O, wat ben je toch stug, Wouter Janse! Niet voor niets noemen ze je De Eenzame Wolf. Je krijgt bij jou geen lach te zien en als je zomaar kijkt, huivert iedereen. Of je in de ijstijd bent vastgevroren. Is het leven je dan zó zwaar geworden?
Gerdina praatte nog door, maar Wouter had zich inmiddels van haar afgewend. Zwijgend pakte hij zijn boodschappen op uit het enige winkeltje in het dorp en liep naar de uitgang.
Je dochter Marjolein was vorige week bij haar moeder, dat weet je? En de jongen was erbij, Wouter Janse. Denk je niet als het jouw kind is? Moet hij dan zonder vader door het leven? Hij lijkt sprekend op jou!
De woorden bleven in zijn hoofd hangen tot bij de deur, waar hij zijn voet bijna stootte aan het lage opstapje. Hij bleef echter niet staan. Waarom zou hij? Je kan het toch niemand uitleggen, en je leven aan het oordeel van anderen geven past hem niet. De mensen weten toch al alles, of verzinnen de rest zelf wel. Dit zijn zaken tussen hem en Marjolein daar heeft een ander niets mee te maken.
De voorjaarszon brandde al als zomer, liet Wouter zijn ogen dichtknijpen en zijn gezicht strakken tot een maskertje. Zonder zijn ogen te openen liep hij op de tast verder, tot een kinderstem hem deed opschrikken:
Pas op!
Een jongetje schoot langs hem naar de winkeltrap, greep twee jonge hondjes vast die op de stoep ravotten.
Wilt u ze niet pletten, alsjeblieft!
Een typische, ietwat afgebladderde neus, donkere ogen met zware oogleden, flaporen zo duidelijk uit deze streek. Sprekend Wouter zelf! De roddels van de buurvrouwen leken niet zonder reden. Toch wist Wouter: deze jongen, die hem zo indringend bekeek, was niet zijn zoon. Wel familie, maar niet zo dichtbij.
Wilt u een pup? Kijk, wat een stoere poten! Net een wolf. Een sterke wordt het!
Wouter schudde van nee en liep verder, een zijstraat in die helemaal niet zijn richting was, gewoon omdat het de kortste weg was. Daar lieten zijn krachten hem los. Hij leunde tegen het hek van de familie Smits, happend naar adem, niet wetend hoe hij nog verder moest.
Waarom moest zij weer terug zijn gekomen? Waarom met dat joch, dat zijn zoon had kunnen zijn als het allemaal anders was gelopen? Zou haar nieuwe man, Rutger, haar dan toch verlaten hebben?
Zijn hoofd tolde, zijn hart deed zeer net zoals toen, zeven jaar geleden. Alles kwam terug, geen stilte in zijn borst te krijgen, hoe hard hij zich dat nu ook wenste.
Liesje Smits, een warme, stevige vrouw, kwam gauw aanlopen.
Wout, gaat het? Laat me je helpen! Of moet ik Gijs halen?
Haar warme handen drukten geruststellend op zijn schouders, en Wouter opende zijn ogen weer.
Hoeft niet, Liesje. Dankjewel. Ik ga dadelijk alweer.
Waarmee? Je gaat nergens heen! Leun maar op mij. Zo, stapje voor stapje, dat kunnen we. Wat een gewicht, man! Je moet rustiger aan doen! Ik meet straks je bloeddruk en geef je een spuitje, dan ben je weer zo fris als een Hollandse komkommer! Kom op, langzaam maar zeker.
Zijn voeten deden niet meer mee, maar Liesje was sterk. Ze hielp Wouter haar erf op, sloot het hekje achter zich met een ferme trap en riep:
Gijs! Help even!
Daarna wist Wouter weinig meer. Hij werd wakker op de bank van Liesjes huiskamer. Er drukte iets zwaars op zijn borst. Hij dacht even aan een hartaanval, maar toen hij zijn ogen opende en een slappe glimlach kon tonen, werd hij gerustgesteld.
Naast hem lag de pluizige kat Minoes met haar kittens, waarvan enkele zich op zijn borst genesteld hadden.
Onze Minoes weet altijd wie goed volk is, Wout. Brengt ze haar jongen naar je toe, dan is dat een goed teken.
Liesje legde haar schoolschriften weg en bekommerde zich over hem.
Kijk, zo is het beter. De hartslag is al rustiger. Schrik me niet nog eens zo, hoor! Nu je weer op krachten bent, blijf je hier vannacht. Je hoeft niet te piekeren over je koe Zwartje, ik let wel op haar.
Wouter keek naar de dichtgetrokken gordijnen en vroeg:
Hoe laat is het eigenlijk, Liesje?
Blijf nou liggen! Het is laat, Wout. Je blijft vannacht. Geloof me, Zwartje is in orde.
Liesje stopte het meetlint en de stethoscoop weg, gaf haar man Gijs een snelle knuffel en liep naar de keuken. Gijs kwam erbij zitten.
Gaat het?
Ik weet het niet, Gijs. Het is allemaal zo vreemd.
Het komt door Marjolein, hè?
Begin er niet over, Gijs. Wouter keek weg, recht in de groene katte ogen.
Zelfs Minoes begrijpt dat je je niet goed voelt. Alle kittens heeft ze naar je toe gesleept. Heb jij dat ooit meegemaakt? Dieren zijn slimmer dan mensen, Wout. Je loopt al jaren met je pijn rond en wie weet hoe lang dat nog goed gaat? Jij staat altijd voor een ander klaar, nu is het mijn beurt. Als praten helpt, laat me dan luisteren.
Wat moet ik, Gijs? Schaam me hiervoor. Over zoiets praat je niet.
Ik ken jou langer dan vandaag. Vertel het maar.
Wouter streelde over de kittens en begon zacht:
Jij weet toch hoe ik van Marjolein hield. Dat zag je al op de lagere school. En na mijn diensttijd… Jij stond bij ons in het stadhuis toen we elkaar jawoord gaven. Alles ging vanzelf.
Inderdaad. Maar wat was er dan dat jullie uit elkaar dreef? Zij naar de stad, jij naar de polder. Niemand begreep er iets van. Je moeder verkocht nog de koe, ik herinner het me nog.
Ik zei hun dat ik haar niet meer liefhad, dat ik het niet meer kon. Maar dat is niet waar, natuurlijk.
Zoiets gebeurt nooit zomaar. Wat is er gebeurd?
Wouter keek weg, zijn tranen droog van al het huilen in het bos. Hij had zijn verdriet eruit geschreeuwd, net een wild dier. Maar hij kon haar niet vergeven, noch zonder haar leven.
Ik geloof niet dat ze vreemd is gegaan, om eerlijk te zijn.
Ik heb het gezien, Gijs. Mijn eigen neef, Rogier. Hij woonde toen bij ons met zijn moeder. Ze waren een half jaar in huis. Marjolein wilde zo graag kinderen, maar bij mij lukte het niet. Dat was de grootste droom die we hadden. En toen
De jongen lijkt op jou, Wout.
Ja, maar ik kan niet geloven dat het mijn kind is.
Minoes siste ineens, haar nagels in het dekentje, een kitten tussen haar kaken. Wouter schrok, streek de rest bijeen en zuchte:
Moederliefde is alles. Marjolein wilde zo graag een kind, ik wilde niet naar de dokter. Dacht altijd dat het aan haar lag, niet aan mij. Maar zij besloot anders. Als niet met mij, dan met hem…
Maak het niet erger dan het is!
Ik heb genoeg tijd gehad om erover na te denken. Teveel.
Misschien ben je voor je eigen bloed het bos in gevlucht. Maar dat is makkelijk gepraat.
Reken het na. De rekensom klopt niet, Gijs. De tante had me uitgelegd hoe het zat, nadat Liesje was bevallen.
Wat zag je dan, toen je terugkwam?
Ze stonden samen in de keuken. Rogier gaf haar een zoen; ze liet het toe!
Op dat moment kwam Liesje de kamer in.
Ik geef je nog een prik, Wout, dan kun je even rusten en praten we straks verder.
Hij knikte en gaf zich over aan de slaap.
Ondertussen trok Liesje haar jas aan en zei tegen haar man:
Ik ga naar je tante, en daarna naar Marjolein. Dit is geen toestand zo. Die jongen groeit zonder vader op, en Marjolein kwijnt weg.
Ze liep de nacht in en Gijs bleef op de stoep zitten, piekerend.
Het leven is een raar beest denk je dat je het geluk vasthebt, ontsnapt het net weer. Gijs dacht aan alles wat hij met Liesje had doorgemaakt, hun kinderen, hun verliezen. Misschien voelde Liesje daarom zo sterk met Marjolein mee; een moeder snapt hoe het is.
Toen Liesje na uren terugkwam, haar gezicht nat van het huilen in het licht van de lantaarn, vouwde Gijs haar stil in zijn armen.
En?
Het is Wouters zoon, dat weet ik nu zeker. Zijn tante, Trijntje, heeft alles opgebiecht.
Hoe kreeg je haar zover?
Ik ben eerst naar Marjolein gegaan. Ze vertelde dat ze al zwanger was toen Rogier haar zoende, ze wilde Wouter het zeggen, maar was bang, na al die miskramen. Ze hebben elkaar verkeerd begrepen, beiden gingen zwijgend hun eigen weg.
En Trijntje?
Ze biechtte alles ineens op. Jarenlang had ze wrok gekoesterd tegen Wouters moeder, haar eigen zus. Ze wilde wraak, gunde haar familie geen geluk. Ze heeft Rogier aangezet om Marjolein het hof te maken toen Wouter weg was, pure jaloezie. Kun je nagaan, die oude vetes!
Is alles nu opgehelderd?
Bijna. Trijntje is de familie en het dorp uitgestuurd, door haar zus. Het zal duren voor ze vergeven wordt.
Toen de zon opkwam, zat Gijs nog te denken aan alles. Wouter kwam wankelend naar buiten, verblind door het licht, hoorde toen een kinderstem:
Ben jij mijn vader?
Daar zat de jongen met zijn pup op de stoep, net zon flapoor als Wouter.
Kijk, wat een grote poten! Wordt vast een stoere hond, wat denk jij?
Wouter ademde diep, zette zich naast de jongen op het trapje en aaide de jonge hond.
Het wordt een prachtige hond, goede keus.
De donkere ogen, zijn eigen spiegelbeeld, lieten Wouter niet los.
Voorzichtig legde Wouter zijn hand op de schouder van de jongen, kneep zacht:
Ja. Ik ben je vader, Sander.
Fijn! Gaan we nu naar huis? Mama maakt ontbijt, oma is er ook en we mogen straks naar de paarden. Mag dat?
Toen voelde Wouter ineens de knoop in zijn borst loslaten. Alsof alles wat hem bond losbrak, en de lucht weer helder werd. Hij stond op, pakte zijn zoon bij de hand en de pup onder zijn andere arm.
Kom. We hebben nog zoveel samen te doen, jongen. Zóveel samen te doen.







