Het onuitgelezen boek

De ongelezen roman

Nou, Femke, ik ga hoor! Niet uitzwaaien. Ik kom laat thuis! Leg morgen mijn blauwe overhemd en broek vast klaar, vergeet het niet! En haal ze op bij de stomerij! riep uit de hal Hendrik, wierp snel een regenjas om, keek zichzelf kritisch aan in de spiegel, greep zijn hoed en verdween met een klap van de deur.

De deur sloeg zo hard dicht, dat de ruit in het open zolderraam klingelde.

Tocht, dacht Femke van der Els, draaide de kraan dicht, droogde haar handen aan haar schort en keek de keuken uit. Alles zoals altijd de door zon overgoten gang met daaraan grenzende hal, fotos aan de muur, behang in vrolijke streepjes twee brede, twee smalle, zachtblauwe tinten; Femkes regenjas aan de kapstok. En

Ze fronste haar wenkbrauwen.

Het pakje! Haar man was het pakje vergeten, en daar zaten de broodjes in! Ze had vanochtend vroeg opgestaan om ze te bakken, met prei en ei, precies zoals Hendrik het lekker vond. Speciaal gebakken voor vandaag, want Hendrik moest op pad voor werk, en daar was niets fatsoenlijks te krijgen, en huisgemaakt smaakt altijd beter!

Snel schort losgemaakt, kapsel recht gestreken, en zoals ze was in haar eenvoudige huisjurk, korte pofmouwen, en met een koffievlek op de zoom, griste Femke het warme pakketje, drukte het tegen haar borst, als een baby, rende het huis uit gelukkig, sleutels meegenomen, anders sta je mooi bij een dichte deur! en stoof de trap af, haar hand om de gladde, gelakte leuning, die als een slinger naar beneden liep: vierde etage, derde, tweede…

Femke had, zoals zovele buurvrouwen, haar man uit het raam kunnen roepen, hem uitzwaaien als hij het portiek uit liep, maar nee, dat vond ze onwaardig. Nee, ze zou het zelf brengen én afscheid nemen; haar wang aanbieden, zoals altijd, Hendrik zou haar snel kussen, knikken, tijd om te gaan.

Van het snelle lopen werd Femke kortademig, struikelde bijna de binnenplaats op, de deur sloeg dicht achter haar, wat gaf het dat ze niet meer twintig was, maar al negenenveertig? Rennen bleef zwaar.

Haar blik schoot over het plein daar, een gestalte in een grijze regenjas, lichte hoed.

Hendrik hield van lange regenjassen, los zodat de wind met de panden kon spelen, klappend als vleugels, en met hoed. Hendrik had er vele, voor elk seizoen één. Femke poetste de hoeden, kocht nieuwe als het nodig was, verzorgde ze.

Een hoed, dat is klasse! zei Hendrik altijd als hun zoon Mart, vernoemd naar zijn opa, lachte om vaders stijl. Jullie jongelui begrijpen dat niet, alles synthetisch en namaakleer!

Waar bleef hij nou?

Daar liep hij al net de poort uit, dook de zonovergoten, rumoerige straat in. Wachtte Femke niet, dan zou hij zo in de bus zitten en dan…

Ze rende over de stoep, groette haastig de oude buurvrouwen, die met hun breiwerk in de zon zaten te genieten. Ze volgden haar met hun ogen, glimlachten, alsof ze blij waren met haar zorgzaamheid, haar huiselijke geluk.

Wat is er, Fem? vroeg oude Truus naar Femkes magere rug.

De lunch! Hendrik vergat het, en ik heb net broodjes gebakken! riep Femke terug.

Truus knikte goedkeurend, glimlachte: broodjes, dat is fijn, en liefde nog beter! Heerlijk toch!

Femke stoof de poort uit, wilde roepen, maar… Ze verstijfde, zag haar man bij de bushalte. Haar schouders zakten, het was alsof er plots geen zon meer was en de lucht werd zo zwaar dat ademhalen moeilijk werd. Femke werd licht in haar hoofd, greep de regenpijp vast.

Daar stond Hendrik, al bij de halte, en hield een jonge, wulpse dame bij de arm. Ze lachte, schoudertjes schokkend, terwijl Hendrik op haar neerkijkt en meedoet. Dan duwt zij hem weg, kijkt misprijzend, en Hendrik… buigt zich angstig, bijna slaafs, grijpt haar hand, wil zoenen. De dame, ja Femke dacht alleen dame, trekt haar gave, volle rozerode arm los, geeft bijna een tik, Hendrik gaat recht staan, kwaad wellicht, dacht Femke, maar dan is hij weer hulpeloos, aait haar rug, biedt haar een snoepje aan. Ze lacht, opent haar mondje uitnodigend.

Femke wordt misselijk. Mijn hemel! Hendrik, haar gerespecteerde, volwassen, bijna bejaarde man, kruipt voor zon jonge vrouw!

De dame droeg een zomers jurkje, donkerblauw met witte stipjes, het duizelde je van het motief. In haar haar een lint in dezelfde kleur, een keurige, vakkundig opgestoken coupe, sandalen aan haar voeten.

Femkes blik gleed over haar, sprakeloos wat moest ze nog met het pakketje, die broodjes en… haar leven?

De bus arriveerde, de menigte stroomde naar binnen, Hendrik hielp de stippeldame instappen, de deuren gingen dicht.

Toen de bus aanreed, dacht Femke dat haar man oogcontact zocht met haar. Opeens schaamde ze zich verschrikkelijk om haar huisjurk, versleten sloffen en dat malle pakketje met broodjes.

Sneller dan gedacht draaide ze zich om, liep terug door het hof langs de buurvrouwen in kleurige zomerjurken, haastig, en botste bijna tegen Truus, die nog op haar bankje zat.

Geen tijd gehad? vroeg Truus, wijzend naar het pakketje in Femkes handen. Dat deed die vrouw expres: ze keurde Femkes zorg voor haar man feitelijk af die allesomvattende, warme, zoete zorg.

Geen tijd gehad, antwoordde Femke afwezig.

Zonde. Laat ze maar niet bederven. Ik stuur Henk wel. Je bent toch gewoon thuis vandaag?

Femke schudde vaag haar hoofd.

Mooi zo. Laat hem dan maar komen eten. Broodjes vind hij heerlijk en ik bak nooit, daar heb ik geen geduld voor. Wacht maar af.

Truus sprong op, zwaaide driftig terwijl ze naar een tractor in de straat liep.

Weg hier! Ik meen het, straks zijn mijn petunias weer kapot! Hoe vaak nog?! schold ze tegen de bestuurder. Femke hoorde het niet meer.

Langzaam liep Femke naar haar portiek, verdween in de koele hal. Haar voetstappen klonken luid over de marmeren treden, een zucht vermengde zich met het piepen van de deur en verstomde in de stilte.

Het was gebeurd. Dat was het. Einde gezin, warmte, zekerheid, einde vertrouwen, einde geloof in mensen. Nee, mensen is te abstract. Maar je man… Man betekent iets fundamenteels, degene aan wie je werd toevertrouwd, die je moest beschermen en liefhebben. Wat nu?

Femke liet zich plompverloren op een krukje in de hal zakken, de broodjes vielen uit het zakje. Kat Karel liep op haar af, wreef langs haar benen en miauwde klagend om eten. Femke hoorde, zag, voelde niets meer. Ze stond daar nog altijd, bij de regenpijp, kijkend naar het jurkje met witte stippen en haar draagster. En naar Hendrik. De tranen rolden over haar wangen, gloeiend, zo bitter en vrouwelijk, dat het haast prettig was om even niet rechtop te hoeven zitten, of te glimlachen als een gelukkige echtgenote maar gewoon daar zo te blijven zitten, zichzelf zielig vindend, dragend in haar eenvoudige vrouwelijke verdriet…

Hoe lang ze daar zat, wist ze niet, tot er iemand tegen de voordeur duwde en Karel snel wegschoot.

De niet afgesloten deur piepte, een hoofd verscheen buurman Henk, Truus man. Een vlezige neus, pokdalige wangen, volle lippen, glanzend krulhaar, een vuurrode nek alles aan Henk was… eigenlijk te veel voor het deftige trappenhuis waar ze woonden. Maar Henk hoorde toch bij het ons-soort-mensen een kunstenaar, beetje zonderling, zo zei Hendrik altijd.

Schilder, Femke… zei hij vaak met een theatraal gebaar. En niet zomaar een schilder, directeur van een galerie! Artiesten zijn een beetje gek, anders hadden ze geen talent…

Femke keek onder haar tranen omhoog naar Henks grote, heldere blauwe ogen. Als hij geen kunstenaar was geweest, had hij best dominee kunnen zijn, dacht ze ineens het uiterlijk klopte precies.

Meneer Henk? Bent u dat? vroeg ze verbaasd.

Op wie lijk ik dan? zei Henk met een simpele verbazing. Ik, Femke, ik. Truus zei dat jij wat broodjes over had? En bij ons is de keuken in verbouwing, Truus moet zo nodig een nieuwe inrichting… Henk zuchtte. Al dagen niks te eten, steeds naar de kantine lopen, zo zat.

Hij snufte even, schoof met brede schouders de hal in, bleef staan in het gouden zonlicht op de vloer.

Momentje hoor, ik trek mijn schoenen uit, mompelde hij plotseling plat Haags, woorden verbuigend als een boer. Kleddernat. In een plas gestaan. En mijn sokken ook! zei hij, knikkend naar zn voeten. Femke liet haar blik zakken. Normale voeten, grote maat. Simpele sokken, van de fourniturenwinkel op de hoek, met een streepje in het boord, stevige sokken. Alleen… een gat in de grote teen.

Femke legde Henk’s natte schoenen op het balkon in het zonlicht. Terwijl ze terugliep, rommelde Henk alweer in de keuken.

Fem! Kopje thee, alsjeblieft? Honderd jaar geleden dat ik vers gezette thee met een schijfje citroen heb gehad! Pak aan, buurvrouw! Poef, blij dat ik zit… Hij stak zijn benen uit in de gang, zodat Femke nauwelijks kon passeren.

Komt eraan, ik maak het gelijk… prevelde Femke, zette de waterkoker aan, vergat zichzelf bijna.

Hendrik… haar man… Hoe kon hij zo makkelijk? Net weggegaan en meteen met een ander scharrelen!

Femke bloosde bij de gedachte tot hoever Hendriks geflirt kon reiken.

Nee! Gewoon toeval! Geklets, collegas wellicht. Ze kwamen elkaar gewoon tegen! Je laat het gewoon los, wees zorgzaam, en alles komt goed! hoorde ze haar moeder tegen zichzelf zeggen.

Henk keek plots streng.

Jij toch niet met oude thee aankomen hè? Voor de gast een verse pot. Giet de rest maar weg! pakte hij het porseleinen theepotje op met lichtgrijze bloempjes, warm van het ontbijt, wipte het dekseltje omhoog, rook, trok zijn neus op. Nee hoor, dit doe je in de gootsteen! Alleen het beste voor de gast!

Net gezet hoor, probeer toch… Femke fronste, maar stemde toe.

Thee maken was het probleem niet. Maar Hendrik… hoe moest dat nu?

De ketel floot, stomend water werd in het voorverwarmde porselein gegoten, en de geur van ‘Indiase-thee-met-olifantje’ trok door de keuken.

Zo, nu de kopjes uit je kobaltblauwe servies! Dat zijn de mooiste. Haal maar tevoorschijn! commandeerde Henk met een scheve grijns.

We hebben net een nieuw servies uit Groningen gekregen, veel handiger! zei Femke, maar schrok toen Henk met de vuist op tafel sloeg.

Ik wil uit die kobaltblauwe! Sinds altijd. Je moeder serveerde altijd daarin! En de broodjes erbij. Niet dat gewone bord, nee, uit het mooie. En terwijl ik eet, stop jij die sok van mij. Truus weigert, die heeft het druk met de verbouwing. Maar mijn teen doet pijn, snap je? zei hij, en hield zijn sok omhoog als een kind.

Femke, een gerespecteerd oud-docent, allang niet meer voor de klas, keek bijna walgend naar de sokken, maar stak desondanks haar handen uit naar het breiwerk.

Na een moment sloeg Henk plotseling met zijn vuist op tafel, ging recht overeind staan, woest zwiepend met zijn armen.

Vindt u het goed, Femke van der Els? U laat zich zo commanderen! Daar word ik niet goed van. U bent hier de vrouw des huizes, geen passant! Vroeger was je statig als een vorstin! Als jij over het plein liep, waren alle mussen stil van ontzag, maar nu? Je bent dienstmeisje geworden. Flauwekul! Wat is er gebeurd?

Zijn handen gebaarden wild, theekopjes rinkelden, de broodjes op het bord stortten om.

Waarom komt u met dat allemaal?! Waarom zegt u dit nu?! Hendrik stond daar bij de bus, met een andere vrouw Ik had die broodjes voor hem, en nu ik snikte Femke, de tranen liepen over haar wangen en maakten de tafelkleed nat.

Plots verstomde alles. Zelfs de voiles in het tochtige raam bewogen niet meer, de klok stond stil, zelfs de straat leek geluidloos.

Henk zuchtte, sprak met een diepe stem:

Precies daarom, Fem. Daarom zoekt hij een ander op. Jij was ooit een bewonderde lerares, geen genade met rapportcijfers, standvastig en fier. Zelfs ik waar Truus ook de mooiste vrouw is werd warm van jouw statigheid. Maar nu, zakjes broodjes en maar zorgen! Je bent net zijn moeder geworden in plaats van zijn vrouw. Altijd alles voor hem regelen Dat inspireert geen man, Fem. Mannen zijn jagers, we hebben passie nodig, geen gebreide mutsjes en gestopte sokken! De kinderen het huis uit ben je kandidaatschap aan hem overgedragen. Maar hij voelde zich oud, anderen voelden hem jong!

Femke begreep het niet. Of wilde het niet. Had haar leven gewijd aan haar man, en nu… alles voor niets? Had ze zichzelf verloren…?

Ze had al tien jaar geleden haar baan als docent opgegeven, wat makkelijker om voor Hendrik te zorgen, geen nachten corrigeren, enkel huiselijkheid. Privéleerlingen had ze ook laten gaan, toen Hendrik ziek werd, teveel invloed in huis, beter rustig.

Zingen of radio aan bij het huishouden? Niet meer Hendrik hield niet van het geluid. Schilderen? De oliegeur verdroeg hij niet, dus de verf werd weggegooid.

En toen, Femke, ben je helemaal nietszeggend geworden! zei ze triest tegen haar spiegelbeeld in de buffetkast.

Manicure? Wanneer dan?

Nieuwe jurkjes? Waarvoor, als er geen uitjes meer waren?

Schoenen? Waarom die hakken? Kijk die spataderen! had Hendrik gelachen. Naar zolder met die schoenen dan maar.

Vriendinnen belden weinig, zoon Martien kwam eens per maand, at, nam plastic bakjes en broodjes mee, belde niet terug.

En dat was het. Een einde, gewoon.

Kom op, buurvrouw! Herpak jezelf! Je bent nog jong! Jij bloeit nog, ga rechtop lopen! Anders blijft Hendrik bus-in, bus-uit met anderen. En je broodjes zijn heerlijk! Was ik twintig jaar jonger geweest! riep Henk uit, grijnslachend. En hij verdween.

Femke bleef alleen achter…

Hendrik kwam laat thuis, licht beschonken, kreukelend in zijn jas. Hij rook naar parfum en wijn.

Vergadering liep uit, duwde hij zijn aktetas in haar handen, kreunde bij een steek in zijn rug. Thee. En aardappels graag. Met een borreltje. Fem, wat staar je nou? Ik vroeg iets

Femke pakte de tas niet aan, zij schoof haar koffer naast de deur.

Waar ga je heen?! Wat gebeurt er? vroeg Hendrik onthutst, zag haar staan: haar haar glanzend opgestoken, oorbellen, sierlijk zandkleurig jurkje, sandalen. Hij schrok zichtbaar terug.

Op zakenreis. Je redt het hier wel alleen. Met of zonder traan, maar wel zelf, haalde Femke haar schouders op.

En de aardappels dan? Mijn overhemd voor morgen? vroeg Hendrik streng.

Femke leek even te aarzelen, wilde bijna gaan strijken maar zuchtte.

Doe het zelf maar. Of laat haar komen. Prima, Hendrik. Ga ervoor. Dag hoor, t is tijd voor mij.

Ze zweefde naar buiten, struikelde bijna over haar koffer, het handvat sneed in haar palm maar even later klonken haar hakken op de trap en verdween haar jurk in de schemering, een taxi tufte weg, alles werd stil.

Hendrik holde naar de trap, hing over het trapgat, wilde wat roepen, maar struikelde over een hevige pijnscheut in zijn rug; tranen sprongen in zijn ogen.

Fe-e-emke fluisterde hij…

Waar was zij nu? Zou ze zijn rug masseren, hem insmeren, toedekken met een wollen plaid en dan haar warme zij tegen hem aandrukken, hem in slaap wiegen

Annemie? Ben jij dat? kreunde Hendrik in de telefoon. Ja, ik weet dat ik niet mocht bellen maar mn rug, Annemie! Ik kan niet naar de keuken. We zijn geen vreemden! Wat?…

De telefoon bromde iets over spoednummers voor de huisarts en de pieptoon klonk. Annemie kwam niet, zou hem niet insmeren of overhemden strijken, zich niet warm tegen hem aan vlijen. Daarvoor was ze veel te trots. Ze was geen Femke. Helemaal niet. Wat erg…

Hendrik strompelde toch naar de keuken, zag de koude broodjes op het bord, kreunde. Dit was geen nachtmerrie, dit was een ramp. En hij had het zelf gedaan! Och!

De volgende middag kwam Femke thuis, samen met de dokter en bloemen. Ze had zelf een bos rozen gekocht, schikte die in een kristallen vaas, rook naar parfum, en een vleugje sigaret. Ja, Femke rookte. Soms. Als ze zich erg druk maakte.

Wacht even, dokter, niet meteen spuiten! hield Femke de prik tegen.

Hendrik kreunde, verlangde wanhopig naar verlichting.

Wat nou nog? vroeg de dokter.

Even Hendrik, wat beloofde jij haar? Zulke vrouwen nemen genoegen met niets, je bent voor haar te oud, boog Femke zich over zijn zwetende gezicht.

Ik ben niet oud! Ik ben in de bloei van mijn…

Pensioen, vulde de dokter aan. Wat beloofde je haar? Opschieten, anders ga ik.

Een functie en een titel. Maar ze krijgt niets! Niets, Fem! Ik heb me vergist, verschrikkelijk. Alleen jij! Alleen jij! Vergeef me! Ze krijgt niets!

Ze krijgt alles. Jij doet wat je beloofd hebt, mannen moeten hun woord houden. Ze krijgt haar functie én haar promotie. Maar jij, Hendrik, gaat weg bij je werk. Zoek maar uit wat je gaat doen. Vanaf volgende week ga ik weer werken. Het strijkijzer ligt op de plank, overhemden in de was. Bevalt het niet dan scheiden we. Begrepen?

Hendrik knikte verslagen, veegde zwetend zijn voorhoofd af, wist dat de pijn zijn verdiende loon was. De dokter, die duidelijk partij koos voor Femke, Miron, Henk stond in de deuropening, zelfs Truus zou straks komen glimlachen bij deze vernedering.

Ja. Ik snap het. Spuit nou maar kreunde hij.

Femke knikte goedkeurend. En de dokter begon met zijn werk…

Annemie was dolgelukkig. Nee, jubelend. Haar proefschrift-op-de-achterkant-van-een-bierkaartje werd goedgekeurd, ze had haar promotie en een mooie burgerlijke baan. Dankzij die sukkelige, oude Hendrik.

Nu merkte zij Hendrik amper op, keek altijd weg, groette nauwelijks. Zijn vrouw had immers duidelijk laten blijken dat privileges weer ingetrokken konden worden, en ontslag zo was geregeld! Dus Annemie zocht verder.

En Hendrik? Die vertrok bij zijn werk. Iedereen vroeg zich af waarom, zon goede baan! Hij zweeg. Eén keer mompelde hij iets over een belofte, maar verder niks.

Op het afscheid gaf hij een diner, bracht zijn vrouw mee uitgedost met juwelen, danste met haar de tango en keek haar aan Zoals hij Annemie nooit had aangekeken. Waarom? Wat was het met die Femke van der Els?

Het was gewoon alles. Zij was de lucht die Hendrik zijn leven lang had ingeademd, zonder het te beseffen. En pas nu, opgesloten in het vacuüm zonder haar, begreep hij wat hij verloren had. Het zat niet in zijn zere rug of haar warme zij. Femke was nog altijd dat ongelezen boek, vol raadsel en zoetheid, zo verrukkelijk als zongerijpte Nederlandse aardbeien zoals hij haar ooit aan de Maas gevoerd had in hun jonge jaren. En hij zou dat boek nooit helemaal uitlezen, nooit de laatste bladzijde omslaan. Laat het zo blijven!

Annemie? Die was hier nog niet aan toe. Of zou dat misschien nooit zijn. Misschien vindt zij haar lezer nog. De tijd zal het leren…

Please rate
Bagattia News
Het onuitgelezen boek