Acht jaar, zo gepiept

Acht jaar van kleinigheden

De telefoon ging om half acht s ochtends, precies toen Lianne bij het fornuis stond en tuurde hoe het water in het pannetje begon te borrelen. Het gasfornuis was oud, met gietijzeren roosters vol ingebrand vet, dat ze maar niet helemaal schoon kreeg. Elke ochtend wees dat vet haar erop dat het haar woning niet was, dat hier voor haar andere mensen woonden, met hun eigen gewoontes, hun eigen stamppotjes, hun eigen levens.

Ze wierp een blik op het scherm. Carla.

Lianne nam op.

Je hebt weer niet op zijn berichtje gereageerd, beet haar dochter haar toe, zonder groet.

Goedemorgen, Car.

Mam, ik meen het. Hij heeft mij gisteravond geappt. Vindt dat je hem negeert.

Het water kookte. Lianne draaide het gas uit en gooide een theezakje in het pannetje. Goedkope Pickwick, papieren zakjes, vijftig in een doos. Vroeger dronk ze alleen losse Ceylon thee, die Maarten bij een speciaalzaak aan de Haarlemmerstraat haalde.

Laat hem maar zeggen wat hij wil, zei Lianne.

Mam, besef je wat je doet? Je woont in zon muf hok in Amsterdam-Oost, vast vol muizen, helemaal alleen, bijna zestig…

Ik ben net achtenvijftig.

Dat is vrijwel zestig! En je hebt een fijn man laten zitten, een prachtig flatje in het centrum, een normaal leven. Waarvoor?

Lianne keek uit het raam. De lucht was grijs, novemberig. Een kale kastanje, een stukje oude galerijflat met bladerige gele verf. Beneden ratelde een tram voorbij. De rails kraakten zo hard dat ze de eerste nachten geen oog dicht deed.

Maar inmiddels was ze eraan gewend.

Carla, ik moet opschieten naar mijn werk.

Je wil hier nooit normaal over praten!

Ik wil wel. Maar liever niet zo, aan de telefoon, s ochtends vroeg. Kun je zaterdag komen? Ik maak erwtensoep.

Ik kom niet naar jouw hol.

Hol. Dus nu had Carla dat woord ook opgepikt. Vast via Tamara.

Prima, zei Lianne kalm. Dan bespreken we het later.

Mam…

Carla, ik hou van je. Tot snel.

Ze legde haar mobiel op tafel. Pakte het pannetje, schonk de thee in een oud, facetgeslepen glaasje dat ze in een keukenkastje tussen andermans pannen had gevonden. Zon echt Nederlands glas, loodzwaar, met van die ribbelrandjes. Dertig jaar had ze zulke niet gezien. Ze nam een slok. Hete, wrange thee, met een tikkeltje papieren bijsmaak.

Staand dronk ze haar glas leeg, starend naar de kastanje.

Daarna kleedde ze zich aan en ging naar buiten.

***

In het trappenhuis rook het naar vocht en katten. Op de derde woonde ergens een kater, die ze nooit gezien had maar elke nacht hoorde. Geen lift. Vier trappen naar beneden, voorbij kapotte brievenbussen, langs een kinderfietsje dat sinds vorige winter stond te verstoffen.

Buiten was het hooguit vijf graden. Lianne knoopte haar jas dicht en liep naar de metro. Ze kende Oost nog steeds niet goed: zes maanden hier, nog altijd verdwaalde ze in de steegjes. Indische Buurt, Dapperbuurt, Watergraafsmeer. Straten die anders waren dan in het centrum, ruimer, rustiger, met meer bomen. Mensen haastten zich, keken niet naar elkaar, zoals overal in Amsterdam, maar hier zonder die scherpe stadsgejaagdheid die haar altijd had geërgerd.

In het winkeltje op de hoek haalde ze karnemelk en een halfje volkoren. De cassière, een jongedame met knalgroene oogschaduw, keek haar niet aan. Lianne betaalde gepast euros stopte alles in haar netje en stapte weer naar buiten.

De metro was warm en rumoerig. Ze stond, hield zich vast aan de stang, dacht aan het project. Gisteren hadden zij en Daan het eerste pakket meettekeningen afgemaakt; vandaag moesten ze naar dat twijfelachtige kelderplafond, dat bijna alleen nog op wonderen en geloof uit de negentiende eeuw rustte.

Het project was een oude stadsvilla in de Plantagebuurt. Niet groot, eind achttiende eeuw, hoofdgebouw met twee zijvleugels en iets dat ooit misschien een koetshuis was, inmiddels zó verbouwd dat niemand er nog uit opmaakte wat het geweest was. Eigenaren kwamen en gingen, de gemeente maakte er eerst een opslag van, waarna het twintig jaar had leeggestaan. Nu was er geld, nu waren er mensen die er een cultureel centrum van wilden maken, nu was er een projectgroep. Lianne was hoofdarchitect restauratie; Daan, haar collega, deed de constructie.

Dit was echt werk. Niet zoiets als wat ze jaren voor Maarten had gedaan kleine verbouwingen, her en der een restyling, gewoon om niet stil te zitten, maar iets groots, met geschiedenis om je heen.

***

Daan was er al toen ze aankwam. Hij stond midden in de grote zaal, in zijn altijd grijze werkjas, meetlint in handen, starend naar het plafond.

Goedemorgen, zei Lianne bij binnenkomst.

Kijk eens, zei hij, en wees op een hoek waar een stuk pleisterwerk weggevallen was, blote bakstenen. Volgens mij weet ik waarom het plafond wegzakt. Boven loopt een balk, die is over de hele lengte gescheurd. Dat is niet repareren, dat is vervangen.

Gescheurd of uitgehold bij de jaarringen?

Kom maar mee, dan laat ik het zien.

Ze klommen de krakende trap op naar boven, inmiddels gedeeltelijk verstevigd, maar ieder tiktje riep nog altijd oud-stuifhout tot leven. Lianne hield zich vast aan de reling; ze rook de geur van oud hout, droog, een beetje zoet, gemengd met stof en iets wat zich niet liet benoemen. De geur van tijd, van oude levens die zich in deze muren hadden afgevreten.

Die geur hield ze van jongs af aan.

Daan wees de balk aan. Zij ging gehurkt, richtte het zaklampje op de barst.

Niet de jaarringen, zei ze. Zie je deze scheur? Dat is mechanisch. Hier heeft iets zwaars gestaan.

Misschien een machine.

Misschien meer. Dr stonden jarenlang opslagschragen.

Daan hief zijn knieën naast haar. Ze keken allebei naar de balk. Buiten ruiste de wind langs een raam zonder glas.

Dus vervangen, zei hij.

Vervangen op de oude manier. Ik heb gisteravond archiefstukken bekeken; daar staat in dat het van inlands vuren was, goed oud.

Dat spul nu vinden

Kan, hoor. Ik ken een houthandel in Noord-Holland, die leverden voor een klus aan de Herengracht, weet je nog? Ik regel het.

Daan knikte. Sloeg het stof van zijn broek. Hij was lang, een beetje gebogen, luisterde altijd met het hoofd schuin omlaag alsof hij nadacht over dingen die hij nooit hardop zei. Maar schijn bedroog: hij luisterde écht, reageerde raak, viel nooit in de rede. Na vier maanden samenwerken was Lianne eraan gewend en waardeerde het.

Thee? vroeg hij. Ik heb thermos bij me.

Heerlijk.

Ze liepen naar de gang, waar Daan zijn tas had staan. Twee plastic bekers, dampende thee.

Je bent zo begon hij.

Zo?

Bijzonder gefocust, vandaag.

Lianne grijnsde schuin.

Dat betekent dat of mijn dochter of mijn zus vanmorgen gebeld heeft.

Hij vroeg niets meer, reikte haar alleen een beker aan.

Echte thee, geen zakjes.

***

Op zondag had ze Tamara gezien. Zomaar opeens stond haar drie jaar oudere zus beneden voor de deur, met een appeltaart. Lianne liet haar binnen.

Tamara werkte als boekhouder voor een aannemersbedrijf, woonde met haar man Hans in Haarlem. Haar kijk op het leven was zo stellig als haar stem, rechtlijnig, niet van haar stuk te krijgen. Ze keek rond in de flat, en Lianne zag op haar gezicht die mengeling van medelijden en lichte triomf die ze sinds haar jeugd kende.

God, het lijkt hier de bezemkast wel, zei Tamara, lipe mijn kijken.

Het is gewoon de badkamer.

De tegels zitten los.

Ja, dat weet ik. Waar is die taart van je?

Hier. Ze zette de taart op het aanrecht, keek weer eens rond. Lianne, kun je me alsjeblieft uitleggen: centrum, drie kamers, houten vloer, plafondornamenten, een nette man Sloeg hij je?

Nee.

Ging hij vreemd?

Weet ik niet. Misschien. Het maakte me allang niet meer uit.

Maar waarom dan? Je bent gek, weet je dat?

Lianne haalde borden.

Hou toch op, Tamara.

Waarmee? Lianne, ik ben je zuster! Míj moet je het uitleggen, hoor ik. Carla belt me huilend. Maarten vraagt of ik weet wat er met je is. Hij is niet gek, hoor.

Hij is een goede man, Tam. Maar voor een ander.

Jij blijft er altijd omheen draaien. Snijdt die taart nou maar. Je praat liever niet.

Ik praat. Al zo vaak uitgelegd.

Jij dan, ik voelde me niet goed. Iedereen heeft het weleens moeilijk! Denk je dat ik het met Hans altijd geweldig heb? Maar ik verhuis toch ook niet in mijn eentje naar zon flat midden in Oost

Ik woon alleen, Tam. Het is geen gedeelde woning.

Alleen! Achtenvijftig en je werkt voor een fooitje. En dat noem je goed?

Lianne keek haar aan. Tamara groot, warm, in haar trui, echt zon ouderwetse zusterlijke kop en er was oprecht onbegrip. Erover boos worden? Onmogelijk.

Och Tam, wees nou niet bang om het zonder mij te moeten doen, zei Lianne zacht.

Ben je gek, Tamara keek haar vol ongeloof aan.

Laat maar, zuchtte Lianne, en begon de taart aan te snijden. Waarmee is hij?

Met witte kool. Tamara bleef haar onderzoekend aankijken. Lianne, gaat het wel goed met je? Praat je nog met een shrink?

Ja.

En?

Ze zegt dat ik de juiste keuzes maak.

Ja ja, die worden ervoor betaald.

Ze dronken thee bij de taart. Tamara vertelde verhalen over Hans rug en de blaffende hond van de buren. Lianne luisterde. Buiten werd het al donker de hemel boven de kastanje kleurde paars.

Toen Tamara wegging, bleef ze even staan in de deuropening.

Je zou hem eens moeten schrijven, Lianne. Die man is van slag.

Ja, dat zal ik doen.

Ze wist zeker: dat zou ze nooit.

***

Acht jaar samen met Maarten. Ze waren nooit getrouwd, hij vond zon stempel onzin dat zei al genoeg, maar ze zag het te laat.

De eerste jaren waren anders of leek dat zo? Hij was attent, nam haar mee uit eten, ze gingen samen naar Italië, naar een concert aan de Amstel. Hij noemde haar slim, vond haar smaakvol. Daarna veranderde het, langzaam, nauwelijks merkbaar, als een haarlijnscheur in oude pleister.

Het begon met kleinigheden: op een personeelsfeest had ze haar mooiste groene jurk aangetrokken. Maarten bekeek haar bij de deur en zei: Weet je het zeker? Geen verder commentaar. Ze trok iets zwarts aan.

Toen begonnen de sneren over haar koken. Over hoe ze sprak met zijn vrienden. Dat ze te veel tijd in haar werk stak voor zo weinig resultaat. Altijd dat zachte, redelijke toontje, alsof hij een gunst deed door haar op het voor de hand liggende te wijzen.

Lianne, je weet toch dat restauratie geen carrière is voor mensen met ambitie?

Ik bén ambitieus.

Ach, glimlachte hij. Je bent gewoon een goede vakvrouw, een doorsnee vakvrouw. Dat is niet erg. Niet iedereen hoeft uit te blinken.

Ze dacht toen niets meer te kunnen zeggen. Ze zweeg. Verdween even naar een andere kamer, bleef starend naar de muur zitten en vroeg zich af waarom die woorden pijn deden uit de mond van iemand die zich zo goedhartig voordeed.

Maarten schreeuwde nooit. Geen klappen, geen echte ruzie. Hij deed wat anders: langzaam, systematisch overtuigde hij haar dat ze zonder hem niets waard was, dat haar beroep weinig voorstelde, haar vriendinnen saai waren, haar smaak provinciaals, hun leven op zijn genade dreef.

Ze kookte stamppot dacht steeds, had ik niet te veel zout gebruikt. Belde vriendinnen dacht, ik bel vast te vaak. Ging naar een vergadering dacht, ben ik niet te eigendunkelijk? De stem in haar hoofd klonk als zijn stem, altijd vragend, twijfelend.

Tot die ene avond.

Ze waren bij zijn vrienden, Bart en Nathalie, mooi appartement aan de Prinsengracht. Gesprek over een nieuwbouwproject: Lianne zei iets over het ontwerp, dat de gevel niet werkte, dat ontwikkelaars vaak bezuinigen op architecten. Rustig, onderbouwd.

Maarten keek haar aan, die glimlach waarmee hij ironie van kwetsing niet onderscheidde.

Lianne is een specialist, zei hij, maar je hebt specialisten die doen, en specialisten die praten. Lianne valt meer in het tweede. Ze heeft al jaren niets groots opgezet.

Het werd stil aan tafel. Nathalie keek naar haar. Bart nam zijn glas.

Lianne glimlachte.

Ze at op, dronk haar wijn, hield een praatje. Bestelde een taxi. Maarten sprak onderweg opgewekt over Bart’s nieuwe project. Lianne keek naar de verlichte stad en dacht aan één zin, kraakhelder: ik kan niet meer.

Niet: hij is slecht. Niet: ik ben ongelukkig. Gewoon: ik kan niet meer. Alsof ze tegen een muur liep.

Ze vertrok drie maanden later. Zocht een flat, vond deze in Oost. Verhuisde met twee busjes. Maarten was die dag op zakenreis. Op de keukentafel liet ze haar sleutel en een briefje achter: Sorry.

Lang nadien vroeg ze zich af: waarom schreef ik dat? Geen idee. Ze deed het gewoon.

***

November in Oost was bijzonder. Dichtbij het Oosterpark, en als Lianne s avonds terugkeerde van het werk, liep ze soms een omweg via het park, langs de oude bomen. Het bladerdek lag plat, paadjes geheel nat, alles rook vochtig en naar schors en die lucht voelde als iets helends.

Thuis was het koud. In dit oude blok deed de verwarming het maar half, radiatoren waren gietijzer, broeiden óf deden niks. De keukenkraan druppelde. Ze had de huisbaas drie keer gebeld; die zou de man sturen, maar er kwam niemand.

Ze kocht een rubber ringetje bij Praxis, verschoonde het zelf. Veertig minuten, twee gebroken nagels en een krachtterm later zat het goed. Even, handen afvegen, kraan opendraaien geen lekkage meer.

Stiekem voelde ze trots. Gek eigenlijk, maar toch.

s Avonds werkte ze aan de keukentafel. Tekeningen uitspreiden, bureaulampje aanzetten haar oude, met die groene glazen kap, ooit op de Waterloopleinmarkt gevonden. Maarten had dat lampje altijd verfoeid om zijn lelijke uitstraling. In het centrum stond het verstopt in de berging. Hier had het een plek op tafel.

Werken aan een monumentaal pand ging altijd traag. Eerst inmeten, dan archief, dan schadeanalyse, dan concept. Lianne hield van dat proces, het eerlijke ervan je kon niks faken. Een gebouw hield stand, of niet. Een baksteen leefde, of niet. Geschiedenis was echt, óf verzonnen.

Ze vond in het Amsterdamse stadsarchief documenten over het huis. Negentiende-eeuws, ooit eigendom van een koopman, overgegaan op diens dochter die er een meisjesschooltje begon. Revolutie, opslag. De dochter heette Johanna. Op een oude foto die Lianne vond keek een vrouw van vijftig met rechte rug en een blik zo scherp dat het leek of ze de fotograaf lichtelijk uitlachte.

Lianne bestudeerde die foto lang.

Toen werkte ze verder aan haar tekeningen.

***

Op een dag vroeg Daan hoe zij ooit in de restauratie terecht was gekomen.

Ze zaten in zijn Peugeot, motor draaiend op een ijskoude ochtend. Buiten kwam de eerste sneeuw nauwelijks zichtbaar.

In de jaren negentig deed ik nieuwbouw, zei Lianne, woonflats, kantoorgebouwen, lekker veel geld, veel projecten. Tot ik toevallig werd gevraagd om te kijken bij een restauratie van een kleine kerk in Noord-Holland. Gewoon, met een vriendin mee. En toen wist ik het.

Wat wist je?

Dat ik dit wilde. Dat het betekenis had.

Even stilte.

Bijzonder, zei hij, als je ontdekt waar je hart echt ligt.

En jij dan?

Duurt even. Ik deed wat hoorde, tot ik stopte.

Ze keek hem aan. Hij keek naar buiten, bevroren sneeuw op de ruitenwissers.

En toen?

Toen dit. Dit werk, deze plekken. En ik ben tevreden.

In de auto rook het naar leer en een beetje koffie, uit zijn kleine thermos.

Ze reden samen naar het archief.

***

Maarten kwam op woensdag.

Ze had hem niet verwacht. Om acht uur s avonds ging de bel, toen ze aan de tafel zat met bouwtekeningen en yoghurt. Een oud, schel belletje, zoals in elk portiek hier.

Ze dacht aan de huisbaas of een buur. Maar daar stond hij: Maarten, in zijn wollen jas, een klein boeketje chrysanten in de hand. Ze hield niet van chrysanten. Acht jaar had hij dat nooit onthouden.

Hoi, zei hij.

Ze zweeg. Staarde drie tellen naar hem.

Hoe kom je aan mijn adres?

Carla heeft het gegeven.

Dus Carla. Lianne onthield het voor straks.

Wat wil je? vroeg ze.

Praten. Zijn zweem van een glimlach. Mag ik binnenkomen?

Een seconde dacht ze na. Toen zette ze de deur op een kier.

Hij kwam binnen, keek rond. Beoordeelde de smalle gang, het gebarsten behang, de scheve jas-haak, haar laarzen bij de deur.

Jij woont hier echt zei hij. Niet vragend, maar vaststellend.

Ik woon hier, ja.

Lianne hij pakte haar hand, zij trok hem los. Hij keek haar niet boos aan, wisselde gewoon het boeket van hand. Kijk. Ik snap dat je ruimte nodig had. Maar nu is het wel genoeg geweest, toch?

Genoeg van wat?

Genoeg van ja, dit alleen zijn, die pauze. Hoe je het noemt. Hij liep naar de keuken, keek naar de uitgespreide tekeningen. Je werkt?

Ja.

Wat voor iets?

Restauratie van een villa in de Plantagebuurt.

Goed voor jou, dan, zei hij op die toon die ze zo kende. Voor jou fijn.

Voor mij én voor de stad. Een pand uit de achttiende eeuw.

Hij legde de chrysanten op de tekeningen. Zij schoof ze opzij.

Lianne, zei hij, besef wat je doet. Je woont nu zo een armzwaai in dit

Ik weet best waar ik woon.

Ik wil dat je terugkomt.

Ze keek hem aan. Eerlijk, Maarten was nog mooi voor zijn leeftijd vijfenzestig, maar hij zag er jonger uit, verzorgd, statig. Mooie jas.

Waarom? vroeg ze.

Hij was even van slag. Had de wedervraag niet verwacht.

Hoe bedoel je, waarom?

Je wilt dat ik terugkom. Maar waarvoor?

Omdat ik je mis.

Wat mis je precies?

Wat is dit, Lianne

Gewoon een vraag. Jij zegt dat je me mist. Wat dan precies?

Hij keek haar aan. Dat typische gezicht verscheen: lichte irritatie, weggestopt onder geduld.

Ik mis jou. Als mens. We waren acht jaar samen.

Dat weet ik.

En dat gooi je zomaar weg?

Niet zomaar. Ze sloeg de armen over elkaar, droeg een oude trui, spijkerbroek, heel anders dan vroeger. Ik ging niet ineens weg. Ik ging al acht jaar. Dat zag jij niet.

Ik snap het niet.

Dat weet ik. Ik heb het vaak genoeg uitgelegd Weet je nog, dat etentje bij Bart en Nathalie?

Welk etentje?

Waar je zei, dat ik alleen mocht praten en niet bouwen. Waar je mij voor hun gasten belachelijk maakte.

Hij dacht na.

Dat was een geintje. Ik weet het niet precies meer.

Misschien. Maar het waren zó veel van die grappen. En ik herinner ze me allemaal.

Jij bent gewoon te gevoelig.

Misschien wel.

Het was geen belediging.

Misschien niet. Maar het deed wel pijn.

Om zoiets kleins.

Van acht jaar aan kleinigheden.

Hij zei niets meer. Keek nog eens de keuken rond. De facetglaasjes, de groene lamp.

En ben je gelukkig zo? vroeg hij wat ongelovig.

Lianne dacht na niet voor hem, voor zichzelf.

Verschillend. Soms zwaar, soms eenzaam. De radiatoren werken niet goed. Maar ik ben liever hier dan dáár.

Dat is een illusie.

Misschien. Maar wel mijn illusie.

Hij pakte zijn jas. Keek haar lang aan. Er trok iets over zijn gezicht, heel even, kwetsbaarder dan anders.

Je bent geen vreemde voor me, Lianne.

Nee. Maar ook niet meer van mij. Ga naar huis, Maarten.

Hij draaide zich om, trok zijn jas aan, opende de deur.

Je krijgt er spijt van, zei hij.

Zonder dreiging, haast bedroefd.

Misschien wel.

Ze bleef in de gang staan, blikte nog naar de voordeur met het kleine kijkgaatje. Ging naar de keuken, zette de bloemen in een glazen pot, schonk water bij. Bloemen zijn bloemen te zonde om weg te gooien.

Ze ging door met de tekeningen.

Buiten ratelde de tram. Eén keer, nog een keer, dan stil.

En voor het eerst hoorde ze dat geluid niet langer als herrie.

***

De presentatie van het restauratieplan was over twee weken. Het was nog niet definitief, de opdrachtgever wilde alleen het totaalconcept zien: wat behouden, wat herbouwen, waarom. Lianne was serieus aan het voorbereiden, Daan ook. s Avonds belden ze elkaar over details, soms in discussie.

Op een avond, een pittige ruzie over het kelderplafond, voerden ze veertig minuten discussie tot ze doorhadden dat ze beiden gelijk hadden, elk vanuit hun eigen professie: zij dacht aan het uiterlijk, hij aan de stevigheid.

Jij bent streng, zei hij na afloop, zonder oordeel.

In mijn vak wel.

Daar hoort het ook, zei hij.

Meer niet. Geen sentiment. Ze hing op, merkte dat ze glimlachte.

***

Drie dagen voor de presentatie belde Carla. Niet in de ochtend, maar s avonds.

Mam Een andere stem, dan voorheen zachter. Mag ik langskomen?

Natuurlijk.

Carla arriveerde met een fles wijn en een uitdrukking alsof ze iets besloten had zonder te weten hoe dat te delen. Ze leek op Lianne vroeger: dezelfde kaken, dezelfde handen. Tweeëndertig, grafisch ontwerper, woonde met haar vriend in De Pijp.

Ze zaten samen in de keuken. Lianne schonk wijn in twee waterglazen één wijnglas had ze, voor gasten, maar Carla vond het niet belangrijk.

Heeft hij je na zijn bezoek nog gebeld? vroeg Carla.

Nee. Hij stuurt soms appjes.

Wat dan?

Van alles. Ik reageer niet altijd.

Carla draaide haar glas om.

Ik heb hem jouw adres gegeven. Neem je het me kwalijk?

Nee.

Ik dacht ik hoopte dat jullie het dan zouden uitpraten

We hebben gepraat.

En?

Niets. Hij is weer weg.

Carla zweeg. Staarde in haar glas.

Mam, ik was steeds aan zijn kant. Weet je dat?

Ik weet het.

Ik dacht steeds: je bent gewoon in de war, je moet terug naar het normale. Ik had medelijden met hem, vond hem zo eenzaam, zo hulpeloos.

Hij kan goed overkomen.

Ja Carla keek op. Heel goed. Pas laatst zag ik het. Na zijn bezoek aan jou, belde hij mij op. Hij zei: Je moeder was altijd een beetje anders. Ik heb haar getolereerd. Acht jaar lang deed ik haar een gunst.

Lianne knikte.

Dat zijn zijn woorden, inderdaad.

Mam Voor het eerst in maanden keek Carla haar écht aan, zonder dat sluier van ergernis. Was je zo ongelukkig?

Heel.

Waarom zei je het niet?

Lianne dacht na.

Omdat ik er geen woorden voor vond. Als niemand je slaat, bedriegt, de deur uit zet hoe leg je dan uit dat je je niet goed voelt? Zeker tegen een dochter, die hem altijd als keurige man kent.

Carla kwam overeind, liep om de tafel en sloeg haar armen om haar heen. Onverwacht en stevig. Lianne twijfelde even, daarna sloeg ze haar armen terug. Carlas hoofd was warm, rook naar haar favoriete shampoo nog steeds die met de geur van peer.

Je bent niet gek, fluisterde Carla in haar schouder. Tante Tamara zit fout.

Lianne grinnikte zachtjes.

Dat is fijn te weten.

Ze dronken de wijn. Carla keek geboeid naar de tekeningen van het huis, vroeg honderduit. Lianne legde uit, liet haar de oude foto van Johanna zien Ze lijkt op jou, zei Carla. Lianne keek nog eens goed. Misschien.

Carla vertrok om half twaalf, beloofde zaterdag weer te komen.

Lianne waste de glazen af. Ruimde de tekeningen op. Blijf even bij het raam staan.

Geen trams meer te laat. De binnenplaats beneden was stil en blauw van het straatlicht. In het verlichte raam schoot een schaduw voorbij.

Lianne dacht eraan Daan te appen over een constructiedetail. Maar het was laat, ze deed het morgenochtend wel.

***

De presentatie vond plaats in een grijze vergaderzaal van het architectenbureau. De opdrachtgever zat er met zijn team van juristen en een adviseur erfgoed, die kritische vragen stelde. Lianne beantwoordde ze, Daan vulde haar met de technische info aan. Eén keer vroeg de opdrachtgever naar de levertijd voor de nieuwe balken op de eerste verdieping ze antwoordde eerlijk: lukt als het hout op tijd komt, anders lopen we drie weken uit. De adviseur fronste zijn wenkbrauwen. Lianne zei: Beter nu eerlijk, dan straks verklaren waarom we uitlopen.

De adviseur knikte. Juist dát leek het meest in goede aarde te vallen.

Na afloop stonden ze samen in de gang. Daan hield een map met printjes vast.

Denk dat het erdoor is, zei hij.

Ik denk het ook.

Zijn blik bleef even op haar hangen. Mensen liepen af en aan met mappen.

Zin om uit eten te gaan? vroeg hij. Dichtbij is een goed tentje. Er op proosten.

Ze keek naar hem.

Graag.

Ze liepen samen door het december-Amsterdam, onder de lantaarns in de Plantagebuurt, sneeuw op de daken van de oude huizen. Daan liep naast haar, het hoofd een fractie gebogen. Ze praatten niet over bijzonders alleen over het hout voor de balken, de strenge adviseur, de vroege winterdonkerte.

Het café was knus, rustige uitstraling, houten tafels, zware gordijnen. Ze bestelden warme gerechten, een glas rood. Het gesprek vloeide vanzelf, niet alleen over werk over de stad, over hoe die verandert, boeken zelfs. Lianne merkte dat ze de tijd vergat.

Bij het weggaan hielp hij even haar jas aan. Heel alledaags gebaar maar toch.

Buiten zei hij:

Ik ben blij dat we samenwerken.

Ze antwoordde:

Ik ook.

Ze namen ieder hun metro in een andere richting.

Eind.

Please rate
Bagattia News
Acht jaar, zo gepiept