En natuurlijk moest Anouk juist bevallen tijdens een sneeuwstorm. Terwijl ze eigenlijk nog drie weken te gaan had, wachtend tot de storm voorbij zou zijn en het vriesweer kwam – dan konden we rustig naar het ziekenhuis rijden. Maar nee, nu moest het gebeuren!

En natuurlijk moest Anne haar eerste kindje net tijdens een sneeuwstorm krijgen. Volgens de berekening moest ze nog drie weken rondlopen; tegen die tijd was de storm vast gaan liggen, het vriest een beetje, dan kon je rustig naar het ziekenhuis. Maar nee, nu moest het gebeuren! Al was het eigenlijk niet Anne die ongeduldig was, maar de kleine in haar buik. Het was krap geworden daarbinnen, en of het nu al zes dagen sneeuwde en waaide, daar trok het kindje zich niks van aan.

Met dit weer durfde geen enkele auto het dorp binnen te rijden, de wegen waren bedekt met een dikke laag sneeuw soms zakte je tot aan je heupen weg. En het bleef maar sneeuwen, als meel uit een gescheurde zak op het dak van de hemel. Kijk je uit het raam, is alles bedekt met wit, en het dwarrelt en stuift. Als je al de tuin in moet, kun je amper je ogen openhouden: de wind slaat met scherpe korrels in je gezicht, en de sneeuw plakt voor je ogen.

Precies op zo’n dag wilde de kleine zich aankondigen. Al van s ochtends voelde Anne zich anders; haar rug trok, ze was loom, wilde alleen maar liggen, maar als ze lag werd ze onrustig en stond ze toch maar weer op. Haar schoonmoeder Elisabeth merkte het op:

Annemieke, moet jij soms bevallen? Wat dwaal je toch rond?

Ik weet het niet, mam, maar ik voel me onrustig.

Laat me je buik even zien.

Elisabeth wist eigenlijk weinig van dat soort dingen tegenwoordig doen ze alles in het ziekenhuis, met dokters en verloskundigen. De ouderwetse kennis verdwijnt. In het hele dorp is er nog maar één vroedvrouw over, terwijl er vroeger drie waren.

Volgens mij is je buik gezakt, Anne. De kleine heeft besloten te komen.

Nu al, mam? Het is toch veel te vroeg?

Daar hebben wij niks over te zeggen, meisje. Het gebeurt zoals het hoort.

Anne kreeg tranen in haar ogen; ze was bang, het was haar eerste bevalling, en niemand kon haar uitleggen hoe of wat. Elisabeth had zelf ook maar één zoon gekregen, twintig jaar geleden, en wist het zelf nauwelijks meer.

Anne, ik ga naar mevrouw Vera, de vroedvrouw. Hier, ik zet een emmer water op het fornuis, als het kookt, zet je m uit. Als je nog kracht hebt, pak dan alvast schone handdoeken en lakens. Je weet waar alles ligt. Maar maak je niet druk, als het niet lukt, gewoon laten. Toen ik Michel kreeg, zei Vera dat ik vooral moest blijven lopen en diep ademhalen. Dan gaat de bevalling sneller, zei ze altijd, ze sloeg een warme sjaal om Ik loop ook even langs bij je moeder, Laura, ik roep haar op. Hou vol meid, Vera weet precies wat ze doet. In onze tijd kwamen vrouwen uit naburige dorpen speciaal naar haar toe. Goeie vrouw is het.

Met die woorden deed Elisabeth haar jas aan, pakte de stok om zich door de sneeuw heen te slaan, en verdween in de storm.

Anne bleef alleen achter; het beangstigde haar nog meer. Wat als het nu begon en er is niemand? In zon storm, hoe zou haar schoonmoeder ooit terugkomen? En wat als haar moeder het niet haalt, al zou die juist alles doen om er wel te zijn.

Maar wat nu te doen? Ze wist alleen dat ze moest blijven lopen en diep Ademhalen. Makkelijk gezegd; soms deed de pijn zon aanval dat zelfs ademen al moeite kostte.

Als Michel nu maar thuis was, om haar te steunen, haar moed in te spreken, te zeggen dat het goed zou komen. Maar vanwege de sneeuw kon hij vanuit Amsterdam niet naar huis, geen bus, geen weg. Hij wist niet eens dat hij bijna vader werd.

Intussen trok de voordeur open en viel haar moeder Laura, omgeven door een wolk van sneeuw, het huis binnen.

Meisje! Annemieke! Je schoonmoeder heeft gezegd dat je moet bevallen!

Ja, mam.

Lieverd, ik ben er nu bij je. Ik heb gedroogde bessen meegenomen, straks maak ik een compote voor je klaar. We moeten wat water koken.

Na een uur kwamen Elisabeth en mevrouw Vera eindelijk aan. De vroedvrouw, een vlugge, kleine dame met duizenden rimpels, onderzocht Anne zorgvuldig en zei streng:

Morgenochtend krijg je je kindje.

Hoezo morgenochtend? riep Anne uit Het is nog geen middag!

Ach meisje, dat wat je voelt zijn de voorweeën, die kunnen dagen van tevoren voorkomen. Nu is de ontsluiting begonnen, maar nog nauwelijks. Morgen is het pas zover. Ik ga naar huis.

Blijf alstublieft bij me, Vera, smeekte Anne U bent de enige die er verstand van heeft. Het is zoveel rustiger als u blijft.

De vroedvrouw, die al honderden geboortes had meegemaakt, kreeg medelijden.

Goed, ik blijf nog even. Als de moeder kalm is, komt de baby sneller.

Anne had geen idee dat die voorweeën maar kinderspel waren, vergeleken met wat nu zou komen. De pijn kwam in vlagen, zo hevig dat ze er bijna van loskwam; liggen kon niet, staan of lopen lukte ook nauwelijks.

Elisabeth en Laura wisten zich geen raad helpen konden ze niet, weglopen evenmin. Ze liepen wat in het rond en jammerden met Anne mee. Vera stuurde ze keukenlinnen strijken, zodat ze niet in de weg liepen.

Tegen de nacht werd het rustiger. Vera controleerde Anne: vier vingers ontsluiting, zei ze, het gaat wat langzaam, het is ook haar eerste, de wegen zijn nog ongebaand voor de baby. Ook Anne was inmiddels helemaal uitgeput, haar lijf bezweet, haar haar verward. Even waren de weeën rustig, ze at wat, Vera legde haar in bed.

Buiten woedde de sneeuwstorm onverminderd voort, het leek wel alsof het zelfs erger werd.

Om vier uur s morgens schrok Anne wakker, het was nog helemaal donker, Vera snurkte zachtjes naast haar.

Lieve Heer, help me, fluisterde Anne, terwijl ze zich naar het Mariabeeldje op de kast draaide laat de baby snel komen.

Toen begon het weer van voren af aan, de pijn was zo hevig dat Anne het niet meer aankon. Vera stond snel op en keek: vijf vingers ontsluiting. Het duurt nog wel even, maar dat is normaal, stelde ze haar gerust.

Toen het buiten licht begon te worden was Anne volledig uitgeput, het laken plakte aan haar rug, haar ogen dof, haren verwilderd.

Nog heel even, zei Vera, je baby is vlakbij.

Oma, help me, riep Anne ineens vertwijfeld, oma!

Anne, wat zeg je nou? riep Laura ongerust, je oma is hier niet hoor! legde ze aan Vera uit Ze noemt haar overgrootmoeder altijd Oma, zo noemde ze haar als kind al.

Anne, ik zie het hoofdje al, hou vol meid, pers nog één keer goed mee, zo, adem… puuf-puuf-puuf, deed Vera haar voor.

Anne schreeuwde het uit, perste met haar laatste krachten en schreeuwde nog eens.

Oma, help! Ik kan niet meer, stamelde ze, en vlak daarop werd de baby geboren, recht in de gerimpelde handen van Vera.

Misschien is dit wel de laatste keer dat ik help, dacht Vera, terwijl ze glimlachte naar het nieuwe leven. Ze legde het kleine jongetje voorzichtig op Annes buik.

Kijk eens, Anne, een jongen, kijk toch eens, wat een mooie zoon heb je gekregen. En wat een stem, die wordt vast burgemeester, iedereen gaat nog om hem heen dansen.

Anne huilde van geluk en kuste de kleine handjes. Hoe kan zon wonder in je passen? Wat jammer dat Michel er niet bij kon zijn, hij moest eens weten wat een prachtig kind hij heeft.

Mijn Klaartje, mijn kleine Klaas, fluisterde ze.

Hoezo Klaas? vroeg Elisabeth verbaasd, je zei laatst toch dat je hem Jan zou noemen als het een jongetje werd?

Anne glimlachte:

Hij lijkt gewoon op een Klaas, mam. Klaas Michele, dat klinkt gewoon goed.

Vera had haar werk gedaan, ze was bekaf. Het is het mooiste wat er is, nieuw leven begroeten, maar het vraagt zoveel van je. Tijd om naar huis te gaan, hopelijk was de sneeuw wat minder.

Anne en haar zoon sliepen, Laura pakte haar spullen, want ze was al ruim een dag van huis. Ze sloeg haar sjaal tot over haar hoofd en zwaaide Elisabeth uit.

Kijk eens aan, buiten werd het rustiger, de sneeuw was inmiddels veranderd in fijne korrels, misschien was het straks over. Morgen of overmorgen is Michel hopelijk terug thuis.

Onderweg naar huis besloot Laura even bij Oma Zwaantje langs te gaan om haar het nieuws te vertellen. Misschien heeft ze nog brood nodig, dacht ze, al bracht ik laatst nog wat langs, maar oma eet zo weinig.

Zwaantje, Michels oma, Annies overgrootmoeder, woonde twee huizen verderop. Ze was op leeftijd, bijna 93, al jaren alleen, maar wilde niet bij hen in huis, ze redde zich in haar eentje, en zij hielpen met alles waar het nodig was.

Met moeite kreeg Laura het tuinhekje open, zag de schep nog tegen het hek aanstaan, Michel was er gisteren vast nog geweest. Ze veegde het paadje schoon, klopte haar laarzen uit en ging naar binnen.

Oma Zwaantje! Oma Zwaantje! riep ze, stampend op de mat, zodat de oude vrouw haar zou horen.

Niemand antwoordde, ze sliep vast. Laura legde haar jas af, trok haar klompen uit en liep voorzichtig naar de slaapkamer.

Op het bed lag Oma Zwaantje, haar handen gekruist op haar borst, in een keurige, schone jurk, met een stralende witte doek om haar hoofd. Die jurk had Laura nog niet gezien, vast speciaal aangedaan. Ze veegde haar tranen weg en sloot zacht haar oogleden.

Op het nachtkastje lag een foto van Anne, erbij een klein Maria-beeldje en een aangestoken kaarsje.

Dank je, oma, je hebt Anne geholpen. Ze heeft een prachtige zoon gekregen. Ze noemt hem Klaas, je weet het vast al, fluisterde Laura terwijl ze de oude vrouw een kus gaf. Dank je, lieve oma…

Please rate
Bagattia News
En natuurlijk moest Anouk juist bevallen tijdens een sneeuwstorm. Terwijl ze eigenlijk nog drie weken te gaan had, wachtend tot de storm voorbij zou zijn en het vriesweer kwam – dan konden we rustig naar het ziekenhuis rijden. Maar nee, nu moest het gebeuren!