! Ga maar weer slapen!
Het zachte schuifelen van haar pantoffels klonk door het huis. Toen schoof er een knop in de keuken om.
Johanna dronk wat water, liep naar de badkamer en ging naar haar kamer. Ze zakte neer op bed:
Op een dag word ik wakker en is hij er niet meer. Wat zal ik dan toch beginnen? Of misschien ben ik wel als eerste weg.
Hendrik heeft onze begrafenis al geregeld. Nooit gedacht dat je dat allemaal vooruit kon organiseren. Maar goed, wie doet het anders voor ons?
Onze kleindochter is ons allang vergeten. Alleen de buurvrouw, Anja, komt nog langs. Zij heeft een sleutel van ons appartement. Hendrik geeft haar elke maand duizend euro van onze AOW. Ze doet boodschappen en regelt wat er verder nodig is. Waar zouden we anders ons geld aan uitgeven? Zelf komen we dat trappenhuis niet meer af.
Hendrik deed zijn ogen open. De zon scheen door het raam. Hij ging het balkon op en zag het groene bladerdak van de esdoorn. Een glimlach brak door op zijn gezicht:
Kijk nou, het is weer zomer!
Hij liep naar zijn vrouw toe. Zij zat peinzend op het bed.
Johanna, niet zo bedrukt! Kom, ik wil je iets laten zien.
Och, ik heb nergens kracht meer voor, zuchtte de oude vrouw en stond moeizaam op. Wat heb je nu weer bedacht?
Kom nou maar gewoon mee.
Voorzichtig, met een arm om haar schouders, leidde hij haar naar het balkon.
Zie je, de esdoorn is weer zo mooi groen! En je zei nog: dat halen we nooit meer de zomer. Nou, we zijn er toch maar mooi weer!
Ja zeg, echt waar. En dat zonnetje schijnt zo heerlijk.
Ze gingen op het bankje op het balkon zitten.
Weet je nog, toen ik je meevroeg naar de bioscoop? We zaten toen nog op de HBS. Die dag stond die esdoorn ook vol in het blad.
Hoe zou ik dat ooit vergeten? Hoe lang is dat nu geleden?
Meer dan zeventig jaar Vijfenzeventig, denk ik.
Heel lang zaten ze daar, herinneringen op te halen aan hun jeugd. Op hoge leeftijd vergeet je van alles soms weet je niet eens meer wat je gisteren hebt gedaan maar je jeugd, die vergeet je nooit.
We zitten te kletsen, maar we hebben nog niet eens ontbeten, zei Johanna.
Zet lekkere thee, alsjeblieft! Die kruidenthee komt me de keel uit.
Daar mogen we toch niet meer aan beginnen.
Doe dan anders nog een beetje suiker erbij, dan smaakt het nergens naar.
Hendrik dronk de zwakke, bijna kleurloze thee, met een klein boterhammetje met kaas, en dacht terug aan vroeger, toen de thee nog sterk en zoet was. Met heerlijke krentenbollen of dikke pannekoeken erbij.
De buurvrouw kwam binnen en glimlachte goedkeurend.
Hoe is het met jullie vandaag?
Hoe zal het met twee negentigjarigen gaan? moppert opa.
Als je nog grapjes maakt, kan het niet zo slecht gaan. Wat kan ik voor jullie meenemen?
Anja, neem vlees mee, vroeg Hendrik.
Dat mogen jullie toch helemaal niet.
Kip mag wel.
Vooruit, dan maak ik kippensoep voor de lunch.
Anja ruimde de tafel af, waste het servies en vertrok.
Johanna, kom, we gaan lekker in de zon op het balkon zitten, stelde Hendrik voor.
Kom maar, goed idee.
Even later stak Anja haar hoofd weer om de deur.
Hebben jullie de zon al gemist?
Gezellig is het hier, Anja! glimlachte Johanna.
Ik breng zo wel wat pap, en begin alvast met de soep.
Wat een goede vrouw, keek Hendrik haar na. Wat zouden we zonder haar moeten?
En jij betaalt haar amper tweeduizend euro in de maand.
Johanna, het appartement staat straks op haar naam.
Maar dat weet zij niet.
Zo zaten ze tot de lunch op het balkon. De lunch bestond uit een heerlijke kippensoep, goed gevuld met kip, aardappels en wat wortel.
Deze maakte ik vroeger altijd voor Sophie en Bastiaan, toen die nog klein waren, zuchtte Johanna.
En nu hebben we op onze oude dag vreemde mensen die voor ons koken, zuchtte Hendrik zwaar.
Het is ons lot, Hendrik, zo zal het wel moeten zijn. Als we er niet meer zijn, huilt er waarschijnlijk niemand om ons.
Niet zo somber, kom, laten we even rusten.
Hendrik, er wordt niet voor niets gezegd:
Zo oud als een kind.
Bij ons is het precies als bij kleuters: een bordje soep, een middagslaapje, en een vieruurtje.
Hendrik deed een hazenslaapje en stond daarna toch maar weer op hij kon de rust niet vinden. Het weer veranderde ook steeds vaker, leek het wel. In de keuken stonden twee glazen met sap, keurig klaargezet door Anja.
Voorzichtig pakte hij de glazen en bracht ze naar zijn vrouw, die peinsend bij het raam zat.
Wat is er, Johanna, zo verdrietig? vroeg hij en glimlachte. Kom, neem wat sap.
Ze nam een slokje.
Jij kunt ook niet slapen?
Het weer je weet wel.
Ik voel me vanmorgen ook zo vreemd, bekende Johanna zacht. Ik voel dat het einde dichtbij is. Begraaf me goed straks, alsjeblieft.
Wat zeg je toch, Johanna? Hoe zou ik moeten leven zonder jou?
Een van ons tweeën zal de ander uiteindelijk moeten achterlaten.
Kom, we gaan naar het balkon.
Ze zaten daar tot de avond. Anja bakte kwarkpannenkoekjes voor hen. Na het eten keken ze samen televisie, zoals elke avond voor het slapengaan. Nieuwe films waren te ingewikkeld. Ze hielden het bij oude komedies of tekenfilms.
Deze avond zagen ze maar één oude animatiefilm. Toen stond Johanna op:
Ik ga slapen. Ik ben zo moe.
Dan ga ik ook.
Laat me eens goed naar je kijken, vroeg Johanna plotseling.
Waarom?
Gewoon, even kijken.
Ze keken elkaar lang zwijgend aan, denkend aan hun jonge jaren toen alles nog voor hen lag.
Kom, laat mij jou naar bed brengen.
Arm in arm liepen ze langzaam naar de slaapkamer.
Hendrik stopte zijn vrouw zorgvuldig in en liep naar zijn eigen kamer.
Hij voelde zich zwaar vanbinnen. Slapen ging moeizaam.
Hij had het gevoel dat hij de hele nacht wakker lag, maar de digitale klok wees twee uur aan. Hij stond op en ging naar zijn vrouw.
Ze lag met open ogen.
Johanna!
Hij nam haar hand.
Johanna, wat is er! Johanna!
En ineens greep de benauwdheid ook hem. Hij strompelde terug naar zijn kamer, pakte de kant-en-klare papieren en legde ze op tafel.
Toen keerde hij terug naar zijn vrouw. Hij bleef lang naast haar zitten kijken, tot hij tenslotte bij haar ging liggen en zijn ogen sloot.
En toen zag hij zijn Johanna, jong en stralend als vijfenzeventig jaar geleden. Ze liep naar een lichtpunt in de verte. Hij rende haar achterna, pakte haar hand.
De volgende ochtend kwam Anja binnen. Ze vond hen samen in bed, met stille, gelukkige glimlachen op hun gezichten.
Met zachte handen belde ze de huisarts.
De dokter die kwam, keek verrast:
Ze zijn samen gegaan. Ze moeten veel van elkaar gehouden hebben
Ze werden samen meegenomen. En Anja zakte uitgeput neer op een stoel naast de tafel, waar ze de papieren en het testament op haar naam vond.
Ze legde haar hoofd in haar armen en huildeBuiten streek een briesje langs de jonge bladeren van de esdoorn. In het huis was het stil, maar die stilte voelde niet leegzoals altijd lag er een kalme warmte, een rust die Anja heel even deed glimlachen. Ze sneed een snee brood voor zichzelf, zoals ze dat iedere dag voor Hendrik en Johanna had gedaan.
Anja pakte de papieren, liet haar hand rusten op het testament en keek even omhoog, alsof ze de dankbare, bijna ondeugende grijns van Hendrik kon zien. Door het openstaande balkonraam hoorde ze in de verte het gelach van spelende kinderen en vogels die zich in de vroege zon warmden.
Ze stond op, liep naar het balkon en keek uit over de groene tuin. In het raam weerspiegelden de contouren van het oude stel, hand in hand, samen verzonken in hun eigen zomer. Het was bijna alsof ze daar, voorbij de takken van de esdoorn, nog altijd zaten: twee jonge mensen op de drempel van hun leven, vol herinneringen.
En Anja wist: sommige liefdes blijven, zelfs als de tijd alles wegneemt. Ze ademde diep in, voelde zich plotseling licht, en glimlachte. In deze stilte, in het warme licht, was niets verloren gegaan.







