Vaas
Nienke, ben je nou helemaal gek geworden! De huismeester maakt je af als hij erachter komt!
Och Sanne, wat moest ik dan? Hem op straat zetten? Zo zielig! Hij leeft nog!
Hij leeft inderdaad, maar ik weet niet of ik dat van jou kan zeggen als je hem houdt.
Sannetje, doe nou niet zo moeilijk! Het is toch geen tijger, gewoon een katje. Laat hem nou een tijdje blijven, ja?
Ach, hou maar op met dat gezeur zei Sanne lachend, terwijl ze het piepkleine kopje van de onverwachte oranje logé aaide. Denk je soms dat ik geen medelijden heb? Waar heb je dat scharminkel vandaan getoverd? Wat is hij mager zeg! En vast ook nog ziek, hij kan zijn koppie amper optillen. Wat een schat!
Luister! Nienke, die een lange sjaal van Sanne om het katje gewikkeld had, trok haar jas aan. Ik liep na mijn nachtdienst door het Vondelpark. Daar lag hij, midden op het pad. Of hij nu uit de struiken kwam of daar gewoon was achtergelaten, ik weet het niet. Helemaal bedekt onder de sneeuw. Ik had hem nooit gezien als hij niet zo fel oranje was. Ik raapte hem op, hij was echt ijskoud. Ik dacht dat hij al dood was, maar ineens ademde hij toch. Ik heb hem gepakt en ben gaan rennen, recht naar onze studentenflat. Je had Vera moeten zien kijken toen ik haar passeerde. Ze stond gewoon versteld, mond open!
Dan kun je haar zo verwachten hier. O Nien, dat krijg je nog op je boterham. Weet je nog bij Loes? Bijna moest ze uit huis toen ze een kat meenam. Ze zei: We zijn hier geen dierentuin! Geen dieren in de flat!
Ja maar Sanne, jij verraadt me toch niet? Nienke keek ongerust over haar schouder. Mocht Vera langskomen terwijl ik er niet ben, verstop je hem dan even? Ik warm nu wat melk, dan breng ik hem straks terug.
Ga nou maar! Sanne veegde de sjaal met het katje van tafel en leegde haar breimand. Ik heb niks gezien, niks gehoord, ik weet van niks! zong ze plagend, en met een knipoog naar Nienke deed ze de mand dicht. En gaan nou! Niet treuzelen!
Nienke vertrok en Sanne keek in de mand en schudde haar hoofd:
Wat een geluk, joh, zo’n brutaal oranjebeest… Kom op, adem maar lekker door, scharminkel! Nienke heeft een goed hart, als er wat met je gebeurt zit zij straks weer te snikken. En daar zit ík niet op te wachten.
Het katje maakte geen geluid. Hooguit dat hij ademde, heel zacht, ogen dicht, niet reagerend op haar woorden.
Langzaam werd de kamer donkerder; de winteravond viel, maar Sanne hield van die schemering. De avond voor haar, een boek om te lezen, tijd om met Nienke te kletsen, vragen hoe het nu is tussen haar en Micha. Sanne zuchtte, Nienke boft maar: een leuke vriend, gevraagd zelfs. En zij? Sanne? Niemand. Wie wil er nou zon lange Hollandse meid? Nienke is klein en fijn, vlechten tot aan haar billen, ogen als de zee. Maar Sanne? Oma zei altijd: een sterke boerin, die haar broertjes met één hand uit elkaar hield. Die jongens zijn nu volwassen, zelfs de oudste is al getrouwd met een heel leuk meisje. Sanne was er nog bij op de bruiloft, in het oude dorp. En nu? Nog altijd alleen. In de stad vonden jongens haar eng, zo lang en sterk als ze was. Och, misschien moet ze terug naar het platteland gaan, zoals oma zegt? Maar geen jongens meer over daar, en werk is er amper. Waarvoor heeft ze dan gestudeerd? Hier op de fabriek waarderen ze haar, zelfs een vakantiebaan aanbieden. Sanne schudde de sombere gedachten van zich af. Trouwen kan altijd nog! Ooit zal er heus wel iemand zijn.
Nienke kwam terug, op zoek naar een pipetje. Drinken uit een schoteltje lukte het katje niet; snuffelde maar wat, meer niet. Sanne legde haar boek weg en nam het oranje hoopje over:
Geef maar!
Naast haar op de bank vulde ze het pipetje, hield het kopje van de kat stevig vast, duwde hem de melk in het bekje en siste:
Toe nou! Niet zo eigenwijs doen. We hebben je toch niet gered voor niks!
Het katje verslikte zich, hoestte wat, maar begon te drinken.
Ze noemden hem Vaas. Ruim een jaar wist Vera, de huismeesteres, niet dat die kat bestond, totdat ze toevallig uit het raam een pluizige oranje staart zag verdwijnen.
Wat is dít nou weer?!
Haar gekrijs galmde door het studentenhuis.
Ah, Vera, alstublieft! U had geen idee, hoor! Die kat is echt slim, vangt muizen!
Muizen? Er zijn hier helemaal geen muizen! We zijn een voorbeeldhuis!
Nou, zei Sanne, armen over haar borst, schuin kijkend naar de huismeesteres en haar voet beschermend voor de nieuwsgierige Vaas dan zijn het voorbeeldmuizen: rond en vet! Vaas legt ze elke morgen keurig naast mijn bed neer. Volgende keer laat ik het zien. Misschien nodigen we de directeur uit, kan hij ook trots zijn.
Maria, denk om je woorden! Vera verlaagde haar stem, streng kijkend naar Nienke. Jouw schuld? En als je straks gaat trouwen, neem je hem dan mee?
Weet ik niet, zei Nienke, Vaas optillend. Hij houdt van mij, maar Sanne is toch echt zijn baas. Hij zou haar missen
Och, Vera lachte plotseling, je praat over hem als een vent, Nienke. Het is een kat! Zolang hij eten krijgt, blijft hij.
Dat zeg je nu wel, maar ík kan hem zijn favoriete eten geven of niet; hij wil toch altijd bij Sanne zijn. Nienke legde Vaas bij Sanne in de armen en sloeg plagerig een arm om Veras schouders. Dus, mag hij blijven?
Ach, je bent me er eentje! Vera schudde haar hoofd maar waarschuwde streng: Maar, géén gedoe. Als iemand hem vindt, vliegen we er allemaal uit. Snap je?!
De bruiloft vierden we groots; daarna bleef ik alleen met Vaas. De dagen voelden leeg, de oude flat was bijna uitgestorven. Iedereen hoopte op een kamer in het nieuwe complex, de bouw liep met horten en stoten. In de weekenden hielp ik mee; liep door lege gangen, mijn toekomst voor me ziend. Juist toen kwam Joost op mijn pad.
Hij was net als ik, van buitenaf; was bij zijn ouders gebleven tot ze er niet meer waren, en daarna verhuisd naar de stad. Wat vrienden betreft kon hij kiezen, maar Joost zocht meer: een vrouw met wat zekerheid, met een eigen kamer. Daar viel ik niet onder. Maar na die eerste keer dat ik hem, letterlijk, van bovenaf bekeek in de gang kon hij me niet loslaten.
Zijn pogingen maakten me aan het lachen.
O, alsjeblieft! Wat moet ik met zon kleintje? Kan ik hem zo op zn hoofd aaien! schaterde ik bij Nienke.
Sanne, kom op joh! Het gaat niet om lengte, het gaat om wie iemand is!
Ja, maar ik werd plots serieus, sorry, Nienke.
Ze keek hoe ik voorzichtig werd, steeds meer voor Joost voelde. En als ze dan, acht maanden zwanger, stijfjes haar jas pakte en mijn Vaas aaide, kon ik niet anders dan haar alles in vertrouwen vertellen.
Joost kwam steeds vaker. Vaas had echter direct een hekel aan hem. Hij blies, kromde zijn rug, vluchtte naar het raam en ging pas terug als Joost vertrok. Als Vaas binnen bleef, negeerde hij me de hele avond, geen aai, geen hapje. Ik begreep het niet.
Is hij jaloers of zo? vroeg ik aan Vera, bij wie Vaas zich dan maar gezellig op de bank nestelde als Joost er was.
Kan zijn, zei Vera bedachtzaam. Pas op San! Je weet maar nooit, straks gaat hij ervandoor.
Nee, joh, Vera. Dat is Joost niet.
Tja meisje zuchtte Vera, en liet het erbij.
En, tja, ze kregen gelijk.
Ik schonk eerst weinig aandacht aan dat gesnotter en mijn lekkere trek. Yoghurt die zuur smaakte, wat mosseltjes uit Friesland bedorven. Maar na twee weken voelde ik me steeds alleen maar zwakker. Op straat kwam ik Nienke tegen, wandelend met haar baby. Toen viel alles op zn plek.
San, hoe heb je dát nu kunnen laten gebeuren?! Nienke vocht de tranen weg. Weet hij het al?
Volledig overdonderd liep ik naar huis. Ik moest het Joost zeggen. Het vrije leven was voorbij. Nu begon het echte werk.
Maar Joost trok zich terug.
Sorry Sanne, dat kan ik niet. Weet ik wel zeker dat het kind van mij is? Dit is niet wat ik wil. Hij gaf Vaas een ferme schop toen die hem aan wilde vliegen.
Vaas beet zich nog in zijn enkel ook. Ik kon niet anders dan lachen door mijn tranen:
Laat hem los, Vaas. Je wordt nog ziek van die vent! Wij hebben hem niet nodig.
Zittend aan tafel, terwijl Joost vertrok, zwierf Vaas om mijn benen en sprong onverwacht op schoot. Daar bleef hij net zolang zitten tot ik klaar was met huilen. Toen gaf ik hem een aai.
Genoeg zo. Ik wil thee. Warme thee.
Mijn zoon meldde ik aan als mijn kind alleen. Met vaste stem keek ik de medewerker van de burgerlijke stand aan:
Geen vader. Nooit gehad ook. Alleen een moeder. Is dat voldoende?
Nienke maakte een babypakket klaar, Vera regelde een kinderwagen, en zorgde via de fabriek voor een beter kamertje maar de bouw lag weer stil. We moesten het ermee doen.
In de winter was het kouder dan koud. Daarom sliep Vaas standaard bij de baby. Vreemd, maar als Vaas de boel in de gaten hield, sliep Koen altijd rustig door. En ik? Ik keek naar dat gekke dier dat zijn poot beschermend om mijn zoon sloeg en zuchtte opgelucht. Soms kwam er amper inkomen binnen als mijn broers niet hielpen, had ik er geweest. Joost was uit beeld, verhuisd of verdwenen. Ik dacht niet meer aan hem. Alleen Koen was belangrijk.
Mijn familie kwam gelijk met kleine Koen thuis. Wat een beer! zei mijn broer trots. Op de bruiloft geen vragen, geen oordelen. Schoonzus omarmde me in de keuken: Goed gedaan! Nu ben je niet meer alleen. En er komt vast iemand die je het geluk gunt. Maak je geen zorgen.
En ze hielden zich aan hun woord. Om de week kwam een van mijn broers met brood, kaas, of wat fruit uit het dorp. Ik snotterde dan zacht stiekem, want wat heeft een mens nou écht nodig? Een paar mensen die je steunen, ongeacht wat er gebeurt.
Koens eerste maanden op het kinderdagverblijf waren vreselijk; steeds ziek. Alleen dankzij Vera en Nienke hield ik het vol. Anders was ik allang terug naar Friesland gegaan. Maar met mijn familie onder één dak dat wilde ik niet.
s Avonds, bezorgd aan Koens bedje, dacht ik: Niet iedereen treft een liefde waar je op kunt bouwen. Wat wil ik nu eigenlijk zelf? Geen mooie praatjes en bloemen meer voor mij. Maar gewoon een man die rustig een kop thee zet, me op bed stuurt als ik moe ben, en in het weekend samen naar Artis wil. Die mijn stoofpot prijst, die de plank ophangt gewoon iemand die er is.
Dat is wat voor mij gezin betekent.
Slapen deed ik voortaan half aan tafel, bij het ledikantje.
Die nacht veranderde alles. Koen was al drie dagen ziek; de temperatuur wilde niet zakken. De huisarts aan de overkant kwam elke dag even langs.
U doet het goed, Sanne. Even afwachten. Het gaat vanzelf over, hij is een sterke jongen.
Vera bracht een pannetje bouillon en aaide Koens vochtige hoofdje.
Nog steeds koorts?
Ja, wat ik ook doe. Ik trek het niet meer, Vera.
Kom, ga eten en dan slapen. Je doet alles wat je kan.
Ik knikte en maakte nog gauw een kompres.
Vaas sliep zoals altijd bij Koen. De kleine reikte naar de zwiepende staart, lachte even en viel toen diep in slaap. Opgelucht gebruikte ik het moment om de bouillon even te gaan opwarmen.
Plots hoorde ik gestommel en glasgerinkel, en Koen begon te huilen. Toen ik de kamer binnenstormde, stond ik aan de grond genageld. Halverwege de kamer vocht Vaas op leven en dood met een gigantische rat. Zijn oor lag open, zijn flank was bebloed. Ik wilde ingrijpen, maar Vaas beet zich vast in de keel van dat beest en gaf niet meer los. Toen ik eindelijk de rat van hem lospelde, kreunde Vaas en strompelde naar Koen.
Maar in het wiegje lag nóg een rat, kleiner maar voor mij groot genoeg om te schrikken. Ik greep Koen en schreeuwde in paniek om hulp.
Een uur later vertrokken we richting Veras flat, de baby goed ingepakt. Vera beloofde goed op Vaas te letten.
Wat een ellende! Muizen kan ik aan, maar ratten! Net de hele week gif gestrooid
Ze maakte de kamer van boven tot onder schoon, zette Vaas bij zich in de logeerkamer en verzorgde zijn wonden.
Je bent een held, Vaas! Wat een goeie kat ben jij zeg.
Maar Vaas wilde niet meer eten; Vera zag meteen dat het menens was. De volgende ochtend holde ik naar de dierenarts, Vaas slap in mijn armen.
Alstublieft! Wie is de beste dierenarts? Nu!
De assistente wilde wat zeggen, maar keek naar mijn gezicht en wees snel op de bank:
Neem plaats, mevrouw.
Met Vaas op schoot voelde ik zijn ademhaling steeds langzamer worden. Toen kwam er een beer van een vent binnen; reusachtig, zijn hoofd stootte bijna tegen de deurpost.
Wie is hier ziek? bromde hij. Ik raakte even de kluts kwijt.
Hier mijn kat.
Wie heeft hem zo toegetakeld?
Ratten.
Het is duidelijk geen zwerver. Piepklein litteken hier die verzorg je goed.
Ja, het is mijn kat.
Laat je hem buiten dan?
Nee, dit gebeurde gewoon in mijn kamer.
Gek verhaal.
Gaat u me nu nog lang vragen stellen? Het gaat hier om hem, help asjeblieft! Hij heeft mijn zoon gered!
Rustig nou, schreeuwen hoeft niet. Ik heet trouwens Bastiaan. En hoe heet u?
Sanne.
Goed. We gaan er alles aan doen. Maar voortaan, liever geen geschreeuw!
Hij glimlachte plotseling geruststellend.
We gaan deze held er weer bovenop helpen, beloofd!
Jaren later Vaas is inmiddels een dikke, slimme kater sluipt hij de kinderkamer binnen, inspecteert elk hoekje, springt in Koens bed, en naast Koens zusje Anna rolt hij zich op. Anna slaat een klein handje in zijn pluizige vacht, Vaas spint en het meisje slaapt vast verder, niet meer bewust van haar ouders die stil de kamer binnenkomen. Ik trek Koen zijn dekentje recht, trek de sok terug bij Anna, en leun tegen Bastiaans schouder.
Goeie oppas, hè Bastiaan?
De beste, glimlacht hij, aait Vaas over dat ooit zo gehavende oor, ik heb er geen spijt van dat ik toen dag en nacht voor hem heb gezorgd. Zulke katten? Die zijn goud waard!
Hij is goud, kijk maar.
Vaas duwt zijn natte neusje in mijn hand en krult zich beschermend om Anna heen. Ik doe het lampje uit, wenk Bastiaan, sluit zacht de deur.
Mijn kinderen waren nooit bang in het donker, want Vaas was altijd dichtbij. En met zon vriend, hoef je voor niks bang te zijn.
Vandaag weet ik: wat er ook gebeurt, ik sta niet alleen. Familie, vrienden iemand om op te leunen vind je soms op onverwachte plekken. En soms is dat gewoon een oranje kater met een gouden hart.







