Mijn man kwam thuis als een ander persoon

Man teruggekeerd niet de juiste

Heb je brood gekocht?

Hij keek me aan alsof ik in een onbekende taal sprak. Niet onbegrijpelijk, maar met zon vreemde, lange pauze, die totaal niet normaal was in ons gewone, rustige leven.

Wat voor brood? zei hij eindelijk. Niet vragend, maar vaststellend. Zonder enige intonatie van een vraag.

Gewoon, volkoren. Van de bakkerij aan het Stationsplein. Je haalt het daar altijd.

Hij zette zijn tas op de vloer, keek om zich heen in de keuken alsof hij er voor het eerst kwam.

Ik ben niet in de winkel geweest.

Ik knikte, draaide me om naar het fornuis. Niks bijzonders, hield ik mezelf voor. Gewoon moe. Hij was een week weg voor een seminar in Groningen, hotelkamer, vreemd eten, andere lucht. Natuurlijk is hij moe.

Maar hij haalde áltijd brood na thuiskomst. Zeventien jaar, zelfs al was hij maar een nacht weg, liep hij na thuiskomst altijd via de bakker op de hoek. Niet omdat het afgesproken was, maar het hoorde gewoon bij het thuis zijn, bij zijn manier van terugkeren.

Ik roerde de soep om en zei verder niets.

Hij heet Geert. Ik ben Marije, ik ben achtenvijftig, hij eenenzestig. We wonen in Amersfoort, een driekamerappartement op de vierde verdieping, gekocht in 1999, toen onze dochter Linde nog klein was. Linde is al jaren de deur uit, woont in Amsterdam, belt elke zondag. Ik werk in de schoolbibliotheek, Geert is drie jaar met pensioen, maar geeft nog bijles bouwkunde op het roc. Ons leven is rustig, gelijkmatig, weinig conflicten. Dat is belangrijk om te begrijpen. Er was niks bijzonders dat zomaar verklaart wat er hierna gebeurde.

Bij het avondeten was het stil. Hij at voorzichtig, keek naar zijn bord. Ik dacht ieder moment dat hij iets zou vertellen over zijn reis, collegas, de kapotte lift, hoe hij snakte naar huisgemaakt eten. Hij vertelde áltijd iets na thuiskomst.

Hoe was het in Groningen? vroeg ik.

Gewoon.

Seminar goed gegaan?

Ja.

Ik legde mijn lepel neer.

Geert, gaat alles wel?

Hij keek me aan, gewone, grijze ogen, alleen een beetje moe.

Alles goed. Gewoon moe.

Ik ruimde de tafel af. Hij schoof naar de woonkamer met zijn telefoon, alsof alles normaal was, alsof er niets gebeurd was. Maar er was geen brood. Geen gesprek. En ook nog iets anders, waarvoor ik geen naam had.

De eerste nacht schoof ik het af op vermoeidheid. De tweede ook.

Op vrijdag, de derde dag, viel me pas echt iets vreemds op.

Ik zat met een kop koffie bij het raam, keek naar de binnentuin. Geert kwam uit de badkamer, liep naar de keuken om water te pakken. Hij nam een pot boekweit uit de kast, opende hem, rook eraan en zette hem terug. Ik zei niks, maar Geert eet nooit boekweit. Nog bij onze kennismaking grapte hij dat boekweit het saaiste was dat er bestaat, uitgevonden door mensen zonder fantasie. We lachten erom. Ik kookte voor hem rijst, gerst, gierst, alles, maar boekweit raakte hij niet aan.

En nu pakte hij hem en rook eraan. Alsof hij wilde proberen.

Heb je ineens zin in boekweit? vroeg ik luchtig.

Nee, antwoordde hij, en liep terug.

Lang bleef ik naar die pot kijken.

Zaterdag belde Linde.

Is papa al thuis? vroeg ze.

Sinds woensdag.

En, hoe is het met hem?

Ik aarzelde een seconde. Heel kort.

Moe van de reis. Alles goed.

Fijn. Mam, in oktober komen Sjoerd en ik even, is dat goed?

Natuurlijk, kom maar, gezellig.

Ik zei maar niks. Wat had ik moeten zeggen? Dat papa geen brood haalde en aan boekweit rook? Klinkt toch nergens naar.

Maar diep vanbinnen wist ik al dat er iets niet klopte. Niet met mijn verstand, maar ergens tussen mijn ribben, dat het me waarschuwde.

Op zondag stelde ik een wandeling voor. We gingen soms samen naar het Park Randenbroek, niet altijd, maar vaak. Hij hield van het bankje bij de vijver, kocht soms een bekertje karnemelk bij het kiosk als die open was, mopperde wat over zijn rug en ik grapte over ochtendgymnastiek. Een vaak herhaald ritueel, een van de velen.

Zullen we naar het park? zei ik.

Hij keek op van zijn telefoon.

Welk park?

Randenbroek. Het is mooi weer.

Hij dacht even na. Dat was vreemd, normaal zei hij direct nu, even mijn jas.

Goed, zei hij uiteindelijk.

We liepen zwijgend. Ik forceerde niks, keek alleen. Hij keek rustig om zich heen, zonder speciaal interesse, maar ook zonder die ontspannenheid van een zondagswandeling. Meer als iemand die voor het eerst ergens loopt en probeert de route te onthouden.

Bij de ingang stond een oude man met een hond, een bruine, dikke cocker spaniel.

Kijk, Sjors, zei ik zacht. Zo noemden we sinds acht jaar geleden alle mollige spaniels, naar de hond van onze voormalige buurvrouw, mevrouw de Vries.

Hij keek naar de hond, geen enkele reactie.

Sjors, zei ik, nu zachter.

Leuke hond, zei hij neutraal.

Even later stopte ik bij een rozenstruik, deed alsof ik de bessen bekeek. Mijn hart klopte veel te snel voor zon rustige wandeling.

Hij herinnerde zich Sjors niet. Of deed alsof. Maar waarom zou je dat doen?

Bij de vijver hadden ze het kiosk al opgeruimd, einde zomer. Geert zat op het bankje, keek naar het water.

Het is fijn hier, zei hij.

We komen hier al tien jaar, weet je nog?

Hij knikte kalm.

Ja. Ik zeg alleen dat het hier fijn is.

Iets in mij trok toen samen en kwam die dag niet meer los. Pas s nachts begreep ik waarom hij zei niet ja, logisch of natuurlijk. Hij zei ja alsof hij beaamde dat het regende in oktober.

Lang lag ik wakker. Dacht aan hoe het heet, wanneer iemand lichamelijk aanwezig is, maar innerlijk verdwenen. Ik herinnerde me vaag dat nabije mensen enorm veranderen kunnen na stress of een schok, zo erg dat ze vreemden lijken. In de psychologie kent het een naam, die ik niet meer wist. Maar dit was geen stress het was gewoon een week seminar in Groningen.

Om drie uur stond ik op, dronk wat water, keek uit het raam op een lege binnenplaats, het straatlampje knipperde. Ik dacht: oké. Afwachten. Misschien iets anders op zijn werk of in dat hotel, misschien is hij overprikkeld. Dat gebeurt als je ouder wordt, je weet nooit wat je overvalt.

Ik kroop weer naast hem, hij sliep diep, rug naar mij toe. Heel zacht legde ik mijn hand op zijn rug, zoals altijd. Geen reactie.

Maandag belde ik mijn vriendin Nienke. We zijn bevriend sinds de lerarenopleiding, ze werkt als balie-assistent in het ziekenhuis aan de andere kant van de stad. Nienke is recht voor haar raap, en daar houd ik van.

Nien, kan ik langs komen?

Is er iets?

Weet ik niet. Misschien niks. Ik moet even praten.

Kom om vijf uur maar.

Bij Nienke rook het altijd naar appeltaart, ook als er niks in de oven stond. We zaten aan de keukentafel, zij schonk thee, ik vertelde. Over het brood, de boekweit, Sjors, en zijn ja bij de vijver.

Nienke luisterde en zweeg.

Marije, het kan van alles zijn beetje depressief, of beginnend geheugenverlies. Jullie zijn geen twintig meer.

Hij is een-en-zestig, Nien.

Jeroen van nummer 15 had bij tweeënzestig precies hetzelfde. Kan zomaar.

Geert was nooit vergeetachtig. Hij wist alles eerder dan ik.

Alles verandert.

Ik keek naar mijn kopje.

Het voelt niet als gewone vergeetachtigheid. Soms kijkt hij naar mij tja, hoe mensen elkaar aankijken bij de eerste kennismaking als ze beleefd willen zijn.

Nienke brak een stukje cake af.

Heb je wel geslapen?

Niet echt.

Dan zit je jezelf vast te draaien. Wacht nou gewoon een week.

Ik knikte. Ze zal vast gelijk hebben.

Maar die blik op die pot boekweit, dat kleine bewegingetje, spookte als een brok achter in mijn keel.

Geert was thuis, zat aan de keukentafel met papieren. Ik zette water op voor thee, pakte de boodschappen uit. Hij keek niet op.

Ik ben bij Nienke geweest.

Hmm.

Ik heb appeltaart meegenomen.

Hij keek op naar de taart.

Waarmee?

Met appel. Je lieveling.

Appeltaart krijg ik nooit weg.

Ik zette mijn tas stil op tafel. Heel langzaam.

Geert.

Ja?

Je hield van kinds af aan van appeltaart. Je moeder bakte die altijd, zei je.

Hij keek me recht aan.

Mam bakte meestal pruimentaart.

Stilte.

Zijn moeder, mevrouw van Doorn, was twaalf jaar geleden overleden. Ik kende haar goed. Zij bakte appeltaart en altijd een met rozijnen. Dat was haar specialiteit, waar ze trots op was.

Geert, mevrouw van Doorn bakte toch altijd appeltaart, zei ik zacht. Dat weet ik nog.

Kan zijn. Heel lang geleden, haalde hij zijn schouders op en dook weer in zijn papieren.

Ik liep naar de woonkamer, bleef stilstaan voor het raam, en staarde naar de straat met zijn autos, naar de herfst buiten.

Appeltaart. Ik herinnerde me de geur nog, het kleine keukentje, het tafelkleedje met tulpen. Geert wist het wéér beter dan ik. Hij vertelde het vaak, met iets zachts in zijn stem. Hoe vergeet je de geur van moeders keuken?

Ik belde zijn zus, Linda, woont in Haarlem. Ze zijn niet ontzettend close, maar bellen af en toe.

Marij! altijd warm en luid. Hoe is het met jullie?

Goed. Linda, wat bakte jullie moeder ook alweer altijd?

Korte pauze.

Appeltaart natuurlijk. Waarom?

Niks bijzonders. Recept verdwijnt, dacht ik.

Ik legde de telefoon weg. Slappe benen, van een appeltaart nota bene.

Iets met zijn geheugen dan. Misschien neurologisch, zei ik. Moet m maar mee naar de huisarts nemen.

s Avonds vroeg ik:

Geert, heb je de laatste tijd hoofdpijn? Slaap je goed? Zou het niet goed zijn om even naar de dokter te gaan, bloeddruk laten checken?

Hij legde rustig zijn vork neer.

Waarom zou ik?

Gewoon, voor de zekerheid. Je bent lang niet geweest.

Ik meet mijn bloeddruk thuis. Alles prima.

Geert, ik maak me zorgen.

Hij keek me lang aan.

Denk je dat er iets mis is met mij?

Ik maak me zorgen, meer niet.

Marije, ik ben oké. Stop nu maar.

Hij pakte zijn vork weer. Gesprek voorbij. Dat kon Geert goed, met een enkele zin sluiten. Normaal drong ik niet aan.

Nu keek ik naar hem, hoe hij at, zijn houding. Normaal gebruikte hij zijn rechterhand, natuurlijk, want hij was rechtshandig. Maar zijn rug leek iets meer gebogen.

Ik ruimde af en ging naar de badkamer.

Voor het spiegelbeeld stond een vermoeide vrouw met kort, grijs haar en fijne lachrimpels die Geert ooit lacherig noemde want ze waren er van het lachen, niet van het ouder worden. Ik dacht: misschien zit ik dingen te verzinnen. Misschien is het gewoon ouderdom. Mensen veranderen.

s Nachts werd ik wakker door de stilte. Ik voelde naast me koud. Ik stond op. Het licht in de keuken brandde. Hij zat aan tafel te schrijven. Met de hand, wat hij nooit meer deed.

Geert?

Hij keek niet verschrikt op, maar rustig.

Kan niet slapen, zei hij.

Wat schrijf je?

Ach, gewoon wat gedachten.

Mag ik eens kijken?

Hij aarzelde.

Het is privé.

Geert zei nooit zoiets. Nooit in zeventien jaar had hij iets privé genoemd tegenover mij.

Oké, en ik ging terug naar bed.

Hij schreef nog even, kwam later weer naar boven.

De volgende ochtend was het notitieboekje weg.

Ik zocht het. Waarom, weet ik niet, maar ik deed het toch. Zijn lade in de studeerkamer was bijna leeg. Oude bril, een muntje, kladpapier, en verder niets.

Hij had het bij zich gehouden.

Door naar mijn werk in de bibliotheek. Daar is het altijd rustig, de geur van boeken, een beetje stof. Ik wilde weten: wanneer weet je dat iemand fundamenteel verandert? Wat gebeurt er als je iemand zo lang kent, zijn lach, zijn angsten, alles kent en plots schuift er iets, en je weet niet waarheen.

Dat fenomeen noemen ze, herinnerde ik me ineens: psychologische vervreemding. Soms gebeurt het door ziekte, stress, of gewoon het leven. Midlife of ouderdomscrisis, als je met zn tweeën overblijft en ineens niet meer weet wie de ander is.

Maar ik kende Geert. Daar was ik zeker van.

s Avonds stond hij, toen ik thuis kwam, voor het raam in de keuken.

Geert, wat doe je?

Ik kijk gewoon.

Waarnaar?

Naar buiten.

Van Geert had ik zon antwoord nooit verwacht. Hij was altijd bezig, aan het werk, maakte lijstjes, werkte plannen bij. Kijken zonder doel was niks voor hem.

Hoe was je dag?

Gewoon. Lesgegeven.

Hoe zijn de studenten?

Studenten.

Ik probeerde niet door te vragen, haalde kip uit de koelkast, begon te koken.

Vertel eens over Groningen, zei ik.

Wat wil je weten?

Van alles. Waar heb je gelogeerd? Wat heb je gezien?

Hotel. Seminar in het universiteitsgebouw, één excursie naar een nieuw wooncomplex, verder niks.

Bekende collegas gezien?

Ja, wat bekenden.

Was Maarten van Dijk er ook? (Maarten is zijn collega, ze visten samen vorige zomer.)

Van Dijk? Nee, die was er niet.

Hij ging altijd mee op die seminars.

Dit keer niet.

s Nachts stuurde ik zijn vrouw een WhatsApp: Hoi Karin, was Maarten goed terug van Groningen?

Zij antwoordde: Maarten is niet geweest, zat de hele week thuis. Waarom?

Ik typte dat ik me vergist had, niks bijzonders.

Hij weet niet of Maarten meewas. Drie jaar collega, samen gevist en hij weet het niet. Of hij liegt. Maar waarom?

Misschien waren ze gebrouilleerd, misschien was er iets geheims. Of misschien is Geert helemaal niet in Groningen geweest.

Ho, ik ga te ver, dacht ik. Maar het liet me niet los.

Woensdag stelde ik iets voor. De gordijnen zijn toch echt op, zullen we bij Van Loon langs? Een stoffenwinkel, standaarduitje. Geert vond er niks aan, maar het hoorde erbij; daarna altijd een koffiebroodje bij het café ernaast.

Zullen we vandaag?

Waarheen?

Van Loon. Voor gordijnen.

Die zijn oud?

Wordt tijd.

Hij haalde zijn schouders op.

Prima.

In de winkel bleef ik lang naar stoffen kijken, rekte de tijd. Daarna:

Zullen we daarna koffiebroodjes halen?

Waar?

Bij het café naast de winkel. We doen dat altijd.

Hij keek me aan.

Ken ik niet.

Ik glimlachte gemaakt.

Je herkent het zo. Kom maar.

Buiten wees ik het aan, café De Gouden Tulp, dat er al twintig jaar zit.

Kijk daar.

Hij keek ernaar.

Oh. Nooit echt gezien.

Binnen aten we zwijgend.

Alleen toen hij even naar het gele uithangbord keek, bleef zijn blik iets langer hangen. Alsof hij probeerde te onthouden.

Geert, zei ik zacht. Herken je mij?

Hij keek echt verbaasd.

Natuurlijk, jij bent mijn vrouw Marije.

Ja, maar wij samen, weet je, onze herinneringen?

Wat is dit, Marije?

Laat maar. Je bent echt anders de laatste tijd.

Iedereen verandert.

Maar jij zei altijd dat mensen niet veranderen.

Hij zweeg en at verder.

Misschien verander ik wel.

Op de weg terug in de bus dacht ik: de angst voor het niet meer herkennen van je eigen man is geen waanzin. Het gebeurt.

Donderdag, zijn studeerkamer; zonder na te denken trok ik de la open.

Daar lag het notitieboekje.

Ik bladerde erin en schrok. Kleine, nette letters maar niet die van Geert. Altijd slordig, hier bijna sierlijk.

Lijsten: Marije, echtgenote, 58, werkt in bibliotheek, dochter Linde, Amsterdam. Koffie zwart. Gordijnen willen vervangen. Vriendin Nienke, ziekenhuis. Vervolgens: Appeltaart, zogenaamd lieveling. Elke zondag park. Sjors, mopje over de hond. Mevr. van Doorn: appeltaart of pruimen?

Ik voelde de adem uit mijn longen wegtrekken.

Wie schrijft zoiets over zijn eigen gezin? Zo precies? Wie noteert dit om zich iets te herinneren?

Ik deed weer dicht. In de keuken dronk ik snel water.

Eén verklaring: misschien heeft hij geheugenverlies, en probeert dat geheim te houden. Misschien een klap opgelopen? Misschien stiekem? Dan die andere handschrift mensen kunnen ander handschrift krijgen na een beroerte, zeggen ze. Maar dan zouden er meer verschijnselen zijn

Hij kwam om zeven uur thuis. Ik had gekookt, alles netjes. We aten.

Geert, vertel nog eens ons verhaal. Hoe wij elkaar leerden kennen.

Hij keek op, dacht rustig na.

We hebben elkaar ontmoet bij vrienden, op een verjaardag. Jij droeg blauw.

Dat was waar, ik droeg dat blauwe jurkje op Evas feestje in 97.

Toen zijn we elkaar nog een keer tegengekomen en zijn we gaan daten.

En toen?

Getrouwd, Linde geboren, appartement gekocht.

Weet je nog waar je me ten huwelijk vroeg?

Stilte.

Nee, niet precies. Is al zo lang geleden.

Je zei altijd dat je elk detail wist.

Stilte.

Geert, vertel eens, waar was dat?

Lange blik, er is iets in zijn ogen wat ik niet ken.

Marije waarom nu?

Omdat ik wil weten, of je het herinnert.

Ik ben moe. Nieuwe details vallen me moeilijk.

Het was geen detail.

Voor mij wel.

Ik stond op, ruimde de borden af.

We gingen naar de Berkel bij Lochem je droeg pumps en hij droeg mij door de modder omdat het paadje overstroomd was, daar maakte hij zijn aanzoek. Hield altijd van dat verhaal. Dit is niet dezelfde man.

s Nachts appte ik Nienke alles over het schriftje en het aanzoek.

Zij schreef terug: Marije. Je moet naar een dokter. Hij ook. Kan álle kanten op.

Ik lag in het donker. Hij lag naast me, blies zachtjes. Ik dacht aan weg-zijn terwijl je fysiek blijft. Veel moeilijker dan vertrekken.

Vrijdag besloot ik het op tafel te gooien.

Hij zat aan de ontbijttafel met thee.

Geert, ik moet iets bespreken.

Hij draaide zich om.

Ik weet het, zei hij.

Ik stond stil.

Wat weet je?

Dat je iets weet. Je was in mijn kamer.

Ik wachtte.

Ga zitten.

Ik zat. Hij hield de mok in beide handen.

Het is moeilijk uit te leggen, zei hij.

Probeer het eens.

Wat jij denkt, is waarschijnlijk de makkelijkste verklaring. Deels klopt het.

Wat bedoel je?

Dat ik niet alles meer weet. Niet zoals jij. Grote stukken.

Waar begon het?

Weet ik niet. Het kwam langzaam.

Je zei niets.

Ik wist niet hoe.

Daarom hou je een lijstje bij.

Ja.

En je schrijft ineens zo anders.

Hij legde zijn mok stil.

Dat weet ik.

Wat betekent het, Geert?

Hij zweeg, keek naar zijn mok. Ik wachtte.

Geert, ben jij Geert? Mijn Geert?

Hij keek op, voor het eerst diep geraakt. Iets tussen pijn en verwarring.

Marije, ik weet niet hoe ik daar antwoord op moet geven.

Is dat eerlijk?

Zo eerlijk als ik kan.

Buiten regende het zacht op de flatramen.

Wat moet ik hiermee? vroeg ik niet aan hem, aan niemand.

Geen idee, sprak hij zacht.

Ik schonk koffie in, ging aan het raam staan.

Hij kwam naast me. Zachtjes:

Marije.

Wat?

Je stem die herinner ik me, vanaf het begin. Het klinkt altijd zo.

Ik draaide me niet om.

Dat is weinig.

Dat weet ik.

De regen tikte. Iemand toetert buiten, verder stilte.

Ik heb tijd nodig, zei ik.

Prima.

Ik weet niet hoe het nu verder moet.

Ik begrijp het.

Ik draaide me om. Hij keek of hij nog iets wilde zeggen en niet wist wat of niet durfde.

Eén ding, vroeg ik.

Wat?

Wil je hier zijn?

Hij keek weg. Een paar tellen.

Ja, ik wil hier zijn.

Ik keek naar hem, die voor mij stond, die mijn naam kende, notities maakte, niet aan de Berkel dacht, schreef in een vreemd schrift, en toch zijn mok beetpakte precies zoals Geert.

Dan haal je nu brood, zei ik. Volkoren, bij de bakker op het Stationsplein.

Hij knikte, pakte zijn jas, liep naar de deur.

Marije.

Wat?

De Berkel. Wil je dat later nog eens vertellen?

Lang keek ik.

We zien wel.

De deur viel dicht. Ik stond aan het raam met koffie en hoorde zijn stappen over de trap, vier verdiepingen, zestien treden, had ik altijd geteld.

Ik zag hem de binnenplaats oplopen, zijn kraag hoog tegen de regen. Gewoon een man, gewone regenachtige dag.

Op de hoek sloeg hij rechtsaf, richting de bakker.

Ik hield mijn beker vast en wist niet wat ik moest denken of voelen. Alsof er stilte was na jarenlang rumoer, niet per se rust, maar stilte waarin geen antwoorden zijn, maar ook geen reden meer om te doen alsof je die niet zoekt.

Mijn telefoon trilde. Nienke.

Hoe is het nu? vroeg ze direct.

Geen idee.

Heb je gepraat?

Ja.

En?

Ik keek uit het raam. De hoek was al leeg.

Zou jij kunnen leven met iemand die niet zeker weet wie hij is?

Pauze.

Zei hij dat?

Zoiets.

Marije, echt naar de dokter gaan. Dit los je niet op in de keuken.

Ik weet het.

Wat nu?

Ik zette de beker op de vensterbank.

Eerst brood halen, zei ik.

Wat voor brood?

Volkoren. Van het Stationsplein.

Nienke bleef een moment stil.

Je maakt me ongerust.

Alles is goed, Nien. Ik bel zo.

Ik legde de telefoon weg, pakte mijn koffie. Lauw, maar nog steeds goed.

Zestien treden. Altijd geteld.

Twintig minuten later sloeg beneden de voordeur. Zijn stappen op de trap, zestien treden naar boven.

Ik bleef staan.

De sleutel in het slot. De deur ging open.

Hier, zei hij. Volkoren. De laatste.

Ik keek om. Hij stond met natte jas en brood in zijn hand.

Leg maar op tafel.

Hij deed het.

We keken elkaar aan.

Thee?

Ja, graag.

Ik zette het water op. Hij hing zijn jas op. Ging aan tafel zitten. Ik hoorde zijn stilte. Niet bedrukkend, gewoon stil.

Marije, klonk het zacht. Wil je me eens vertellen over de Berkel?

Het water begon te koken, zachtjes, steeds harder.

Ik dacht na.

Nu niet, zei ik na een tijd. Misschien straks.

Goed, zei hij.

Het water kookte verder.

Please rate
Bagattia News
Mijn man kwam thuis als een ander persoon