De Huurster

DE HUURDER

Op een vroege winteravond wandelt een lange vrouw over de stoep van een rustige wijk in Rotterdam. Het is nog redelijk licht buiten en de avond trakteert op heerlijk weer. De vorst is mild en de zon heeft de hele dag stralend aan de hemel gestaan. Nu glanzen de laatste zonnestralen in de witte, glimmende ijskristallen op de stoep terwijl de zon langzaam ondergaat.

De vrouw geniet van het weer terwijl ze in een rustig tempo loopt. Ze is een imposante verschijning, begin zestig, gekleed in prachtige leren laarzen en een weelderige donkerbruine bontjas. Haar gezicht verraadt nog altijd sporen van een oude schoonheid, met een zweem van trots in haar houding. Ze is keurig verzorgd en weet wat ze waard is.

De verliefde, jonge jaren liggen al lang achter haar, maar Wilhelmina van Dijk weet op haar leeftijd nog volop van het leven te genieten. Haar man is tien jaar geleden overleden, een groot verdriet waar ze moeilijk overheen kon komen. Logisch, ze hebben zoveel samen meegemaakt, een goed leven geleid en een prachtige zoon opgevoed.

Haar zoon woont tegenwoordig in Groningen, waar hij is gaan studeren en daarna is gebleven. Hij is getrouwd, waardoor Wilhelmina twee schatten van kleinkinderen heeft, al ziet ze die niet vaak. Haar zoon heeft het druk met zijn werk en kan haar daardoor weinig bezoeken.

Toch blijft Wilhelmina optimistisch. Elke leeftijd heeft zijn charme, vindt ze. Ja, ze is met pensioen en haar zoon woont ver weg, maar dankzij videobellen houden ze regelmatig contact en haar leven is vrij comfortabel. Ze heeft twee appartementen; haar pensioen is bescheiden, maar genoeg om van te leven. Af en toe krijgt ze wat extra euros van haar zoon, hoewel ze daar nooit zelf om vraagt en er altijd een grapje over maakt.

Tijdens de afgelopen feestdagen kwam haar zoon met zijn gezin logeren en schonk haar een koninklijk cadeau: de prachtige bontjas die ze nu draagt. Ze slentert dan ook met opzet wat langzamer door de straat, genietend van haar aanblik. Ze weet dat ze er gezien mag worden als gepensioneerde.

Wilhelmina wandelt echter niet zomaar doelloos rond; ze moet de huur ophalen bij haar bewoners. Van haar twee appartementen woont ze zelf in een ruim tweekamerappartement, terwijl ze het andere, een knusse eenkamerwoning, verhuurt aan een jong gezin. Toen ze het appartement voor het eerst verhuurde, hadden haar huurders nog geen kind, maar nu wonen ze al vijf jaar in het huisje en is de familie uitgebreid met een lief mollig ventje van twee. In haar stijlvolle handtasje heeft Wilhelmina een chocoladereep ingepakt voor het jongetje.

Fatsoenlijke huurders vinden is niet altijd eenvoudig, weet Wilhelmina inmiddels maar al te goed. In het verleden had ze geregeld pech; huur die niet werd betaald, een uitgewoonde woning, of rekeningen die bleven liggen. Door schade en schande wijs geworden, haalt ze nu iedere maand zelf de huur op, inspecteert meteen het huis en houdt alle afrekeningen in de gaten. Al hoeft ze zich hierover met deze huurders eigenlijk geen zorgen te maken; ze zijn jong maar netjes. Vooral Jasmijn, de vrouw, met wie Wilhelmina het meest contact heeft.

Jasmijn lijkt eerder een meisje dan een vrouw, hoewel Wilhelmina, dankzij de kopieën van identiteitsbewijzen, weet dat ze vierentwintig is. Maar haar slanke postuur, lichte huid en heldere blauwe ogen maken haar bijna kinderlijk. Soms kan Wilhelmina nauwelijks geloven dat de mollige dreumes Niklas haar zoon is.

Jasmijn houdt het appartement keurig bij, begroet Wilhelmina altijd vriendelijk en betaalt alles keurig op tijd. Haar man, de andere huurder, spreekt ze nauwelijks. Hij ligt meestal voor de televisie of is niet thuis wanneer Wilhelmina de huur incasseert. Hij bromt wat ter begroeting, maar verder houd hij zich stil. Soms denkt Wilhelmina dat hij wat gedronken heeft, maar ze bemoeit zich er niet mee, zolang de huur en de staat van het appartement maar in orde zijn.

Ze wandelt op haar gemak naar de negen verdiepingen tellende flat en denkt in de lift naar de vijfde verdieping na over het lekkers dat ze voor zichzelf zal halen zodra ze het huurgeld ontvangen heeft. Met dat geld betaalt Wilhelmina haar eigen rekeningen voor gas, water en licht en blijft er genoeg over voor kleine genoegens: een mooi stukje paling, wat schaaldieren, allemaal lekkernijen die zij zichzelf graag gunt, nu sparen niet echt meer hoeft.

Terwijl ze zich afvraagt of het viswinkeltje nog open is, drukt ze op de bel. Ze heeft natuurlijk zelf een sleutel, maar bij nette huurders bel je gewoon aan. Ze houdt ervan iedereen de tijd te geven zich voor te bereiden; ze is niet van plan iemand te verrassen.

Dit keer duurt het langer dan gewoon. Wilhelmina denkt even dat ze misschien niet thuis zijn, als de deur eindelijk opengaat. Het is, zoals gewoonlijk, Jasmijn, maar de aanblik doet Wilhelmina schrikken. Haar gezicht is gezwollen, ogen rood en smal van het huilen, handen trillen.

Jasmijn wijkt in de gang, slaat haar armen over elkaar en probeert zich groot te houden.

Is er iets gebeurd, Jasmijn? Je ziet er niet goed uit. Alles in orde? zegt Wilhelmina, terwijl ze de woning binnenloopt.

Terwijl ze de deur achter zich dichtdoet, vraagt ze zich af of Jasmijn misschien ziek of nog dronken is van oudejaarsavond.

Nee, Wilhelmina, het is niet goed, zucht Jasmijn, terwijl ze met onvaste passen naar de kamer loopt.

Wilhelmina volgt haar. Er is iets mis, de sfeer is vreemd. Overal verspreid speelgoed en kleren. In het midden van de kamer speelt Niklas. De kastdeuren staan open, halve planken zijn leeg.

Jasmijn overhandigt met trillende hand de betalingsbewijzen.

Alles voor gas, water en licht is betaald. Maar dit keer kan ik de huur niet voldoen. Mag ik het je nog even verschuldigd blijven? Niklas en ik vertrekken morgen. We zijn bezig spullen in te pakken.

Jasmijns gezicht vertrekt van verdriet, maar tranen komen er niet meer. Wilhelmina begrijpt nu waarom ze zo opgezwollen is: van het huilen, niet van de drank.

Wat is er toch aan de hand? vraagt Wilhelmina, ongeremd. Wat is er gebeurd? En waar is je man?

Jasmijn zakt door haar benen, verstopt haar gezicht in haar handen en begint schokkend te vertellen.

Ik ben ziek, Wilhelmina. Ik voel me al een halfjaar beroerd steeds moe, geen energie. Maar ik kon niet naar de dokter, want Niklas was altijd bij me. Inmiddels mocht hij naar de crèche. Toen ben ik toch naar het ziekenhuis gegaan. Ze hebben tests gedaan: het is kanker, Wilhelmina.

Jasmijn verstijft, haar schouders schudden, handen voor het gezicht.

Mijn man is direct weggerend. Floris werd kwaad, alsof het mijn schuld was dat ik ziek werd. Hij zei dat hij met een zieke vrouw niet verder wilde en van mij ging scheiden. Zijn tante is aan kanker gestorven en dat heeft hij van dichtbij meegemaakt. Dat wilde hij niet nog eens. Hij pakte z’n spullen en vertrok. En ik? Ik heb echt geen cent meer, Wilhelmina. Ik krijg bijna niks in mijn verlof en alles wat ik nog had, heb ik aan de vaste lasten uitgegeven. Voor de huur is niks meer over. We zijn morgen weg. Geef me een dag om alles geregeld te krijgen.

Wilhelmina kijkt peinzend toe hoe het petieterige meisje ineengedoken zit, terwijl Niklas op de vloer glimlacht. Ze beseft plots dat ze het bezoek aan de viswinkel kan vergeten; van een stukje paling zal voorlopig niets komen. Dat is haar eerste gedachte, maar snel corrigeert ze zichzelf. Wat doet het er toe? Hier zit iemand in uitzichtloos verdriet.

Ze schuift naast Jasmijn op de bank en legt haar hand op haar schouder.

Kijk mij aan, hoor je? Genoeg gehuild. Ja, het is moeilijk en beangstigend. Je man heeft je laten vallen en je hebt een zware diagnose, maar je hebt een zoon. Voor hem moet je sterk blijven. Wat ga je doen? Heb je al een behandelplan? Waar wil je eigenlijk heen?

Jasmijn kijkt Wilhelmina aan maar vertrekt weer het gezicht als het gaat over de volgende stap.

Wat moet ik nog doen? vraagt Jasmijn. Morgenochtend moet ik naar het ziekenhuis voor een biopsie, maar hoe dan? Ik ben alleen. Ik heb niemand voor Niklas. Mijn oma woont in een dorpje, ze is heel oud. Zij heeft me opgevoed. Morgen rijd ik erheen. In het ziekenhuis blijven is geen optie, dus ga ik wel naar het lokale gezondheidscentrum.

Wat heb je daar nou te zoeken? roept Wilhelmina uit. Denk je dat ze daar kunnen helpen? Zo geef je het toch op? Je man denk niet na over zn kind, en nu wil jij Niklas alleen laten?

Welke keus heb ik, Wilhelmina? Mijn oma kan Niklas niet verzorgen. Ik heb geen geld en geen huis om te blijven. Ik moet een paar dagen in het ziekenhuis blijven. Meer niet. Maar waar laat ik Niklas in die tussentijd? Dat kan gewoon niet.

Wat zeg jij nou allemaal? moppert Wilhelmina. Je woont toch niet alleen in de wildernis? Je bent hier in Nederland, er zijn genoeg mensen die je helpen! Ik blijf wel bij Niklas terwijl jij in het ziekenhuis ligt. Ga er morgenochtend gewoon naartoe, ik regel het hier. Maak je over geld geen zorgen, en die huur komt later wel. Ga nu rustig opruimen en probeer wat te rusten, ik ben morgen vroeg terug. Laat me straks even weten waar Niklas naar de kinderopvang moet. Komt goed, echt waar.

Jasmijn kijkt Wilhelmina verbaasd aan. Ze was altijd zo formeel en haar outfits keurig verzorgd, nooit had Jasmijn achter haar een warm hart gezocht. Ze was er stiekem van overtuigd geweest dat Wilhelmina uit haar slof zou schieten nu de huur niet betaald kon worden. Maar in plaats van verwijten, krijgt ze steun die zelfs familieleden niet altijd bieden.

Waarom kijk je zo? zegt Wilhelmina wat bars. Schud jezelf bij elkaar. Het is tijd om door te gaan. Anders ga ik zelf straks ook huilen.

Woorden schieten tekort bij Jasmijn. Ze laat haar hoofd tegen Wilhelmina leunen. Wilhelmina voelt haar keel branden van de emotie, maar houdt zich groot.

Nu ga ik maar, zegt Wilhelmina terwijl ze opstaat. Verzamelen en slapen. Ik ben er om zes uur, akkoord?

Wilhelmina moet alsnog naar de supermarkt, maar niet voor lekkernijen, gewoon voor boodschappen: kip, wat aardappelen, rijst, gehakt. Zij moet immers de komende dagen voor een peuter zorgen. En om zes uur s ochtends klopt ze opnieuw bij Jasmijn aan met volle boodschappentas. Niklas heeft altijd een zwak bij Wilhelmina gehad, en oppassen valt haar dan ook reuze mee. De jongen is lief en gehoorzaam, en ook al mist hij zijn moeder, het loopt allemaal goed. Wilhelmina denkt voortdurend aan Jasmijn. De problemen grijpen haar meer aan dan ze had verwacht; zo jong, zo ziek, wat een pech.

De biopsie wordt uitgevoerd. Twee dagen later is Jasmijn weer thuis, dan breekt het gespannen wachten op de uitslag aan. Als Jasmijn later belt, klinkt haar stem opgelucht en vol blijdschap.

Wilhelmina, het is duidelijk! Stadium één, ze denken dat één operatie genoeg is. Ik heb echt kans om helemaal beter te worden!

Zie je wel! reageert Wilhelmina. Je wilde het bijna opgeven. En jouw man liet je in de steek, maar misschien laat hij nu zijn ware aard zien en ben je beter af. Laat dat rotjoch lekker gaan. En, wanneer vindt de operatie plaats? Want volledig comfortabel zit ik niet in jouw flat. Ik neem Niklas voorlopig bij mij in huis wanneer je in het ziekenhuis bent.

De operatie is pas over een maand, in het ziekenhuis zijn wachttijden. Wilhelmina, zal ik anders naar mijn oma in het dorp gaan? Jij kan het appartement weer verhuren, want gratis wonen dat voelt zo raar.

Hou toch op met dat gedoe! Woon er gewoon en zorg dat je op tijd naar het ziekenhuis kunt. Hebben jullie trouwens voldoende boodschappen, anders haal ik nog wat?

Dat hoeft echt niet, snikt Jasmijn. U doet al zoveel voor ons, ik zal u nooit kunnen bedanken.

* * * * * * * * * * * * * * * *

Anderhalf jaar later.

In het chicste restaurant van Rotterdam klinkt gelach en muziek: het is een feestelijke bruiloft. Wilhelmina in een licht dameskostuum zit naast de bruid op een ereplaats. Veel gasten denken dat ze Jasmijns moeder is. Ze voelt zich ook zo, alsof ze haar dochter uitzwaait.

Haar mooie Jasmijn, in witte jurk met tiara op het volle haar, straalt van geluk én gezondheid. Vandaag trouwt ze met haar arts, de jonge dokter die haar destijds opereerde. Toen deze man haar destijds behandelde, twijfelde ze aan zijn ervaring; ze had liever een oudere dokter gehad, maar ze had geen keuze. Achteraf begon hij haar steeds vaker aandacht te schenken, voorzichtig, want Jasmijn was schuw en vertrouwde na Floris verraad niemand meer. Alleen bij Wilhelmina voelde ze zich veilig.

Eerst was er de operatie, daarna testen en revalidatie. Pas na een halfjaar kon Jasmijn weer werken en vanaf dat moment wilde ze Wilhelmina weer huur betalen, maar Wilhelmina zag haar inmiddels als familie. Hoe kun je van je eigen ‘dochter’ nog geld aannemen?

Nu zijn Jasmijn en Niklas verhuisd naar het huis van de jonge arts. Wilhelmina zoekt een nieuwe huurder, maar iedereen ziet dat de dokter echt van Jasmijn houdt. En ze leven goed. Zon bruiloft is niet goedkoop!

Wilhelmina schuift ongemerkt een schoteltje met verse paling naar zich toe. Ze houdt ervan, naar waarheid gezegd. Ze glimlacht bij de gedachte aan hoe ze zichzelf die traktatie destijds niet gunde. Ze heeft zich zelfs daarna nog vaak moeten inhouden, tot Jasmijn opnieuw werk had. Maar wat zijn dergelijke materiële dingen vergeleken met wat Wilhelmina heeft gekregen? Ze heeft, op haar oude dag, zomaar ‘bijna een dochter’ gekregen. Haar zoon woont ver weg, maar nu zijn er Jasmijn en Niklas. Die zal ze nooit meer kwijt raken.

Emotioneel worden is niet Wilhelminas stijl, maar ze houdt het moeilijk droog wanneer Jasmijn opstaat om een toast uit te brengen.

Ik wil graag iets zeggen over een heel bijzonder iemand, zonder wie deze bruiloft er niet was geweest, klinkt Jasmijns schorre stem. Ze slikt en in haar blauwe ogen schittert een traan. Wilhelmina, u bent voor mij als de moeder die ik nooit heb gehad. Dank u wel, dat u bestaat. Dat ons pad elkaar heeft gekruist.

Please rate
Bagattia News
De Huurster