Enkele merkwaardigheden van het gezin van Lieneke Schoonveld
– Lieneke liep naar buiten met haar hond…
– Jemig, wat heeft ze nou weer met het arme beest uitgespookt? De staart van Pluis is tegenwoordig niet meer paars, maar helemaal roze! Kijk maar eens hoe ze ermee kwispelt!
– Ach ja, ze is nou eenmaal een bijzonder meisje. Maar, zo goed als ze is! Zoveel zulke vind je tegenwoordig echt niet meer! Toen oma ziek was, was Lieneke geen moment uit het ziekenhuis weg te slaan. Ze vloog overal om haar heen, en haar eigen jonge leven leek haar niks te kunnen schelen.
– Tja, jij zegt het! Gisteren nog zag ik hoe een nogal knappe jongeman haar voor de flat uit de auto zette.
– Was vast gewoon de taxi!
– Geloof je het zelf? Sinds wanneer kussen taxichauffeurs dames op de hand?
– Serieus?
– Ja, echt waar! Let maar op, onze Lieneke zal binnenkort gaan trouwen.
– Dat zou nog eens mooi zijn! Daar zal grootmoeder zich een hoedje om bewegen! Zon meisje slim, knap, waardig! En haar beroep, ach, dat is dan bijzaak…
– Wat is er mis met haar beroep dan?
– Rechercheur? Is dat nou een vak voor een jonge vrouw?
– Nou, vertel mij dan! Hoeveel mensen hechten tegenwoordig nog waarde aan de wet, zoals haar oma? Precies. Maar Lieneke is exact het type voor die job! Er stond zelfs een stuk over haar in de krant en ze is al eens op televisie geprezen. Dus, wat wil je nog meer?
– Ik zeg niks, hoor! Moge het haar voor de wind gaan, zoals de Hollandse gezegde. Ze zal iedereen nog wel wat laten zien dat wisten we toch al vanaf haar kindertijd! Weet je nog hoe ze vroeger was?
– Tuurlijk! Precies oma! Wat een vuurvlam!
Het meisje waarover de dames op het bankje bij de flat kletsten, liep beleefd groetend voorbij, schoot toen ineens weg en huppelde achter haar vrolijk over de met pekel bestrooide, ijzige stoep springende hond aan, die met een zonsopgang-roze staart kwispelde.
– Daar gaat ze weer! Waarheen nu?
– Waarheen? Haar zus ophalen! Annemijn komt vandaag aan!
– Hoe weet jij dat?
– Lieneke heeft het me gister verteld. Kijk, daar komt de taxi al!
Uit de auto stapte een lange, slanke dame, die zonder iets te zeggen recht op de rennende Lieneke afliep, haar stevig omhelsde en naar Pluis floot, die druk rond hun benen draaiend sprong.
– Lieneke! Wat heb je nu weer met dat beest uitgespookt?
– Staat het niet mooi? Het is oma’s lievelingskleur!
– O, wat heb ik jou gemist, jij rare!
Lieneke lachte en trok haar zus nog even dicht tegen zich aan.
Dat heel de wijk er inmiddels van overtuigd was dat Lieneke Schoonveld een meisje met een vreemde tik was, behoeft geen uitleg. Haar gekkigheden openbaarden zich al in haar gouden jeugd. Een schattig kind met twee fijne vlechtjes met aan de uiteinden grote, ouderwetse strikken altijd liefdevol gebonden door oma groette beleefd iedere voorbijganger en lachte haar imperfecte tandjes bloot, vóór die op aanwijzing van pleegopa waren rechtgezet. Daarop volgde altijd het zachte:
– Hoe gaat het met u?
Maar op dit soort vragen hielden zelfs de meest onberispelijke buren snel op te antwoorden, of ze nou spoken in hun kasten hadden of een papegaai die al hun affaires kon verklappen aan de eerste de beste.
Want iedereen wist het: men was een beetje bang van haar.
Dit wonderkind kletste namelijk als Brugman.
Maar goed, een kleuter die wat uitkraamt wie ligt daar nou wakker van? Toch was Lieneke anders. Ze had een zeldzaam talent: ze kon feilloos lijntjes trekken tussen dingen die ze ooit eens had gehoord of gezien, en bracht het dan feilloos aan het licht precies bij wie het net niet uitkwam.
– Tante Trees, terwijl u naar het werk was, kwam ome Sef bij tante Ria van 17. Met bloemen! Ja, mooie! Net als die voor uw verjaardag. Maar nu een veel grotere bos! Ik vroeg of ik mocht ruiken, maar het mocht niet. Toen liep hij naar haar toe. Waarom mag zij ze wel ruiken, maar ik niet?
Trees, lange tijd geneigd haar man te geloven als hij uitriep dat hij overuren draaide en daardoor steeds laat thuiskwam, schrok zich wild, keek snel om of anderen het gehoord hadden, en versnelde haar pas, compleet vergeten Lienekes oma te groeten.
– Meisje, waarom klets je zo met Trees? Ze vroeg je toch niets! moppert oma. Uitleggen hoeft ze niet.
Lieneke was van slag.
Waarom kreeg ze op haar kop? Had ze niks fouts gezegd? Of toch…?
Dat was het lastigste en het naarste: oma vertelde nooit waarom je zulke dingen niet mocht zeggen. Misschien dat ze, als oma eens uitlegde waarom je Trees niet moest vertellen welke bloemen haar man het huis in droeg, Lieneke de volgende keer haar mond wel zou houden.
Maar na zo iets werd oma steenkoud, net een beeld op het Stationsplein waar Lieneke in het weekend zo graag rondliep. Ze greep haar zachtaardig doch strak bij de hand, keek haar streng aan en kondigde met lippen op elkaar zwijgend aan dat er die avond geen toetje zou zijn.
Lieneke viel zich dat bitter tegen. Ze kon er uren beteuterd van zijn, tenzij ze zich herinnerde dat oma op het beeld op het plein niet leek: op oma zaten tenminste geen duiven met hun vieze eigenzinnigheid. Omas kapsel bleef altijd piekfijn, totaal niet als dat kale hoofd bovenop het plein.
Over die grote meneer had pleegopa verteld, die altijd moest gniffelen om het onovertroffen speurwerk van dat nieuwsgierige meisje.
– Waarom is hij kaal? – vroeg Lieneke, met knijpende oogjes tegen de felle zon, naar het monument starend.
– Zorgen! – antwoorde opa altijd recht voor zn raap.
– Van verdriet zeker? Dat was vast een moeilijke baan. – Lieneke trok net als oma haar lippen stijf en knikte zuinig. – Was hij ook tandarts?
Lieneke stelde zich hilarisch voor hoe zo’n beeld in een tandartspraktijk paste: het monument moest zich wel driedubbel vouwen en schrikbarend staken angstige kindersnoeten hun hoofdjes door de deur zodra ze die kale, door duiven besmeurde bol zagen verschijnen. Volgende! galmde er dan door de gang.
Opa keek haar lachend aan – als hij ooit, wat een wereld was dat toch geweest! Maar nee, hij was geen tandarts; hij was een ‘leider’.
– Een wat? – mond open van verbazing, maar niet overtuigd. – Had hij dan niet zon kleurrijke tooi op zn kop, net als de indianenhoofdman uit dat boekje dat we laatst samen lazen? Nu is hij helemaal zielig kaal. Zou je daar niet wat duivenveren voor kunnen gebruiken?
– Nee meisje, je hebt arenden nodig.
– Maar die zijn veel te mooi! En ze doen hun behoefte echt niet waar het niet hoort. Oma zegt dat dat niet netjes is weet je nog, bij dat vissersuitje toen jij in de bosjes moest?
Opa barstte in een lachbui uit dat zelfs de mensen op het plein hoofdschuddend omkeken. Lieneke haalde haar schouders op: wat was er nou grappig?
Lieneke werd streng, zette haar handjes in de zij:
– Wat doe je mal! Je lijkt wel het paard van Van Buren! Doe normaal! – geheel zoals haar oma dat deed – Bescheidenheid siert de mens! Hou je een beetje in! Straks schaam ik me nog voor je!
Als boetedoening kocht opa onderweg naar huis een geheim ijsje voor haar. Geheim, want oma verboden haar snoep voor het middageten.
– Lieneke, als je oma zegt dat ik je ijs gaf, verpest ze me nooit.
– Krijgen we dan ruzie?
– Reken maar! Je weet hoe ze kan zijn.
– Maar jij luistert niet naar oma!
– Mannen luisteren nou eenmaal niet altijd…
– Dus mag ik het haar zeggen?
– Nee. Niet luisteren is één. Vrouwen tergen is iets anders.
– Ben je bang, opa?
– Welnee. Ervaren. Een slechte vrede is beter dan een goede ruzie.
– Wat betekent dat?
– Dat leg ik je nog uit. Kom, we kopen bloemen voor oma.
– Waarom?
– Zodat ze niet meteen je vrolijke snoetje ziet!
Lieneke bewonderde haar pleegopa niet enkel ze hield van hem met haar hele hart.
Hij kwam als Sinterklaasgeschenk in haar leven. Haar oma, een kordate juriste die streng maar rechtvaardig was, besloot na jaren alleen haar oude aanbidder een kans te geven. Ze hield niet van al te veel gezweem achter haar academische ernst en praktische stijl. Alleen met Lieneke en sinds kort haar tweede echtgenoot mocht gevoeligheid doorschemeren.
Heel verschillend waren ze: oma groot, stevig en kordaat, opa klein, een beetje mollig maar altijd kalm ondanks haar karakter, zijn moeilijke werk en alles daar omheen. Maar er was iets wat hen zo naar elkaar toe trok, dat Lieneke na korte tijd niet meer kon begrijpen hoe haar grootouders ooit zonder elkaar leefden.
Want ondanks al haar nuchterheid zat er een hopeloze romanticus verborgen in haar oma. Haar hart snakte altijd naar maanlicht, naar serenades en ondersneeuwde vensterbanken met seringen en jasmijn. Haar eerste man roemde haar scherpzinnigheid, maar bloemen gaf hij alleen op zondag en z’n dichtregels kwamen steevast uit een boek van Slauerhoff.
Omas hart leed daaronder. En iedereen leed mee toen zij leed. Dus toen haar eerste man de echte opa van Lieneke ervandoor ging bij de eerste de beste gelegenheid, bleef zij over zonder te snappen wie die man werkelijk was.
It was pas met de geboorte van Lieneke dat oma weer opleefde. Haar ouders archeologen van beroep zwermden over de wereld voor hun onderzoeksopgravingen. Aan hun kind hadden ze nauwelijks tijd, en zo kwam Lieneke onder omas vleugels terecht. Oma kreeg een klein eenpersoonsorkaan in huis, dat zo hard huilde bij het slapen dat zelfs de buurvrouw haar maltezer weggaf omdat ze Lieneke niet kon overstemmen.
Buren droegen opvoedkundige tips aan, die oma tot haar geruststelling grotendeels naast zich neer kon leggen.
Lieneke groeide op, gelukkig, tussen oma en uiteindelijk pleegopa. Naar de crèche ging ze niet te vaak, te lang ziek. Oma gaf het op, en liet sociaal leren over aan de zomermaanden op het zomerhuisje. Daar, onder hoge dennen, bouwden de kinderen snel banden. En gek genoeg: daar was Lieneke gezond als een vis. Ze speelde, leerde, at buiten. Opa had een grote houten schuur gebouwd daar zat ze met haar vriendjes en vriendinnetjes: frele Susan, de tweeling Mick en Gijs, luchtballerina Jannetje. Elke dag was er reuring.
Toen Lieneke zes was, kwam Annemijn. Dat meisje was het tegenovergestelde: brutaal, vies, maar steengoed in zelf bepalen wat ze wilde.
Ze leerden elkaar kennen op een heldere dag. Lieneke zat, een nieuw boek in haar schoot, starend naar de verse aardbeien die oma had gewassen. Ze verwachtte niemand Susan zat bij Franse les, de tweeling was boodschappen doen in de stad, Jannetje moest ballet oefenen. Toen zag ze ineens een klein, bruin handje tasten naar de schaal. Lieneke gilde zo hard dat de katten van de buren van schrik van het dak vlogen.
Lieneke, wat is dat?! Oma stormde de veranda op met een houten lepel achter haar aan, katten vlogen alle kanten uit, want bij oma was op zo’n moment niks meer veilig.
Oma hield van dieren, maar van netheid nog meer.
Lieneke, omhoog gevlucht op een bank, staarde naar het brutale meisje onder de tafel, dat zich niet liet afschrikken en de schaal met aardbeien onder tafel sleepte.
Wat schreeuw je nou? Ben je niet eens benieuwd waarom ik hier ben?
Het meisje smakte, kauwde en stak Lieneke de grootste aardbei toe.
Je handen zijn vuil…
Boeiend. Op de tuin zijn je handen altijd vies.
Toen oma zag wie het was, kalmeerde ze direct.
Annemijn! Moet je Lieneke zo laten schrikken? Waar is je opa dan?
Die ligt uit te rusten! Weer moe, zei hij.
Aan oma’s gezicht kon Lieneke zien: die wist direct wat Annemijn bedoelde met dat moe.
Meiden, spelen! Snoep staat op de keukentafel. Ik ben zo terug! Oma gooide haar schort uit en liep direct naar het tuinhek, net niet vergetend het vuur onder de pan uit te draaien en pleegopa een por te geven.
Zo ontmoetten ze elkaar.
Pas later hoorde Lieneke dat Annemijn enig kleinkind was van een oud vriend van oma. Zijn dochter, vrouw en schoonzoon kwamen nooit na een vliegtuigramp, en Annemijn en opa bleven achter.
Oma had uiteindelijk Annemijn en haar opa overtuigd een zomerhuisje naast hen te huren, opdat Annemijn in de veiligheid van Lieneke’s familie opgroeide. Want in Annemijn zag oma veel van die kleine Lieneke.
Opa stelde geen vragen, hij kuste omas hand en zei Doe wat je denkt dat goed is.
Denk je dat het goed is voor Lieneke?
Ach, zoveel mogelijk familie, zoveel mogelijk geluk! Niks mis mee als Lieneke een zus krijgt!
En zo werd beslist.
Opa Annemijn was vaak te ziek en stierf na een laatste zomer waarin hij zijn kleindochter en Lieneke samen gezond zag ravotten. Annemijn bleef juridisch werd alles zorgvuldig geregeld door Lienekes oma.
Lieneke had nu een zus, totaal anders, maar het werd een onverwoestbare vriendschap. Annemijn was de enige die altijd eerlijk tegen Lieneke was. Zij liet haar zien wanneer ze moest praten, en leerde haar soms juist stil te blijven. Zij stuurde haar scherpe waarneming en analyse vermogen de juiste kant op.
Jij moet speurder worden! Maar opa zou het de hondenbaan noemen die snel in kattenkwaad verandert als je pech hebt met de verkeerde medewerker…
Dan word ik rechercheur! Want iemand moet het goed doen, toch? lachte Lieneke, niet wetend wat er aan zware taak voor haar lag.
Niemand nam haar aanvankelijk serieus, met grapjes en hoofdschudden. Maar ze hield haar doel vast gesteund door liefde, kracht en het standvastige van haar familie.
En niets kon mislukken, als achter je een oma stond, met haar handen in de zij, wenkbrauwen streng, en die eeuwige vraag:
Lieneke, heb je vandaag wel gegeten? Juist! Schande! Wat lach jij, Annemijn? Jij vast ook niks gehad! Aan tafel! En jij, Peter! Moet je uitgenodigd worden om te eten? Laat Pluis los, was je handen! Dat arme beest; waarom die roze staart? Omdat het kan? Klets niet! Soep staat te koud te worden. Aan tafel, nu!







