Weet je, als ik die dag niet in de bus naar Utrecht was gestapt, zou ik waarschijnlijk nog steeds in de waan leven dat Daan gewoon te druk was met werk. Dat het project, de deadlines, het snelle leven van jonge mensen dat hij daarom zijn moeder vergat te bellen. Maar ik ging, en wat ik daar voor zijn appartement aantrof, zette mijn wereld helemaal op zn kop.
Het begon allemaal zo gewoon. Daan belde meestal op zondag, ergens tussen mijn stamppot en zijn tweede kop koffie. Soms in het midden van de week appte hij vroeg of mn bloeddruk oké was, of ik al bij de huisarts was geweest, of dat Miep van beneden weer zoveel herrie maakte. Gewone dingen. Na het overlijden van Joop, mijn man, was dat wekelijkse telefoontje alles waar ik me aan vastklampte.
Eénenzestig ben ik nu, vier jaar weduwe, ruim drieëndertig jaar gewerkt op het stadhuis bij Grondzaken en toen ineens pensioen, een stil huis, en die stilte werd alleen maar verbroken als Daan op zondag belde.
In mei hield Daan ineens op met bellen.
Ik maakte me niet direct zorgen. De eerste week dacht ik: ach, hij zal wel wat vergeten zijn. Ik stuurde hem een appje. Kreeg terug: Druk, mam, ik bel later. Hij belde niet terug. Week twee weer een appje: Alles goed hoor, mam, we praten snel. Week drie: niets. Ik probeerde te bellen, hij nam niet op. Korte berichtjes kreeg ik, bijna alsof het niet Daan was die schreef.
Mijn sportmaatje, Carla, met wie ik altijd naar yoga in het buurtcentrum ging, zei het gewoon recht in mn gezicht:
Annemiek, ga naar hem toe. Er klopt iets niet.
Misschien heeft hij een vriendin en wil hij niks zeggen, probeerde ik nog, meer voor mezelf dan voor Carla.
Dan moet hij júist bellen!, haalde ze haar schouders op.
Maar ik bleef uitstellen. Daan hield namelijk totaal niet van verrassingen. Toen Joop nog leefde en we hem ooit zonder aankondiging bezochten, keek hij zo bedremmeld, alsof we hem op heterdaad hadden betrapt terwijl hij alleen maar wat bende in de keuken had. Daan had zijn privacy nodig. Dacht ik. Of wilde ik graag geloven.
In augustus hield ik het niet meer vol. Ik pakte een trein van Zwolle naar Utrecht, bijna twee uur treinen. Ik nam een potje zelfgemaakte pruimenjam en een stuk van mijn boterkoek mee want daar was hij dol op sinds de middelbare school. Onderweg probeerde ik alvast te bedenken wat ik zou zeggen Dat ik hem miste, dat één keer per week bellen geen onmogelijke opgave is. Dat ik zijn moeder ben, niet zijn last.
Ik liep de trap in zijn flat op, rond drie uur s middags. Derde verdieping, deur rechts, die bruine deurmat met Welkom erop ooit gekocht voor zijn housewarming.
Maar die mat lag daar niet meer.
In plaats daarvan lag er een saaie grijze mat zonder tekst. Ik belde aan. Er deed een jonge vrouw open begin dertig misschien, donker haar in een bob en een kop thee in haar hand, in een joggingbroek.
Goedemiddag, ik zoek Daan van Vliet, zei ik nog rustig.
Ze kneep haar ogen samen.
Er woont hier geen Daan. Ik woon hier sinds februari.
Daar stond ik dan, met mijn boterkoek in een HEMA-tasje en een pot pruimenjam, geen idee wat ik moest zeggen. Die vrouw Milou, zo stelde ze zich later voor liet me binnen, waarschijnlijk omdat ik eruitzag alsof ik anders flauw zou vallen.
Alles in het appartement was anders. Andere meubels, andere gordijnen, zelfs de muren hadden een andere kleur. Niks was meer zoals ik het kende. Geen spoor van mijn zoon.
Milou huurde het appartement via een makelaar. Persoonlijk kenden ze de eigenaar niet, alles ging via een tussenpersoon. Ze gaf me het nummer. Daar zat ik, op haar bank waar een half jaar geleden Daan nog zat en belde die makelaar.
De makelaar vertelde me dat Daan zijn appartement had onderverhuurd sinds februari. Geen adres achtergelaten, wel gewoon iedere maand netjes de huur overgemaakt, vanaf een Nederlandse rekening.
Die avond ben ik met de laatste trein teruggegaan naar Zwolle. Ik heb niet gehuild, ik was te verdoofd om te kunnen huilen. Mijn enige kind, de zoon die mijn hand vasthield bij de uitvaart van Joop, die altijd zei mam, ik ben er voor je, had zijn huis aan een vreemde verhuurd en was verdwenen zonder mij iets te zeggen.
Drie dagen heb ik niks laten horen. Daan ook niet. Op de vierde dag appte ik kort: Ik ben in Utrecht geweest. Ik weet dat je niet op de Oudenoord woont. Bel me.
Een uur later belde hij. Voor het eerst in drie maanden hoorde ik weer zijn stem.
Mam sorry. Ik had het je moeten vertellen.
Waar ben je?
Een lange stilte.
In Stockholm. Zweden. Sinds maart, zei hij uiteindelijk.
Ik zakte op een stoel in de keuken. Buiten hing de buurvrouw de was op het balkon. Alles zag er gewoon uit, maar mijn wereld stond op zn kop.
Daan praatte lang. Na papas dood voelde hij zich verstikt. Dat mijn telefoontjes, mijn vragen, mijn appjes, zelfs mijn pakjes boterkoek hem benauwden. Dat hij niet wist hoe hij het moest zeggen, omdat hij bang was mijn hart te breken. Dus koos hij zo zei hij voor de slechtste oplossing: weglopen.
Ik had het gevoel dat ik moest ademen, mam, zei hij zacht. Niet van jou weg, maar van het gevoel dat ik alles moest invullen wat papa achterliet. Dat ik dat gat moest vullen.
Ik wilde schreeuwen. Zeggen dat ik dat nooit van hem heb gevraagd. Maar als ik eerlijk was, dacht ik aan die lange zondagsgesprekken, hoe ik hem alles over mijn dagen, doktersbezoekjes, rekeningen vertelde meer als partner dan als moeder.
Ik zei niets daarvan hardop. Ik was er nog niet klaar voor.
Kom je met kerst naar huis? vroeg ik alleen.
Ik kom, mam.
En daar zat ik, alleen in de keuken, met het stuk boterkoek op het aanrecht, onaangeroerd. Ik nam een hapje. Hij was heerlijk. Zoals altijd.
Daan kwam in december thuis. Aan tafel met kerst zat hij tegenover mij, op de plek waar Joop altijd zat. Maar niet meer als vervanger. Als volwassen man die iets vreselijks had gedaan, maar met zijn eigen redenen. We hadden het niet over Stockholm bij de kerststol. Misschien praten we er nog eens over. Misschien ook niet.
Carla vraagt soms of ik hem heb vergeven. Ik weet het niet. Wat ik wél weet: als hij me nu op zondag belt en hij belt weer, elke week houd ik het korter. Vraag ik vaker hoe het met hem is, in plaats van te vertellen over mezelf. Het is niet veel. Maar ergens moet je beginnen.
Soms is het grootste wat een moeder haar volwassen kind kan geven, het loslaten. Ook als niemand je ooit geleerd heeft hoe dat moet.







