Papieren huis
Isa, we komen nog te laat!
Pap, ik ben bijna klaar! Isa huppelde op één been terwijl ze een sok aantrok.
Die sokken waren apart. Niet hetzelfde. Eén oranje en één blauw. Tante Liesbeth had ze gegeven. Net als de schoenen. Ook verschillend. Ze zei dat zoiets tegenwoordig helemaal hip was in Amsterdam.
Isa geloofde Liesbeth altijd. Tante was namelijk een typische modegek. Ze zei: als Moeder Natuur je niet heeft verwend met schoonheid, dan moet je dat op andere manieren compenseren.
Met dat schoonheidsidee was Isa het niet eens met Liesbeth. Nou en, misschien paste ze niet aan het schoonheidsideaal zoals je dat tegenwoordig op straat ziet? Mager als een paling, met donker haar en grijze ogen Liesbeth kon zo opvallend aanwezig zijn, dat Isa alleen maar moest lachen als ze samen door de straten van Utrecht liepen.
Niemand ziet jou staan, tuurlijk niet! Zie je niet dat iedereen omkijkt!
Wie? Liesbeth keek meteen om zich heen, alsof ze een verdwenen tram op het Damrak zocht.
Isa moest dan altijd lachen. Wat was Liesbeth toch eigenlijk zelf ook nog een meisje! Isa voelde zich naast haar altijd de volwassen tante, ook al was het andersom.
Die goedgelovigheid van Liesbeth bleef Isa verbazen.
Hij zei tegen me dat hij mij leuk vond, Isa! Ik weet niet wat ik moet doen!
Vind jij hem ook leuk, dan?
Erg zelfs! Maar ik ben bang voor hem!
Hoezo?
Hij is zo knap. Alle vrouwen op kantoor lopen met hem weg. Waarom ziet hij mij dan staan? Zo raar!
Liesbeth, jij bent niet raar. Je bent mooi én slim! Waarom zou jij hem niet mogen bevallen?
Het was een rhetorische vraag. Hoe hard Isa het pantser van Liesbeths onzekerheid ook probeerde open te breken, het lukte maar niet. Isa voelde soms een woede, tot aan tranen toe, maar het hielp niet.
Meisje, het is moeilijk om iets om te draaien waar zoveel jaren in zijn gestoken. Haar vader, Joost, schudde zijn hoofd bedaagd.
Door wie dan, pap? En waarvoor? Waarom moet je een mooie vrouw onzeker maken? Jij hebt mij toch anders opgevoed!
Ik wel. Maar je leert meer van je leraren dan je lief is.
En Liesbeth dan? Je zegt het maar nooit, pap, maar je bedoelt oma, toch?
Wat moet ik erover zeggen? Dat mijn moeder haar kind niet goed opvoedde? Zou dat goed zijn? Je bent volwassen, je weet wat respect voor ouders is. Mijn moeder heeft mij alleen opgevoed, zonder vader. Later was er Jan, mijn stiefvader. Je weet dat ik hem altijd heb gewaardeerd. Hij was nooit streng, maar liet mijn moeder ook niet bemoeien met mijn opvoeding. Mannen moeten jongens opvoeden, zei hij.
Pap, maar waarom deed hij dan niets bij Liesbeth?
Jawel, maar daar werkte zijn principe tegen hem. Het was nu een meisje. Dus mijn moeder voedde haar op zoals zij goed vond. Oordeel niet te hard. Daar zat ook wat achter.
Wat dan? Isa keek naar Liesbeth en voelde zich verdrietig. Ze is zo goed, maar zo onzeker, ongelukkig zelfs. Waarom is ze zo bang voor alles?
Je weet soms niet waar het vandaan komt. Mijn moeder was altijd panisch bezorgd om Liesbeth. Tot bijna hysterie aan toe. Ze begeleidde haar nog tot halverwege de middelbare school naar school. Ze was bang dat Liesbeth iets zou overkomen. De zwangerschap was zwaar, ik weet dat nog. Oma lag bijna de hele tijd in het ziekenhuis. Juist toen raakte ik bevriend met Jan, mijn stiefvader. Wij twee mannen, daar ergens, met een vrouw in het ziekenhuis die we allebei liefhebben. Het verbindt, snap je? Jan deed alles, maakte soep, haalde verse kip op de markt, boende het huis. Toen heb ik pas begrepen hoe je een man hoort te zijn. Hij was nooit een prater, je weet het niet meer, wat jammer is.
Nee, pap Alleen dat hobbelpaard herinner ik me, dat hij voor mij heeft gemaakt.
Ja! Toen we op jou wachtten, timmerde hij eraan. Hij deed alles, ook als hij zich slecht voelde. Bang dat hij niet op tijd klaar zou zijn.
Waar is dat paard?
Op zolder. Als er ooit kleinkinderen komen, haal ik het weer naar beneden.
Pap!
Wat? Jij maakt me heus nog opa!
Niet snel!
Oef! Gelukkig!
Pap!
Wat zeg ik nou weer fout?
Joost lachte om zijn dochter, en was zichtbaar opgelucht. De vragen werden niet minder, maar antwoorden wilde hij niet altijd geven.
In hun gezin was niets ooit simpel. Liesbeth noemde hun huis vroeger wel het papieren huis.
Waarom, Liesbethje?
Joost, slungelige puber, altijd bezig, maakte altijd tijd voor zijn kleine zus. Liesbeth amuseerde hem.
Omdat hij net zo is als jouw tulp! Liesbeth draaide het papieren bloemetje rond dat haar broer gevouwen had. Mooi, toch? Maar kijk eens!
Ze legde de bloem op haar handpalm en sloeg er plots met haar andere hand bovenop.
Waarom doe je dat?! Joost schrok ervan.
Hij is leeg vanbinnen. Zie je? Maak er nog één!
Ga je die ook plat slaan?
Nee, ik laat je wat zien.
Het kostte moeite, maar Liesbeth wurmde plakkerige klei door het kleine gaatje onderin de papieren tulp.
Zie? Nu kan ik hem niet meer plat drukken. Papier, maar stevig. Ons huis is niet zo. Daar mist de binnenkant.
Joost draaide verbaasd het bloemetje, onder de indruk van haar inzicht.
Die bloemen had hij geleerd van zijn buurmeisje, Femke. Van buiten leek ze serieus, maar in de les kon ze niet stilzitten.
Mijn handen moeten altijd iets doen als ik denk.
Onder haar vingers kwam papier tot leven. Aan het eind van elk lesuur stond er weer een kraanvogel of kikker, soms een heel boeket papieren tulpen. De leraren lieten het toe. Femke deed het immers goed op school. Zolang ze maar leerde.
Joost nam de origamis altijd voor Liesbeth mee. Zij raakte er niet op uitgekeken.
Hoe maakt ze dat?
Wil je dat ik het vraag of ze het je leert?
Graag!
Joost vroeg het zijn moeder, en mocht dan met Liesbeth wandelen in het Vondelpark. Maar Femke bij hen thuis uitnodigen, dat durfde hij niet. Moeder zou dat niet goedvinden.
Gerda, de moeder van Joost en Liesbeth, was streng. Soms gewoon te streng. Joost hield van haar en dacht lang dat het uit bezorgdheid kwam.
Joost, denk aan je toekomst! Niemand is iets verplicht! Natuurlijk ben ik je moeder, maar wat ik kon doen, heb ik gedaan. Geboren, opgevoed, dat is het. Je moet zelf verder, ik heb Liesbeth ook nog. Reken niet op Jan, dat is nou eenmaal niet je vader.
Joost wist dat als Jan thuis was, zulke gesprekken nooit plaatsvonden. Jan vond dat alleen een goed gezin echt belangrijk was. Hij bouwde het huis zo, dat iedereen het er naar zn zin had. Maar Joost begreep al vroeg dat iedereen daar wat anders onder verstond. Waar Jan vond dat kinderen verwend moesten worden, vond Gerda dat strengheid en zelfs angst belangrijk waren.
Gerda was 25 uur per dag bang voor haar kinderen. Soms zelfs nog meer, voor het geval dat. Isa kende dat als kind al niet anders, en toen Liesbeth geboren werd werd het een soort mantra.
Wat als iemand Liesbeth wat aandoet!
Dat gold voor iedereen: vriendinnetjes deugden allemaal niet, leerkrachten niet, alleen functionele contacten. Zelfs omhelzen met de juf kon niet wie is dat eigenlijk? Anderen? Waarvoor? Het gezin was toch genoeg?
Waarom Gerda zo geobsedeerd was met gevaar voor haar kinderen wist Joost een tijd niet. Hij zag hoe ze altijd in de weer was, haar baan opgaf voor het halen en brengen van Liesbeth, haar rijbewijs haalde alleen maar om haar dochter naar muziekles of atletiek te brengen. Joost hielp, maar toen Liesbeth ouder werd, was hij met zijn eigen leven bezig.
En dat leven bevatte veel Femke en daarna hun dochter, die voor Gerda als een schok kwam; een kleindochter voor haar zoon vijfentwintig werd!
Joost! Waarom zo vroeg, zo… onverstandig… Je diploma moet je nog halen! Gerda stond aan het raam te bibberen als ze neurotisch werd.
Ma, ik ben geen baby meer. Ik ben zelf verantwoordelijk. Femke verwacht een kind. Van mij.
Maar… je had toch voorzichtig kunnen zijn? Er is nog een weg…
Stop, ma. Zeg nu niet wat ik niet accepteren kan. Ik heb al te veel gehoord. Denk er maar over na.
Joost liep weg. Die avond nam hij afscheid van Liesbeth, en klopte nog even aan bij zijn stiefvader Jan.
Jan was al maanden ernstig ziek. Joost merkte dat alleen hij wist hoe moeilijk de strijd voor Jan was.
Nu gaf Jan Joost zijn sleutels.
Deze week maken we de papieren in orde. Voor je zus en je moeder laat ik het huis op het platteland achter. Daar zit waarde in: er wordt binnenkort een villapark gebouwd, de grondprijs stijgt. Jullie redden je wel. Jij en Femke, die woning is van jullie. Je doet het goed, zoon. Je kind moet een thuis hebben. Een sterk, betrouwbaar huis, snap je?
Ik snap het, pap. Dank je…
Jan heeft Isa nooit gezien. Ze werd geboren precies een week nadat hij, zonder een zucht achter te laten, was overleden.
Zonder morren nam Joost de leiding in huis. Liesbeth kon iets rustiger ademhalen. Ze wist altijd dat Joost haar papieren tulp ergens op zijn werkkamer hield.
Waarom bewaar je die? vroeg Liesbeth, de harde klei onder het papier voelend.
Die zorgt dat ik geen lege huls word, Liesbeth. Herinnert me wat ik moet doen.
Wat dan?
Jullie leven vullen met iets beters dan leegte. Niet alleen voor Femke en Isa, maar ook voor jou en mama.
Dat is moeilijk, Joost. Ze hoort je toch nooit.
Maar ik kan het proberen.
Ja… proberen kun je altijd… Liesbeth zuchtte en veranderde van onderwerp.
Ze wilde niet dat Joost ruzie kreeg met moeder.
Gerda had zich na het overlijden van haar man als het ware afgesloten. Liesbeth begreep niet goed wat er gebeurde. Joost hoefde niet te gissen; hij herinnerde zich het vertrek van zijn eigen vader nog goed. Hij was nog maar vier, maar de tranen, het gegooide kristallen vaasje en de scherven die zijn moeder snikkend opraapte, waren scherp in zijn geheugen gegrift. Daarna werd de gang in huis zijn vaste strafplek, zijn moeder schoot uit over alles, knuffelde hem daarna wild en verontschuldigde zich weer. Maar Joost was altijd een schildpadje, zoals ze hem noemde.
Je bent een dikke huid, jongen! Je huilt nooit. Zusje zou anders niet kunnen. Niet iedereen kan zo zijn.
Al die manipulaties herinnerde Joost zich, en hij probeerde Liesbeth ervoor te beschermen. Maar dat betekende wel dat hij zelf niet onder moeders dak kon blijven wonen. Femke, fragiel als haar papieren kunstwerkjes, was niet bestand tegen zijn moeders temperament.
Joost, ik zei het toch! Gelukkig is Isa gezond geboren! Wat is het zwaar als een jonge vrouw een zwak hart heeft Zoveel hangt af van keuzes in het leven de goede keuzes
Joost klemde zijn kaken op elkaar.
Mam, NU ophouden! Anders gaan we ruzie krijgen!
Maar Joost! Ik bedoelde toch niks ergs? Je weet toch hoe direct ik ben!
Ja, te direct Joost nam zijn dochter, opgehaald bij oma, en vertrok vaak zonder Liesbeth nog te vragen hoe het ging.
Maar Liesbeth klaagde nooit. Ze hield alles voor zichzelf. Net als haar vader. Alleen voor moeder en broer maakte ze een uitzondering.
Tussen haar en Gerda zaten liefde en vertrouwen op extreem dun ijs. Eén foute stap, en de angst voor verlies kliefde alles open, en werd alles koud en eenzaam.
Na vijf jaar raakte Femke haar strijd moe en stierf ze ‘s nachts, zonder een woord. Joost hoorde het niet, tot de waterkoker overstroomde, de kat schrok en hij uitgleed in de keuken. Met het pluche konijn van Isa in zijn vuist, huilde hij dierlijk diep, tot niets meer kwam.
Hoe hij verder functioneerde weet Joost nauwelijks. Isa hing de hele tijd aan hem en vroeg bijna nooit iets over haar moeder. Pas toen hij haar op de grond zag zitten voor de foto van Femke en tegen het konijn fluisterde, begreep hij: Isa weet alles al.
Toen hij haar later vasthield, vroeg hij:
Wie heeft het je gezegd?
Oma! Ze zei dat ik jou moest troosten. Over mama praten mocht niet, want dat was te pijnlijk.
Joost knuffelde haar bijna te hard.
Sorry, kleine! Je mag altijd over mama praten hoor! Niemand verbiedt het je!
Aan de schok in Isas adem en de tranen die kwamen, merkte hij de last die zijn kind had gedragen. Woede beving hem over zijn moeder, vooral na die ene nacht dat Liesbeth, natgeregend, voor de deur stond.
Ze zei niets, omhelsde haar broer, en bleef slap in zijn armen. Later pas zag hij de blauwe plekken op haar armen.
Wat is dat?
O, laat maar ik wil het niet uitleggen, Joost.
Je zult wel moeten, Liesbeth. Ik wil je helpen.
Haar grijze ogen vulden zich met tranen, ze schudde haar hoofd.
Mama? vroeg Joost, bang voor het antwoord.
Liesbeth knikte, pakte zijn handen.
Laat me nu niet teruggaan alsjeblieft Joost, ik ben zo bang
Hij troostte haar, dacht na. Nu ruzie maken zou alles rampzalig maken. Zijn moeder had nu haar eigen grens overschreden, door te geloven dat haar dochter alleen háár toebehoorde.
Vertel het dan maar, Liesbeth. We zoeken het uit. Ik laat niemand je pijn doen. Echt, vertrouw je me?
Bleef Liesbeth ook maar éven twijfelen, dan zou Joost zich geen man meer voelen. Gelukkig knikte ze onmiddellijk en rechtte haar rug. Ze leek nu erg op haar vader. Joost wist dat hij haar moest bijstaan, koste wat het kost.
Mama hoorde dat ik wat had met Maarten. Herinner je hem nog?
Die met dat warrige haar? Joost schoof een boterham naar haar.
Eet!
Geen trek. Later. Jij bent zelf warrig! Maar ja, die. Serieus was het niet: twee keer bios, parkwandeling. Overdag! Hij probeerde me niet eens te zoenen!
Liesbeth, schreeuw niet. Ik geloof je. Maar wat gebeurde er met mama?
Ze schreeuwde! Schudde me door elkaar! Zat dingen te roepen ik wil niet herhalen wat ze zei! Waarom doet zij me dat aan? Ik ben toch geen slecht kind? Ik luister ALTIJD! En nu zegt ze dat ik een kind krijg en net zo zal zwoegen als jij Sorry! Sorry Joost! Ik had dat niet mogen herhalen Ik hou gewoon niet altijd mn mond…
Liesbeth huilde zo zielig dat Joost even niet wist wat te doen.
Het antwoord kwam vanzelf. Ze leek zo op Isa, dat hij haar op schoot Nam en knuffelde.
Het wordt een overstroming! Huil maar lekker, Liesbeth. Niemand zal je ooit nog iets doen! Dat zweer ik.
Grijze ogen keken hem aan. Nogmaals zei Joost:
Niemand! Zelfs mama niet. Ik beloofde papa dat ik je altijd zou beschermen. Denk je dat ik dat kan breken?
Liesbeth schudde haar hoofd.
Precies. Hij leerde me mannenwoord houden. Wil je straks op Isa letten? Ze wordt bijna wakker. Geef haar wat ontbijt; ik ga met mama praten.
Niet doen! Liesbeth rende heen en weer door de keuken.
Jawel! Joost dwong haar te gaan zitten en gaf haar zijn boterham. Opeten. Daarna wassen, ik wil mn kind niet laten schrikken.
Het gesprek met Gerda was zwaar. Ze schreeuwde, huilde en smeekte dat Joost Liesbeth terug zou brengen. Joost zei niets, tot ze bedaard was.
Liesbeth blijft bij mij, mam.
Met een handgebaar stopte hij haar gejammer.
Voorlopig. Tot ze tot rust komt. Jij ook.
Maar Joost! Ze heeft school, tentamens, musical binnenkort!
Mam, luister je zelf wel? Ze was de hele nacht weg en jij deed niets! Als ze nu niet hier kwam?
Ik dacht dat ze in haar kamer was!
In je poging alles te controleren, zie je niet meer dat ze mensen zijn! Misschien zag je dat nooit! Je hebt niet door dat wij geen poppen zijn.
Waar slaat dat op, Joost?!
Wanneer sprak je mij voor het laatst als zoon toe, niet als ondergeschikte? Hoe het met me ging na Femke? Ja, je helpt met Isa, maar je behandelt ons als personeel. Katja heeft mij, en het boeit me niet of ze haar school niet haalt. Ik betaal haar studie, ze wordt dierenarts. Wist je dat? Nee? Nu wel! En ze wil dat zélf. Dat recht heeft ze.
Jij hebt daar niets over te zeggen! Ik ben haar moeder!
Maakt dat breken geoorloofd? Joost werd nu rustig.
Voor hem stond geen leeuwin, maar een weifelende vrouw, onzeker over elke stap.
Joost pakte haar schouders, keek in haar ogen.
Ma, wil je echt alleen eindigen? Het is geen chantage, alleen een waarschuwing. Doe je zo, dan raak je ons kwijt. Ik zal Liesbeth nooit laten vallen. Maar wat blijft er dan voor jou over? Denk na.
Hij kuste haar op het voorhoofd, verliet het huis en zakte op de bekende tredes neer.
Hoe vaak was hij die niet opgerend, uit school, of naar een afspraak? Nu kon hij niks, gewoon zitten. En dacht: hoeveel treden zitten hier eigenlijk in één trapdeel?
Zo gewoon, zo vreemd. Hoe vaak loop je ergens en weet je niet eens hoeveel
Zijn telefoon bracht hem weer tot leven. Hij stond op, telde nu alle treden exact, en ging naar huis. Nu wist hij wat hem te doen stond.
Zijn aanpak werkte. Gerda hield de stilte niet vol, en stond twee dagen later met bloemen op de stoep.
Het verzoenen ging langzaam.
Liesbeth kon niet direct vergeven. Nog jarenlang waren hun relaties als haperende schommels. De richting was telkens onbekend.
Gerda deed haar best, nu ze doorkreeg dat haar kinderen niet meer klein wilden zijn zij zouden niet langer wachten tot ze haar daden zou inzien. Nu klonk een andere melodie: Zij samen, en ik?
Liesbeth werd dierenarts in een fijne praktijk. Isa lachte zich krom om haar tante wanneer die weer met een slang of een papegaai het huis binnenstapte.
Liesbeth! Dat is een python!
En? Joostje, kijk nou hoe lief hij is! Zo warm ook! Kom, kom eens aaien, das niet eng! Dit is tijdelijk hoor, de eigenaar is op cursus. Goosje vindt het thuis alleen maar niks!
Goosje? O help, zelfs een naam!
Tuurlijk!
Isa schaterde, en dreigde haar vader dat ze later óók dierenarts werd.
Geen sprake van! riep Joost in gespeelde wanhoop.
Werk, huis, tedere pogingen tot herenigen met oma. Liesbeth leefde op routine. Isa probeerde haar vader te koppelen aan vriendinnen maar dat werkte niet.
Tot ineens: nieuws!
Ik wil jullie voorstellen aan mijn vriend. Liesbeth keek verlegen naar beneden. En niet lachen om me!
Liesbeth, we zouden eerder moeten huilen! grinnikte Isa.
Rechter sportschoen, gestolen door een van Liesbeths patiënten, lag onder het bed in Joosts kamer. Isa schoot die aan en sprintte de gang op.
Klaar!
Echt? Joost keek haar geamuseerd aan. Moeten we alsnog haasten?
Pap! Overdrijf niet! We hebben nog een half uur!
Ze zagen het paar al lopen tussen de egels en ganzen van het Amersfoortse stadspark.
Pap, pap, is dat hem? Met krullen?
Isa fluisterde zo luid dat Liesbeth fronste en haar een waarschuwend vingertje gaf.
Maarten.
Joost.
Handdruk, glimlach, hoofdknik.
Isa.
De Krullenbol! Maarten lachte en keek lief naar Liesbeth. Laten we samen veel lachen, Liesbeth! Wauw, wat een aparte schoenen! Die wil ik ook!
Isa lachte Joost toe, en ineens zag ze het bij Liesbeth waren haar ogen geen staal meer, maar fonkelend zilver. Zo mooi, dat Isa haar mond open liet vallen en in haar handen klapte tot verbazing van de nieuwe aanhang.
Wat? We zijn een raar stel bij elkaar, wen er maar aan!
Dat stelt me gerust! Nu weet ik dat ik erbij zal horen… Collectief? Of hoe moet ik het noemen?
Familie, Maarten, familie! knipoogde Isa naar Liesbeth, en ze haakte haar arm fest aan haar vader.







