Sorry, jongen.
Dit is het verhaal van een probleemgezin, zoals men dat hier wel noemt. Een moeder voedt haar zoon alleen op, de vader is al vertrokken toen de jongen nog geen jaar oud was. Nu is haar zoon inmiddels 14, zijzelf 34. Ze werkt als administratief medewerker bij een klein bedrijfje in Haarlem.
Het afgelopen jaar leek alles uit elkaar te vallen. Vlak tot en met groep 7 haalde haar zoon prima cijfers, maar daarna zakte het steeds verder af. Alleen het enige wat ze hoopte, was dat haar Martijn z’n vmbo zou halen en daarna gewoon een vak zou leren!
Het was een constant gezeur van school: weer zon briefje van de mentor met graag even contact opnemen, en dan op het gesprek met andere docenten erbij die allemaal hun zegje deden over alles wat Martijn verkeerd deed, hoeveel hij achterliep Ze kwam altijd verslagen en gefrustreerd thuis, met het gevoel alsof ze er helemaal niets aan kon veranderen. Haar eigen adviezen kreeg Martijn zwijgend en nors aangehoord. Huiswerk deed hij niet, helpen in huis al helemaal niet.
Ook vandaag kwam ze thuis en was het weer een zooitje in zijn kamer. Die ochtend had ze nog heel duidelijk gezegd: “Als je straks uit school komt, eerst even de boel opruimen!”
Met een diepe zucht zette ze de waterkoker aan en begon ze, tegen haar zin, de boel weer op orde te brengen. Toen ze het stof afnam, zag ze ineens dat de grote kristallen vaas, haar trots, een cadeau van haar vriendinnen voor haar verjaardag – iets wat ze zichzelf anders nooit had kunnen veroorloven! – nergens meer te bekennen was. Ze verstijfde. Had hij die meegenomen? Verkocht?
De ene zwarte gedachte na de andere schoot door haar hoofd. Was het haar zoon, of waren het die jongens bij wie ze hem laatst zag hangen? Dat waren geen fijne types, had ze meteen gevoeld. Wie zijn dat? had ze nog gevraagd die keer, waarop Martijn alleen maar mompelde en uit zijn blik sprak duidelijk: bemoei je er niet mee!
O, als die jongens hem maar niet op het verkeerde pad zetten! dacht ze radeloos. Wat als hij aan het roken is of erger? Ze holde de trap af, de Haarlemse straat op, maar het was al donker en op straat haastten wat mensen zich naar huis.
Langzaam liep ze weer terug. Eigen schuld, dacht ze. Had ik hem maar niet zo afgeblafd! Het is voor hem ook niet fijn thuis, ik begin de dag al met hem wakker schreeuwen en blijf ‘s avonds maar tegen hem razen… Wat voor moeder ben ik eigenlijk? Tranen stroomden over haar wangen. Uiteindelijk begon ze grondig op te ruimen; stilzitten lukte gewoon niet.
Achter de koelkast vond ze opeens een oude Telegraaf. Toen ze die weg trok, hoorde ze glas rinkelen. Tussen de krant zaten de scherven van de vaas, keurig erin gewikkeld…
Dus hij heeft m kapot gemaakt, dacht ze ineens en moest weer huilen. Maar deze tranen waren van opluchting. De vaas was niet gestolen, niet verkocht gewoon verstopt. En Martijn, haar arme jongen, is nu natuurlijk te bang om naar huis te komen. Maar ineens realiseerde ze zich: het is geen stomme jongen! Ze stelde zich voor hoe boos ze zou zijn geweest als ze eerder de scherven had gevonden Ze zuchtte diep en ging eten koken. Ze dekte mooi de tafel, legde servetten neer en zette alles klaar.
Het was al bijna middernacht toen haar zoon thuiskwam. Hij bleef stil in de deuropening staan. Ze liep meteen op hem af: Martijn! Waar bleef je nou zo lang? Ik heb me dood zitten wachten op je, ben je niet koud geworden? Ze pakte zijn kille handen tussen de hare, drukte een kus op zijn wang en zei: “Ga snel je handen wassen, ik heb jouw lievelingseten gemaakt. Verbaasd liep hij naar de badkamer.
Toen hij terugkwam en naar de keuken wilde gaan, zei zij: Kom maar, ik heb in de woonkamer alles klaar gezet. Hij liep naar binnen, waar alles spik en span was, en ging ongemakkelijk aan tafel zitten. Eet maar, jongen, zei ze zachtjes. Wanneer had zijn moeder hem voor het laatst zo toegesproken? Martijn keek naar zijn bord maar raakte niets aan.
Waarom eet je niet, lieverd?
Hij keek op, zijn stem trilde: Ik heb de vaas stuk gemaakt.
Ik weet het, jongen, antwoordde ze. Geeft niks joh, alles gaat wel eens kapot.
Plots begon Martijn te huilen, zn hoofd boven het bord. Ze sloeg haar armen om zijn schouders en snikte zachtjes met hem mee. Toen hij wat gekalmeerd was, fluisterde ze: Sorry, jongen Ik schreeuw te veel tegen je, ik ben soms zo moe, het valt niet mee alleen. Ik zie heus wel dat je niet dezelfde kleren aanhebt als je klasgenoten. Het is druk, ik neem vaak werk van kantoor mee naar huis Vergeef me, ik zal je nooit meer zo behandelen.
Ze aten verder zwijgend en gingen daarna rustig slapen. En die volgende ochtend, hoefde ze hem niet wakker te maken Martijn was zelf al op. Toen hij de deur uitging om naar school te gaan, zei ze voor het eerst niet kijk uit, hè! maar gaf hem een kus op zijn wang en fluisterde: Tot vanavond!
Toen ze die avond thuiskwam, was de vloer gedweild en had haar zoon zelf aardappeltjes gebakken. Vanaf die tijd sprak ze thuis nooit meer over school of cijfers. Als zij al buikpijn kreeg van die ouderavonden, hoe moest dat dan voor hem zijn?
Op een dag zei Martijn ineens dat hij, ondanks alles, tóch naar de havo wilde. Ze liet niet merken dat ze twijfelde. Stiekem keek ze eens in zijn agenda geen enkele onvoldoende meer.
Maar de mooiste dag was de avond dat na het eten, terwijl zij de rekeningen uitsmeerde over tafel, Martijn links van haar kwam zitten en zei dat hij zou helpen rekenen. Na een uurtje merkte ze ineens dat hij zijn hoofd tegen haar schouder legde.
Ze verstijfde even. Toen hij klein was, zat hij altijd zo bij haar; moe, koppie tegen haar arm, soms ook in slaap vallend Nu wist ze: haar zoon was echt weer thuis.







