Bas werd eruit gezet. Alweer. Voor de derde keer in zijn korte leven. Het geluk was hem niet gegund.
Hij was pas net één jaar oud, en toch hadden drie gezinnen hem alweer weggedaan. Of beter gezegd, steeds opnieuw doorgespeeld. Tot het moment kwam.
Toen werd hij zonder veel woorden naar buiten gedragen, weg van de flat aan de Herengracht. Even verderop, bij een grote groene container vol met afval, verdween hij met een vage zwaai. Zodat hij de weg naar huis niet meer zou terugvinden. Maar Bas zocht niet.
Hij begreep alles, meteen. Het stond in het gezicht van de man geschreven. Zijn vrouw had zich enorm geërgerd toen Bas de nieuwe leren bank had gekrast.
Een dure, van een maand salaris, gekocht bij de Bijenkorf. Daarna was het snel beslist. En de man? Die ging altijd overal in mee.
Met een zucht klemde hij de rossige kater onder zijn arm en liep richting het afval bij het speeltuintje aan het einde van de straat. Bas was niet eens weggelopen, niet proberen terug te keren. In de blik van de man herkende hij het oordeel.
Tevergeefs. Niet eens een afscheid geen streling, slechts een harde hand. Geen vergeving. Gewoon wegzetten alsof je een lege vuilniszak achterlaat.
Bas liet zijn snorharen hangen en begon scharrelend in het afval te zoeken naar iets eetbaars. Met zijn tanden pelde hij koude stukjes kip van een botje. Daarna hijgde hij en zette zich neer naast de groene container in het vroege licht. De zon scheen laag over de grachten.
Hij kneep zijn ogen tot spleetjes, maar wende niet het gezicht. Het licht gaf een warme gloed, een vriendelijkheid waar hij naar verlangde.
Deze stralen, zei men, waren het afscheid van de zomer, herfst, zelfs wat winterzon. Een moment van zachtheid. Maar in de ziel van Bas viel de dooi uit elkaar; er ontstond een barst van kou.
De avond daalde neer over Amsterdam. De regen sloeg tegen de stenen, de wind gierde over het Rembrandtplein.
De rossige kat rilde. Hij wist niet waar naartoe, hoe te schuilen, en dus kroop hij in een grote hoop dor blad onder een kale kastanjeboom. Hij rolde zich op tot een warme bal, zijn lijfje bibberde van de kou. Toch terwijl de natte sneeuw in zijn vacht stolde werd hij langzaam warm. Het bibberen hield op. In zijn kopje sprak een zachte stem.
Slaap maar, slaap… laat het los. Word niet meer wakker.
De warmte sloop zijn bevroren kattenlijfje in. Zo simpel was het: gewoon opgeven en alles zou voorbij zijn. Geen honger meer, geen verdriet.
Bas slaakte een diepe zucht en gaf zich over. Waarom vechten? Waarvoor?
Want morgen kwam opnieuw die kou, die honger, dat verlangen om de ogen te sluiten en nooit meer te openen.
De straatlantaarns langs de Spiegelgracht sprongen aan, hun licht flakkerde door de bomen. Voor de laatste keer opende Bas zijn ogen en keek. Zo vaak had hij deze lichten bekeken vanuit het raam. Maar nu? Rossige ogen vingen het laatste gouden licht van de dag.
Net dat straaltje viel op en werd opgemerkt door een rossig meisje. Ze liep met haar vader, diep weggedoken in haar jas. Ze trok aan zijn mouw.
Papa, daar! Daar, bij die bladeren, is iets!
Nee joh, snauwde haar vader bibberend. Kom op, naar binnen nou. Ik ben ijskoud.
Maar het meisje trok zich los en liep naar de grote, donkere hoop bladeren. Ze wroette en vond hem de rossige kater.
Papa! riep ze uit. Hier is hij!
Wie? vroeg haar vader, verbaasd.
Basje! antwoordde het meisje, en probeerde het bevroren lijfje op te tillen.
Laat toch, bromde haar vader. Die leeft niet meer. We nemen toch geen dode kat mee naar huis?
Hij leeft wel! zei het meisje met haar typisch Noord-Hollandse accent. Ik weet het, ik zag het licht in zijn ogen.
Licht in een kat? Je fantasie slaat op hol, mompelde haar vader.
Toch was hij nieuwsgierig genoeg om dichterbij te komen. Hij bukte, tilde het kleine lichaampje op en vreesde het ergste wachten tot er géén hartslag meer voelbaar was.
En Bas, die wilde zó graag slapen. Zijn ogen plakten dicht, zijn lijfje werd warm. Vanuit de verte drong de kinderstem tot hem door.
Het licht, papa. Het was echt.
Waarom lieten ze hem niet gewoon rusten? Waarom nu weer storen?
Met moeite opende hij zijn ogen, turend in het donker. Toch iemand die hem nu weer dwars zat…
Zie je! klonk de stem van het meisje. Kijk, nog een keer! Het licht!
Het zal wel, zei haar vader, maar gaf toe, trok zijn jas uit en wikkelde Bas in warme stof. Samen liepen ze naar huis.
Het meisje holde naast hem, duwend tegen zijn been. Toe, pap. Haast je … hij heeft het koud!
In het trappenhuis klonk het geluid van hun voetstappen. Even later was het licht op de vijfde etage aan.
Bas badend werd in warm water, melk verwarmd op het fornuis, een zachte hand door zijn natte vacht. Het meisje, haar haar als een herfstblad, hield nooit op met smeken:
Niet doodgaan… alsjeblieft, Bas.
Het ijs smolt van zijn vacht en misschien, heel voorzichtig, ook in zijn hart.
De rossige kater staarde verwonderd naar het zorgzame tweetal. Hij was weer wakker, en voor het eerst sinds lang voelde hij zich écht warm.
Die warmte kwam niet van een radiator, maar van een klein meisjeshart.
Buiten aan de overzijde, bij het donker van de gracht stond hij, die af en toe een hand uitsteekt naar wie het nodig heeft. Zijn blik gericht op het licht van die vijfde etage.
Alles wat ik kan… alles wat ik kan, mompelde hij.
Even dacht hij na, toen voegde hij eraan toe: Licht niet iedereen weet het te zien. En nog minder weten het te bewaren.
Bas, kijkend naar het rossige meisje, dacht niet aan vergankelijkheid of grootsheid. Zulke dingen zijn voor mensen. Zijn wereld was eenvoudiger.
Hij zag licht. Licht, alleen voor hem, in haar ogen.







