Kleintje

Kleine Meid

Hij had haar al Kleine Meid genoemd toen hij voor het eerst naast haar neerplofte, in diezelfde versleten, donkerrode pluche stoel, gladgestreken door generaties billen, zoals de stoel waar Janna op zat.

Een minuut keek hij ongegeneerd om zich heen in de zaal voordat hij haar aandacht zocht.

Wat is er, Kleine Meid? Verveel je je? Hij zuchtte, probeerde nonchalant zijn been over het andere te slaan, maar de smalle gang tussen de rijen in de concertzaal werkte daar niet aan mee. De spits-neus van zijn leren schoen botste tegen het stoeltje ervoor, waardoor zijn enkel pijnlijk knakte. Maarten trok een grimas.

Janna deed alsof ze hem niet hoorde en keek gefronst naar het podium, waar op dat moment niets noemenswaardigs gebeurde maar tafels en een spreekgestoelte opgesteld stonden, mensen in en uit liepen met kabels en microfoonsalles volgens het boekje op zon conferentie. Benauwd was het ook nog.

Janna voelde zich altijd ongemakkelijk op zulke plaatsen, dicht op elkaar geperst, schouder aan schouder, en kon nergens heen.

Jazeker… prevelde Maarten, krabbelde aan zijn kin. Dit is helemaal niks, Kleine Meid. Echt, we horen hier niks nieuws. Ik heb al die verslagen gelezen, hoort een beetje bij mijn werk. Er zit niets tussen van waarde.

Janna draaide zich om en keek streng naar de man die naast haar zat.

Netjes gekleed, in pak, das, schoenen glimmend. Maar er was iets mis-plaats aan hem. Alsof hij uit een strip was gesneden en in het verkeerde pakje terecht was gekomen. Kattenkwaad, kletser, grappenmaker, dat was hij. Zn haar stond stekelig, en Maarten had twee kruinen bovenop zijn hoofd, waar zijn haar in zachte krulletjes draaide.

Maarten, stelde hij zich meteen voor terwijl hij haar grote hand toeschuifde. Kom, laten we gaan lunchen? Jij bent zon klein, iel meisje, ik wil je voeden. Ja, zo doen we dat. Kom, niks aan te vinden hier!’

Het licht werd al wat gedimd en op het podium verschenen de voorzitters, plaatsvervangers, belangrijke mensenalles netjes omzoomd met applaus. Maar Maarten sleurde zijn Kleine Meid aan haar arm mee, vertrapte zowat drie paar schoenen, mompelde zijn verontschuldigingen, propte zn das steeds terug in zijn jasje dat zich weigerde fatsoenlijk te gedragen, als een kwajongen die de tong uitsteekt naar het keurige publiek.

Wat doet u! Laat me los, hoort u! probeerde Janna zich los te rukken, maar Maarten hield haar stevig vast. Ze kon niet anders dan achter hem aan naar de uitgang trippelen.

Ze stonden alweer in de foyer terwijl binnen de openingen van de dag werden afgetrapt en iemand op de microfoon sloeg om stilte te vragen.

Laat me nou, ik moet terug naar binnen, ik moet alles opschrijven, ik heb bovendien een opdracht! protesteerde Janna, lit haar notitieboek tegen zich aan, haar pen viel uit haar hand, ze bukte, maar Maarten was haar voor.

Kappen nou, Kleine Meid! lachte Maarten. Ik stuur je die toespraken wel op. Lezen kan altijd later nog, nu moeten we wat eten. Maar eerst water, je ziet zo bleek! En je pols klopt als gek. Ja, terecht! Hij pakte haar pols, klikte met zn tong. Lucht, eten, geen conferenties!

Janna voelde zich inderdaad niet lekker. Haar hart bonsde zo hard dat het dreunde in haar slapen.

Nog nooit eerder had iemand haar zo verzorgd, zich zo om haar bekommerd. Altijd was zij die zorgde: haar moeder, haar man, haar dochter. Dat hoorde bij haar leven, moeilijk soms, en stiekem wilde ze soms het liefst weer veilig op schoot zitten, zich laten vertroetelen, wijn drinken, lachen, zoals die vrouwen in oude speelfilms. Maar die kans had ze nooit gekregen.

Maarten bood haar die kans wél.

Ze kwam er pas later achter dat hij haar ongemerkt over de grachten had meegenomen naar een klein restaurantje aan de Singelgracht, waar de ober ze een glas kraakverse jus en spuitwater bracht, zo feloranje dat het leek alsof de zon zelf in het glas geperst zat: Spaans sinaasappel-citroen, even hartstochtelijk als de zomer.

Zo, drink maar. En water. Goed… Wat gaan we eten? vroeg Maarten.

Blijkbaar zat Maarten écht om haar verlegen. Jannaatje was best knap, slank, zonder poespas, ze had best de aandacht kunnen trekken van mannenwaren het niet dat ze altijd die waas van vermoeidheid, hopeloosheid over zich heen droeg. Op naar haar vijfde decennium, geen liefde, alles zat vol sleur. Wat moest ze ook anders?

Maar Maarten vond precies deze, van het leven vermoeide Kleine Meid aantrekkelijk.

Ik moet eigenlijk niets hebben. Even ademen, dan ga ik terug, voel me alweer wat beter! stamelde Janna.

Rustig aan! Maarten knikte. Eerst eens een kabeljauwfiletje met groenten, salade, en Jij, Kleine Meid, wat wil je drinken?’

Zijn blik kwam los van het menu; zo fris en rebels, een beetje ongeschoren, rook naar sigaretten en aftershave, sterk en levendigen hij keek haar zo aan Janna werd rood en fronste.

Ze was gek geworden! Een vreemde man, zomaar, neemt haar mee uit eten, noemt haar Kleine Meid, strijkt zelfs een lok haar achter haar ooronbeschoft. En zelf smolt ze, helemaal.

Op de plek waar Maarten haar net had aangeraakt, gloeide haar huid terwijl een golf van rillingen over haar rug trok.

Ze dronken witte wijn. Maarten vertelde hoe hij vroeger klusjes deed op bouwplaatsen, op een dag naar het Noorden trok om daar te werken aan grote projecten, en daarna

En daarna, Kleine Meid, zijn Igor en ik ons eigen bedrijfje begonnen. Niks groots, gewoon vakantiehuisjes bouwen, ploegje bijeenzoeken, en daar gingen we. Iedereen wil fijn wonen, comfortabel, warmen wij wisten wel hoe dat moest. Eet nou maar! Hij knikte naar Jannas bord. En op jou, Kleine Meid! Jeetje, toen ik je zag, dacht ik meteen: Dat meisje moet gevoed worden! Nog een beetje bestellen?

Ze schudde haar hoofd. Ze voelde zich licht, misschien van de wijn en het lekkere eten, of simpelweg omdat voor het eerst iemand haar serieus wilde verwennenwant zij was immers een meisje, klein en kwetsbaar.

Thuis ging het anders. Janna woonde sinds haar jeugd met haar moeder in Amsterdam. Die was altijd aan het werk, s ochtends al weg, Janna at haar ontbijt alleen, s avonds kwam haar moeder laat thuis, dan warmde Janna het eten nog op, deed de afwas terwijl haar moeder snel onder de douche sprong, en ze sliepen pas laat.

Met Oud en Nieuw kwam haar moeder, Maria, altijd pas rond elven thuis van de buurtsuper, want die laatste uren leverden nu eenmaal het meeste op.

Maria was altijd moe, bleek. Janna hielp haar omzichtig met haar feestjurkje en feestkapsel, voordat ze samen naar de gasten gingen.

De woonkamer vulde zich dan altijd, buren, vriendinnen, vage familieleden, al snel vrolijk beschonken. Iedereen zat rond een tafel die uitpuilde van de bitterballen, blokjes kaas en plakjes worst. Janna lette erop dat haar moeder niet na het eerste borreltje in slaap viel.

Maria dronk uitsluitend jenever, champagne vond ze onzin, maar een bakkie jongedat was pas echt!

Ging verder best goed, ware het niet dat haar moeder steevast na de eerste borrel afhaakte en snurkend over de tafel hing. Janna gaf haar dan een duwtje, haar moeder schrok half wakker, keek even verdwaasd rond in haar kring van mensen, vroeg om een nieuw glaasje, proostte, lachte, een beetje bitter. Hoe moest Janna dan zélf een kwetsbaar meisje zijn? Geen optie!

Janna trouwde jong. Edgar was bijna tien jaar ouder, degelijk, goed opgeleid, maar afstandelijk, zwijgzaam, hij plaatste haar gewoon in het raderwerk van zijn leven zoals een nieuw passend tandwiel.

En Janna hoefde ook niets meer. Romantiek, passie, opwindingaanvankelijk wel, natuurlijk, ze was jong, dat hoort erbij, maar het doofde uit. Belangrijkste was dat ze haar eigen gezin, haar eigen huis had; geen moeder meer met dikke benen, geen grauwe etage in Amsterdam-Oost, geen kamer met vergeelde bloemenbehang. Ze had nu een heus appartement in Buitenveldert met Edgar: een keuken, ruime badkamer, balkon, twee kamers, grote boekenkast en een echtgenoot. Iedereen was jaloerszelfs geen schoonmoeder!

Haar hele leven tot aan Maarten was ze Jannie geweest, of anders juffrouw Van Dongen.

Edgar, haar moeder, haar vriendinneniedereen noemde haar Jannie.

En nu ineens werd ze Kleine Meid genoemd. Wijn, lekkere hapjes En iemand vroeg naar haar gedachten, waar de Kleine Meid over droomde.

Edgar vond dat soort dingen onzin. Natuurlijk, grote beslissingen, vakanties en aankopen besprak hij met haar, maar zijn mening stond meestal al vast. Tegenwerpingen verdwenen in het geluid van het open raam, want Edgar wilde altijd frisse lucht; ramen dicht was geen optie, toch?

Maarten daarentegen regelde direct, zodra ze binnen waren, dat ze een rustig hoekje kregen, zónder tocht.

Liefdevol

Hij stelde vragen, Janna antwoordde bedeesd. Ja, ze had een man. En een dochter, inderdaad. Hoe heet ze? Mieke. Mieke studeert aan de UvA, talen. Janna had destijds een geweldige leraar voor haar gevonden; nu mocht hun meisje voor stage naar het buitenland.

Op Mieke hadden zij en Edgar niet in het bijzonder gehoopt, niet verlangd, niet om gebeden. Ze maakten haar, want het werd tijd, zei Edgars moeder. Maar de zwangerschap liet op zich wachten; er werd flink aangewerkt.

Uiteindelijk bleek Janna zwanger. Edgar mijdde zijn vrouw negen maanden lang, raakte haar buik niet aan, sprak geen woord tegen het kind in haar buik, dat vond hij maar vreemd en ongemakkelijk.

Als t geboren is, voed ik het wel op, leer ik het de dingen. Jannie, wanneer moet je eigenlijk naar de verloskundige? Kan ik je wegbrengen met de auto! En meer ging het niet.

Hij bracht haar, haalde haar met slingers en gasten op uit het ziekenhuis, kocht het beste voedsel, controleerde de groei, en stond s nachts naast het bedje om mee te wiegen. Bij hun eerste bezoek van de verloskundige had Edgar haar handen geïnspecteerd, haar jas kritisch bekeken, en zijn eigen, door adem verwarmde, stethoscoop aangelegd op Miekes borstje.

Ben je moe? vroeg vriendin Godelieve altijd bezorgd aan Janna, die met wallen onder haar ogen zat. Een kind is geen bloemetje, het is afzien! Helpt Edgar een beetje?

Janna haalde haar schouders op. Misschien wel. Het voelde altijd net niet genoeg…

Het slachtoffer zijn voelde soms best fijn. Iedereen had medelijden met haar, ze leefde gehaast, altijd druk; haar man kreeg geregeld minachtende opmerkingen van kennissen omdat hij zijn Janna niet genoeg ontzag.

Maar Maarten ontzag haar, dwong haar te eten, Janna bloosde steeds vaker.

Toe, Kleine Meid, eet! mopperde gastvrije Maarten. Ik laat je niet gaan voor je bord leeg is, hoor je dat?

Janna beet op haar lip, keek hem schuchter aan, en at.

Hij bracht haar die middag naar het station, verder liep ze niet met hem meer; ze verzon een smoesje.

Die avond kreeg ze op haar e-mail alle notities van de lezingen.

Voor Kleine Meid van Maarten! stond genoteerd.

Janna klapte snel haar laptop dicht, maar Mieke, haar dochter had meegekeken, keek haar schuin aan.

Wat een onnozele koosnaam! protesteerde Janna direct. Het zijn officiële stukken en dan verzinnen ze zulke onzin!

Mieke hoorde het al niet meer, zette haar koptelefoon op, draaide de volumeknop omhoog.

Jannie, Miek, ik ben thuis! Kom, het eten is klaar! klonk het uit de gang.

Edgar, moe van een overvolle tram, trok onderweg zijn overhemd uit, bleef in spijkerbroek, ruilde die voor een bermuda met lichtblauwe palmen, gooide het balkon open en haalde diep adem.

Hij rook naar zweet, muf, van gisteren nog.

Janna, ik ga me niet steeds wassen. Laat me nou! Van dat douchen krijg ik jeuk. Morgen weer! Genoeg nu. Tijd voor eten.

Aan tafel zwegen ze, ieder verzonken in gedachten. Janna dacht aan Maartenhoe anders, fris en charmant hij was

De volgende dag belde Maarten haar nog op werk.

Hé, Kleine Meid! Hoe gaat het, heb je al gegeten? Ik mis je! hoorde Janna zijn stem uit haar telefoon schallen. Ze werd zenuwachtig, keek om zich heen of collegas het hoorden. Het leek alsof haar mobiel door het hele gebouw schalde.

Nee, nog niet… ik heb veel werk, stamelde ze. Kleine Meid. Die zwakte, dat kwetsbarevan kippenvel kreeg ze een rilling over haar rug.

Laat alles vallen, kom naar beneden. Ik zit in het cafetaria beneden te wachten. Is geen culinair hoogstandje, maar je moet eten. Tot zo!’

Ze stotterde een paar woorden, drong zich langs haar collegas richting lift. In de spiegel brandden haar wangen als kooltjes. Iedereen leek haar te begrijpen: juffrouw Van Dongen heeft een minnaar.

Zo voelde het ookhij was haar minnaar. Spannend en stout.

Vandaag had Maarten een T-shirt aan, en een spijkerbroek, weer ietsje verward, fris als altijd.

Ze dronken koffie. Janna vertelde iets uit haar jeugd, Maarten luisterde.

Kleine Meid, je bent mooi, weet je dat? onderbrak Maarten haar ineens. Kom, we gaan iets moois voor je kopen! Een jurk. Ik ken mensen in de winkels hier, zij zoeken wel iets uit. Ik wil jou in een jurk zien.

En zo geschiedde. Niet meteen, maar toen Maarten haar die avond meenam naar de Kalverstraat, plaatsnam op een bankje en de verkoopsters haar omringden.

Jemig, hoe keek hij naar haar! Hongerig, verlangend. Edgar kon daar niet aan tippen.

Dat heb ik nog nooit meegemaakt! fluisterde Janna later in het oor van Godelieve, haar trouwe vriendin. Zo kijkt iemand in een film naar een vrouw! Ik voelde me eindelijk weer vrouw. En het beschamende is: ik vond het heerlijk.

En Edgar dan? vroeg Godelieve nuchter.

Die weet van niks. En dat moet ook zo blijven! Hou jij de jurk bij jou, alsjeblieft? In dit tasje. Hoe moet ik het thuis uitleggen?! Hij was prijzig… wat nu?!

Godelieve haalde haar schouders op. Wat komt, dat komt.

Zeg, Janna Edgar is misschien lomp, maar weet je nog hoe hij in hartje winter naar dat boerengehucht reed voor verse melk? En hij werkt zich uit de naad. Een andere vent zou op de bank liggen, bier drinken. Edgar is een knappe kerel volgens mij, en betrouwbaar. Nieuwe auto gekocht, het huis opgeknapt, altijd op vakantie gegaan. Hij is helder, goed te doorgrondenwie is Maarten eigenlijk? Waar haalt die zijn geld vandaan?

Geen flauw idee, mompelde Janna. Boeit me niet! Edgar… ik trek hem gewoon niet meer. Jij bent jaloers, Godelieve!

Weer haalde Godelieve haar schouders op. Misschien was ze ergens wel jaloers, maar dan vooral omdat Janna überhaupt een man als Edgar had…

Janna kwam steeds later thuis, kookte snel iets makkelijks, at zelf nauwelijks, bleef wat rond prutsen met een lepel in haar afgekoelde thee.

Mam, hoor je me nou nooit meer? Ik vraag je voor de vijfde keer om brood te snijden! riep Mieke. Uiteindelijk deed ze het zelf en merkte mokkend op dat het brood op was.

Janna antwoordde niet, fronste en trok zich terug in haar kamer, om te dromen.

Edgar en Mieke keken haar verbaasd na.

Dromen deed Janna vaak, handen klam van zenuwen.

Maarten was teder, kuste goed, lachte om Jannas onhandigheid, had medelijden, noemde haar altijd Kleine Meid, voerde haar, gaf cadeautjes, maakte geld over, stuurde midden in de nacht apps. Janna vluchtte dan uit de slaapkamer, sloot zich op in de badkamer, las en wiste de berichten, las opnieuw, zette uiteindelijk haar mobiel uit en legde zich weer neer.

Edgar draaide zich om, sloeg zijn zware arm om haar heen, boerde en mompelde wat. Janna hield zich stil en hield haar adem in. Was Edgar er maar niet geweest in haar leven Had ze maar eerder geweten wat het was om Kleine Meid te zijn, lief, mooi, begeerd. Zoveel jaren verloren…

Maar nu was er Maarten. Haar geluk.

Ze ontmoetten elkaar in Maartens ruime, lichte appartement in Amsterdam-Zuid met ramen tot aan de vloer, geen gordijnenuitkijkend over de verlichte Zuidas. De wereld draaide om haar heenchampagne, aftershave, zijde lakens

Het leven explodeerde in duizenden fonkelingen. Magisch.

Maar thuis werd het steeds ongemakkelijker. Janna was bang dat iedereen het wist; Mieke keek haar scheef aan, Edgar werd steeds stiller.

Janna verzon uitvluchten, kwam pas thuis als iedereen al sliep. Dan zat ze lang alleen in de keuken, dronk bittere oploskoffie, droomde…

… Jannie! Waar blijf je nou? Ik heb een witte kool gehaald. klonk Edgars stem uit haar mobiel; ze keek verschrikt naar Maarten die langs de zwembadrand zwom. Het buitenbad van het Zuiderbad, een wonder van techniek.

Janna was nooit naar het Zuiderbad geweest, maar Maarten had haar vandaag meegetroond, haar opgedragen te zwemmen. Het was stil, heerlijk, en hoog boven het water hing stoom in de herfstlucht. Als je op de duikplank klom, zag je in de verte de lichtjes van het ijsbaantje op het Museumplein. Maar Janna keek alleen naar hem, haar cavalier. Eindelijk gevonden. Eindelijk liefde. God, wat was ze gelukkig…

Witte kool? stamelde Janna, gewikkeld in haar handdoek. Maak maar zonder mij. Ik ben laat vanavond. Godelieve en ik zijn gaan zwemmen. De fysio zegt dat mn rug sterker moet. We hebben een abonnement genomen. De kool komt morgen wel. Sorry, Godelieve roept, doei!

Ze hing snel op, slikte, moest Godelieve meteen waarschuwen zodat Edgar niet stiekem haar ging bellen!

Ze wachtte tot Godelieve opnam, begon fluisterend te ratelen over het zwembad.

Janna, ik heb trouwens karwijzaad voor je meegenomen voor de kool straks. Kocht het op de markt, dacht, laat ik binnenlopen. Edgar had al de waterkoker opgezet, antwoordde Godelieve kalm. Karwijzaad… herhaalde ze, alsof ze haar verstand verloor.

Janna beet op haar lip, keek over haar schouder naar Maarten. Die stond nu op de duikplank, flexte zn spieren, en bereidde zich voor op een sprong. Beneden stonden meisjes giechelend naar hem te kijken.

Nou, kleintjes? Een, twee, drie! klonk zijn stem, hij dook in het water, plonsde er soepel in, zwaaide naar Janna. Janna, kom erbij! De avond begint pas!

De meisjes keken haar aan, en ineens voelde Janna zich weer doodgewoon, wat buikje, slappe bovenbenen. Ze zwom klungelig als een kikker, sloeg onhandig met haar armen, en trok een lijdende grimas.

De nieuwe kleine meiden van Maarten speelden nu waterpolo om hem heen, doken onder, probeerden hem stiekem aan te raken.

Maarten lachte, leek het nauwelijks erg te vinden toen Janna ineens weg was. D’r zullen wel dingen spelenzaken, gezin, witte kool… Laat maar!

… Het was donker in de hal, ook in de kamer, alleen het licht in de keuken brandde.

Edgar zette een pan met een gebakken ei op tafel.

Trek, zeker, van het zwemmen? Hier. Wil je wat worst erbij? Hij schonk grote mok thee in.

Janna schudde haar hoofd. Ze durfde Edgar niet aan te kijken, prikte snel in haar ei.

Weet hij het nou? Wat nu? Waarom is hij zo kalm?

Janna… begon Edgar na lang zwijgen. Godelieve bracht zo net spullen. Ze wilde weer gaan opruimen, maar dat heb ik geweigerd. Onzin. Jouw keuken. Ze zei dat die tassen van jou zijn Maar hoe dan?

Janna tilde langzaam het kleed op, keek naar de plastic zakken, haalde haar schouders op.

Dacht ik ook. Rare twist. Geef mij ook maar een kop thee. Of wacht, doe toch maar cognac. Ben er wel aan toe.

Janna stond meteen op, liep naar het kastje, bevroor ineens.

Kleine meid, hoorde ze haar man zeggen; direct keek ze om, zocht zijn ogen. Ik bedoel: er liggen kruimels op tafel, veeg die even weg. Mieke brokkelt altijd zo met dat brood. Haal maar even een doekje, sprak hij, keek haar zwaar aan vanonder zijn wenkbrauwen, en wendde zich af.

Ze dronken cognac. Stilzwijgend, hun blikken vermijdend.

Op een gegeven moment stond Edgar op en vertrok naar de slaapkamer.

Godelieve, begrijp je, hij is gewoon weg! Heeft zijn jas aangetrokken, sleutels op het dressoir gelegd. Godelieve! Janna snikte in de telefoon, keek naar haar eigen verwrongen gezicht in de spiegel, hoe lelijk die Kleine Meid nu was geworden, die nog drie uur geleden vrolijk baantjes trok met Maarten. Haar haren roken nog naar chloor en haar rug deed pijn. Godelieve! Hoe kon hij? Doen echte mannen zoiets? Hij heeft Mieke en mij gewoon achtergelaten!

Janna werd boos, balde haar vuist, sloeg op tafel.

Precies als een echte vent, Janna. De meeste mannen zouden je iets aan doen. Edgar is gewoon vertrokkenuit zijn eigen huis. En jij praat nog over hem?! Godelieve snoof. Ik heb me altijd afgevraagd waarom het bij jullie niet werkte. Jullie hebben geld, Mieke groeit goed op, Edgar drinkt niet, hij is handig. Zwijgzaam, ja. Maar beter dat, dan dat hij altijd de kroeg indook. Jij wilde gewoon een filmlevenen jij zegt ook nooit iets liefs, Janna. Geef hem eens een compliment en je krijgt alles terug. Maar je doet het niet. Dus, sorry, steun ga je bij mij niet vinden. Welterusten.

Janna legde haar telefoon neer, boog zich over tafel, huilde zachtjes…

Mieke haalde haar tentamen, ging naar vrienden op de Veluwe, liet een briefje voor haar moeder dat die haar niet moest bellen.

Maarten dook een week later weer op, stond in de schaduw te wachten op Janna bij haar flat.

Hé, Kleine Meid! siste hij met een vuurrood gezicht in zijn leren jas. Heb je me gemist?

Janna had hem geprobeerd te bellen, te huilen, maar hij reageerde niet; daar was hij dan ineens

Maarten… Wat doe jij hier?

Ik wil je even helpen, Kleine Meid. Tijd om wat terug te krijgen. Jij voedde ik, stond je bij nu heb ik zelf hulp nodig. Geef me geld, hup! Ik zit klem, jouw moeders flat brengt minstens vierhonderdduizend euro op. Laten we hem verkopen. En deze woning ook. Kom, laat me binnen, we bespreken het.

Kleine Meid slaakte een gil, probeerde zich los te wurmen, maar Maarten hield haar stevig vast, en ze strompelde op trillende benen in de richting van de deur. Niemand in het trappenhuis.

Wat nou, Kleine Meid? Open, ik ben bevroren, duwde Maarten haar naar binnen.

Janna huilde, zakte door haar knieën, toen liet Maarten haar ineens los, spartelde met zijn hoofd in de lucht en stortte opzij neer.

Boven hem torende Edgar, zonder jas, verward, kwaaiig. Zijn vuisten trilden.

Wegwezen! Opkrassen! Voor je botten breekt! blafte hij, rende op Maarten af, maar Janna hield Edgar tegen, trok hem weg.

Maarten lachte schamperzie je wel, Edgar heeft nu de hoorns. Maar toen Edgar hem een flinke klap verkocht, werd het stil.

Wegwezen! Laat je hier nooit meer zien bij Jannie! bulderde Edgar, raapte zijn gevallen muts op, veegde zijn neus af en keek Janna aan. Kom mee naar huis. Koud hier.

Wat er die nacht tussen hen besproken werd, weet slechts de maan die in het venster stond en de wind door het kierende raam. Twee kopjes lauwe thee op tafel, de pendule tikte. Toen doofde het licht, en waren daar alleen zijman en vrouw, die besloten om nog een poging te wagen…

Niemand heeft Janna ooit nog Kleine Meid genoemd. En als iemand het zou doen, schrok ze en keerde zich af.

Maarten keerde nooit meer terug. Met haar werd het nietsEdgar was te vasthoudend.

Na een busrit hoorde Maarten Janna over haar moeders huis praten, dat ze niet meer wist wat ze ermee aanmoest, dat ze doodmoe was en ongelukkig. Hij zag kans de situatie op te lossen: Jannas huis, haar eenzaamheid. Als hij een en ander netjes had gespeeld, had hij naar eigen inzicht kunnen vertrekken, alles meegenomen. Hij had haar immers getemd, gevoed, verwarmd. Maar hij haastte zich, schuldeiser Igor drong aan, brandwonden op zijn ribben. Hij moest forcerenmaar het lukte niet. Ach, er zijn meer kleine meiden, droevig, onvervuld. Maarten zal ze vinden, gelukkig maken, en meenemen wat hij wil.

Voor nu moest hij zijn chique appartement met uitzicht op de Zuidas verlaten, zijn zijden lakens achterlaten. Maar Maarten redt zich weltenzij Igor anders beslist.

Please rate
Bagattia News
Kleintje