Sinds de dag dat Tosja zijn dierbaarste bezit werd afgenomen, zette hij geen poot meer in zijn hondenhok. Nu sliep hij op de koude, kale grond. Hij at nauwelijks nog iets en negeerde zijn enige overgebleven vriend, Sietse, compleet…

Vanaf het moment dat Rikkert het kostbaarste verloor wat hij had, zette hij geen poot meer in zijn hondenhok. Nu sliep hij op de koude, kille aarde. Hij at amper. Zelfs op zijn enige overgebleven vriend, Sander, reageerde hij nauwelijks

Het werd november alweer. Elke dag voelde kouder, het grijze wolkendek hing zwaar boven het bedrijventerrein in Rotterdam. Mensen schoven sjaals hoger, woelen zich in dikke wollen jassen. De geur van winter hing scherp in de lucht en Rikkert wist: het zou niet lang meer duren voor de eerste, natte sneeuw uit de lucht dwarrelde.

Wanneer zou mijn hok nou eindelijk eens gevuld worden met vers stro? dacht de hond, languit liggend op de vochtige grond. Met mijn vacht hou ik het nog net uit, maar s nachts kruipt de kou tot in mijn botten. Zijn bruine ogen volgden loom een stel havenarbeiders, die sjokkend dozen en kratten laadden in vrachtwagens, waar een sterke geur van olie en uitlaat rondhing. Niemand leek aandacht te schenken aan de oude waakhond.

Hé, waarom lig je daar lui te wezen? galmde een stem plotseling. De beveiliger, Bas genaamd, stapte de kantine uit, een sigaret tussen zijn vingers. Jij bent hier om het magazijn te bewaken. Niet om als een opgegraven kluizenaar op de keien te pitten. Hou toch op, joh!

Hij spuugde nijdig richting Rikkert en draaide zich om. Al van pup af aan had Bas hem niet gemogen waarom, wist niemand.

Toen rolde er een donkergroene Volkswagen het terrein op. Rikkert veerde meteen overeind.

Dag, ouwe kameraad, riep een man met een ruige stoppel en een pet op zijn hoofd. Tijd om je te verwennen, ouwe jongen.

Sander, zijn favoriete beveiliger. Voor Rikkert betekende die man alles: altijd een brokje extra, altijd een vriendelijke hand zelfs op vrije dagen. Nu kwam hij met een baal stro voor extra warmte.

Sander stopte zijn handen uit liefdevol in het hondenhok, duwde het stro stevig aan, zette een dampende schaal met havermout en gehakt naast de ingang, en wachtte tot Rikkert alles had opgegeten. Pas daarna vertrok hij weer.

De eenzaamheid bedekte Rikkert als een onzichtbare jas. Gelukkig was het snel nacht. In dromen leek verdriet minder scherp, kou minder echt.

Maar die avond, vlak voor hij in zijn stro wilde kruipen, hield hij abrupt zijn pas in. Twee felgroene lichten gloeiden diep in het stro. Met een sissend geluid kwam er ineens leven in.

Rikkert bleef staan, vriendelijk en zonder angst. Daar zat een magere zwarte kat met reusachtige, doordringende ogen, die hem met een waarschuwende blik duidelijk maakte: Waag het niet. Met mij valt niet te spotten.

Toch voelde Rikkert onverklaarbare blijdschap. Het is krap, maar samen passen we er net in, besloot hij optimistisch.

Voorzichtig deed hij een stap naar voren, maar de klauwen van de kat sneden als mesjes scherp door de lucht.

Sssst! siste ze fel.

Ach, goed dan. Dan slaap ik buiten, besloot Rikkert kalm, draaide zich om en nestelde zich voor de opening van zijn eigen hok.

s Ochtends werd hij zoals altijd vroeg wakker hongerig naar zijn maaltijd waar hij de hele nacht op wachtte. Hij draaide zich om naar de opening en zag de kat diep in slaap, opgerold in het stro.

Wat is ze mooi, dacht hij verwonderd.

Bas kwam het terrein op, zijn gezicht vertrokken van ergernis. Hij gooide een klont restjes richting Rikkert en liep door zonder om te kijken.

Volgens het bedrijfsreglement hoorde Rikkert degelijk voer te krijgen. Maar Bas nam nooit de moeite dag in, dag uit gooide hij rotzooi naar buiten. Na zulke maaltijden was Rikkerts buik steevast van slag. Maar klagen kon hij nergens.

Terwijl hij de resten rook, ving Rikkert een andere geur op. De kat zat dichterbij dan hij dacht, zonder vrees voor de grote hond. Ze knaagde bedachtzaam aan een vel worst, alsof het zo hoorde.

Rikkert was blij dat hij haar te eten kon geven vooral zon mager beestje.

Toen ze zijn blik voelde, spande de kat zich aan, klaar om te vechten. Rikkert keek alleen maar nieuwsgierig, kauwend op brood.

“Is ze boos? Misschien wil ze ook een stukje?” Hij schoof zijn stukje aarzelend opzij.

De hele dag hielden ze elkaar vanuit de zijlijn in de gaten. De kat afwachtend, wantrouwend. Rikkert vriendelijk nieuwsgierig.

s Avonds, terwijl Bas zijn dienst afsluitte, slingerde hij opnieuw etensresten richting Rikkert. De kat dook er meteen bovenop.

Ach, jeetje! Bas schrok zich rot. Wat is dat voor flierefluiter hier!? Wegwezen, smerige mormel! Bah!

De kat stoof achter Rikkert. De hond was even verbaasd, maar herpakte zich meteen. Hij trok zijn lip op, zijn nekhaar richtte zich op, zijn blik schoot fel richting Bas.

Bas snoof minachtend en verdween. De nieuwe nachtportier die zijn plek overnam, schonk geen blik aan de dieren.

De kat keek Rikkert kort dankbaar aan. Rikkert dacht: Bas noemt haar heks is dat haar naam? Dan heet ze voortaan Heks.

De vorst kwam scherp. Heks kroop die nacht weer het stro in. Rikkert twijfelde even, maar stak voorzichtig zijn snuit naar binnen. Ze schoof wat op, zonder een spier te vertrekken. Zo sliepen ze, rug aan rug, door de lelijkste kou heen samen voor het eerst helemaal gerust.

Vanaf dat ogenblik waren Rikkert en Heks onafscheidelijk. Samen aten ze, samen sliepen ze, spraken hun eigen taal.

Toen Sander de kat voor het eerst samen met Rikkert zag, geloofde hij zijn ogen niet zo’n kleine, zwakke kat, en niet bang voor de waakhond?

Maar hij begreep het direct: dieren houden van elkaar. Liefde kent geen maat of kracht.

Sander nam de zorg op zich, bracht Heks naar de dierenarts, borstelde haar vacht en gaf haar eten bij. Na een paar weken was ze zichtbaar opgeknapt.

Alleen Bas gunde hen geen vrede. Hij sprak zichzelf in dat zwarte katten ongeluk brachten. Hij besloot Heks weg te krijgen.

Op een dag stopte hij stiekem vergif tussen het afval. Maar Rikkert rook direct onraad en blafte Bas weg altijd alert, altijd op zijn hoede.

Op een ijzige nacht lagen hond en kat in hun hok. Rikkert likte een nieuwe kras in de vacht van Heks; zij was altijd op avontuur, en kwam steevast met nieuwe schrammen terug.

Plots roken ze het: vuur.

Rikkert schoot overeind, begon te blaffen en rende naar buiten. Het magazijn stond in lichterlaaie.

Bas rende krijsend naar buiten, sloeg wild in zijn zakken, zijn telefoon kwijt. Heks miauwde luid: naast haar lag de telefoon. Bas griste hem weg, trapte haar opzij, en belde de brandweer.

Rikkert volgde Heks, die hinkend vluchtte. Samen wachtten ze in de bosjes tot het vuur geblust was. Bas, uitgeput, schoot de kat bij het weglopen een vernietigende blik toe.

De avond erna hoorde Rikkert mensen praten bij het hek.

Ze brengt alleen maar ellende. Heb je die ogen gezien? Dat is pure hekserij! foeterde Bas.
Wat stel je voor? vroeg iemand ongeïnteresseerd terug.
Gewoon, in het bos dumpen. Klaar.
Rikkert kromp ineen, nestelde zich dichter tegen Heks aan.
Ben je gek? In het bos redt ze het niet, verdedigde Sander haar.
Kan me niks schelen! Het is haar schuld dat het fout gaat!
Zwarte katten brengen ongeluk, knikte iemand.
Er gaat niemand. Wat een kinderachtige fabeltjes, snoerde Sander de discussie. Hij liep weg.

s Ochtends rekte Rikkert zich uit, klaar om Heks wakker te snuffelen maar het hok was leeg.

Hij snuffelde, draaide rond, piepte zacht. Iets zwarts fladderde bij de kantine. Rikkert rende eropaf maar het bleek slechts een plastic tas in de wind.

Toen zwaaide de deur open.

Wat doe je hier, ouwe? Zoek je je vriendinnetje soms? siste Bas valszoet. Die is hier niet meer. Zit nu ergens anders haar streken uit te halen.

Rikkert zocht tevergeefs troost in zijn woorden.

Of ach… Ze doet nu toch niets meer. In het bos houdt ze het geen dag vol. Als ze niet allang krepeer ligt.

De hond stond stijf, geluidloos. Zelfs een jammerklacht bleef steken.

De eerste sneeuw viel. Grote natte vlokken dwarrelden neer op de hond, die roerloos bleef liggen.

Vanaf het moment dat hij het liefste was kwijtgeraakt, keerde Rikkert geen enkele keer meer terug in zijn hok. Hij sliep op de bevroren aarde, at amper, reageerde niet meer zelfs niet op Sander.

Rikkert, ze is nu op een fijne plek, vertrouw me maar. Warm, veilig Snap je me? sprak Sander zacht, hurkend naast hem en aaide hem voorzichtig.

Ik wil ook daarheen Wil bij mijn Heks zijn. Mag ik, alsjeblieft?

De dag ervoor had Rikkert opgevangen hoe onbekenden over hem praatten, als over een oude machine die zijn tijd had gehad. Ze zeiden dat hij versleten was, geen nut meer had, dat het magazijn toe was aan een jonge hond. Rikkert onthield verder niets van het gesprek het maakte hem niet meer uit.

De sneeuw bleef vallen, vlokken raakten zijn vacht en poten. Zijn adem werd zwakker. Langzaam sloot hij zijn ogen.

“Misschien, als ik nu slaap, hoef ik nooit meer wakker te worden…”

De stilte drukte steeds zwaarder. Rikkert voelde zijn eigen lijf verdwijnen, hoorde de wind niet langer, rook niets meer. Plots, tussen het grijs van vergetelheid, klonk een vertrouwde stem:

Kom op, vriend, wakker worden. Je gaat met mij mee.

De rest vervaagde Een warme auto, het zachte stoeltje, de monotone hobbelige rit vanuit de stad, nieuwe onbekende geuren, flarden muziek uit de autoradio.

De vermoeidheid overmande hem. Hij viel in diepe slaap achterin, terwijl Sander zacht neuriede.

Na uren stopte de auto. Sander hielp Rikkert naar buiten, ondersteunde hem: een huis, warm, welkom.

Jij blijft bij mij, ouwe vriend.

Rikkert kon het allemaal nauwelijks schelen. Toch probeerde hij, voor Sander, wat dankbaarheid te tonen. Het lukte niet overtuigend, maar Sander merkte het wel.

Kom maar, straks voel je je beter, zei hij geruststellend. De deur zwaaide open.

Binnen kreeg Rikkert ineens een zoet, vertrouwd aroma in zijn neus. Niet te verwarren met iets anders. Al zijn zintuigen op scherp.

Nog voor hij kon nadenken, sprong een zwarte schim van de vensterbank en liep kwiek op hem af ogen glinsterend, een wiegende staart.

Het was haar. Zijn Heks!

Zie je nou wel, dat ze op de beste plek is? zei Sander met een glimlach. Alsof ik ooit zou toestaan dat ze in het bos achtergelaten werd, ouwe goedzak.

Maar Rikkert en Heks hadden elkaar, trokken zich niets aan van de mensen. Er viel te veel te vertellen na die lange scheiding.

Toen de rust was weergekeerd, keek Rikkert opzij. Wat betekent dat woord eigenlijk heks? Hij wilde het vragen, maar besloot het niet te doen.

Heks is mijn vriendin. En meer hoef ik niet te weten.

Please rate
Bagattia News
Sinds de dag dat Tosja zijn dierbaarste bezit werd afgenomen, zette hij geen poot meer in zijn hondenhok. Nu sliep hij op de koude, kale grond. Hij at nauwelijks nog iets en negeerde zijn enige overgebleven vriend, Sietse, compleet…