10 juni
Vannacht klopte mijn buurman, Henk van Dijk, om tien uur op de deur. In zijn hand hield hij een onbekende sleutel.
Ik stond alleen in de keuken, de borden stonden in het sop. De dag was lang geweest; ik verlangde vooral naar rust en stilte. Toen ik de deur opende, keek Henk me onderzoekend aan.
Is deze sleutel niet van jou? vroeg hij.
Ik bekeek de metalen sleutel die hij voorhield. Hij leek verdacht veel op de mijne.
Nee, zei ik, die van mij ligt hier.
Ik haalde hem uit mijn jaszak en liet hem zien.
Henk trok zijn wenkbrauwen samen.
Maar waarom past hij dan op jouw deur?
In eerste instantie dacht ik dat hij een grap maakte. Maar zijn gezicht stond ernstig.
Wat bedoel je daarmee?
Een half uurtje geleden, zei hij, zag ik een vrouw naar binnen gaan. Ik dacht eerst dat jij het was, tot ik je net op het balkon zag.
Mijn hart sloeg op hol.
Ik woon al twee jaar alleen. Na de scheiding besloot ik dat ik vrede wilde: geen vreemde gebruiken, geen onverwachte geluiden, geen onbekende sleutels.
Hoe zag ze eruit? vroeg ik.
Donker haar veertig jaar, schat ik. Ze droeg een schoudertas.
Plots voelde ik een rilling langs mijn rug. Niemand, behalve ik, heeft een sleutel van dit huis.
Behalve één persoon.
Mijn ex-man. Klaas.
Maar die is al twee jaar geleden vertrokken. Die sleutel, zei hij, had hij teruggegeven.
Weet je het zeker dat ze mijn woning in ging? vroeg ik.
Ik heb het precies gezien, zei Henk. Ze pakte de klink en stapte gewoon naar binnen.
Ik draaide me naar de gesloten deur achter mij. In huis was het doodstil.
Te stil.
Wacht even hier, fluisterde ik.
Maar Henk schudde zijn hoofd.
Geen haar op mijn hoofd die jou nu alleen laat.
We gingen samen naar binnen, voetje voor voetje. De woonkamer lag erbij zoals ik het verlaten had: lamp aan.
Maar op tafel stond iets nieuws.
Mijn glas.
Met water erin.
Ik bleef staan.
Ik heb vandaag helemaal geen water gedronken, fluisterde ik.
Henk pakte het glas en voelde eraan.
Het is nog warm.
Uit de gang klonk plots een zacht geluid. Alsof er iets verplaatst werd.
We verstijfden allebei.
Is daar iemand? riep Henk.
Geen antwoord.
Hij liep voorzichtig richting slaapkamer. Ik volgde hem op de voet. De deur stond op een kier.
Mijn hart bonsde in mijn keel.
Met één ruk duwde Henk de deur verder open.
Niemand.
Maar mijn kledingkast stond wagenwijd open.
Mijn kleren lagen door elkaar.
Op het bed lag een envelopje.
Ik liep ernaartoe; op de envelop stond enkel mijn voornaam geschreven: Annelien.
Met een trillende hand maakte ik hem open.
Binnenin: een briefje.
Één enkele zin.
“Als je klaar bent om te praten, weet je me te vinden.”
Het handschrift was onmiskenbaar.
Mijn ex-man Klaas.
Henk keek me aan.
Had hij altijd nog een sleutel?
Langzaam schudde ik mijn hoofd.
Hij had hem teruggegeven, dacht ik.
Ik ging op bed zitten, in een poging mijn gedachten op een rij te zetten. De laatste keer dat ik Klaas had gezien, was in de rechtszaal. Hij leek toen zo beheerst, bijna te beheerst.
Hij had toen zelfs gezegd:
We spreken elkaar vast nog wel eens.
Ik dacht dat hij dat zonder betekenis zei.
En nu
Nu had iemand in mijn huis gezeten.
Aan mijn tafel.
Uit mijn glas gedronken.
In mijn kast gesnuffeld.
Henk stond nog bij de deur, keek naar het briefje.
Dit is echt niet normaal.
Weet ik.
Plots schoot me iets te binnen. Ik liep snel naar het gangkastje, waar ik mijn reservesleutel bewaarde.
Het was leeg.
Toen drong het tot me door:
Hij had nooit een kopie gemaakt.
Hij had gewoon de reservesleutel nooit teruggegeven.
En ik had het hem zo geloofd.
Henk fluisterde:
Volgens mij moet je je slot eens vervangen.
Ik keek nog eens naar het briefje, scheurde het in stukken.
Nee, Henk, zei ik, ik denk dat het tijd is om álles te veranderen.
Dit was het moment waarop ik besefte dat vertrouwen niet vanzelfsprekend is. Vanaf vandaag kies ik ervoor om de controle in eigen handen te houden, wat er ook gebeurt.







