De Rode Strik

De Rode Strik

Liesje stond in een schemerige keuken die tintelde van het ongeziene licht. Ze keek toe, dromend, hoe de damp uit de pan met boekweit langzaam omhoog kringelde. Het was niet de mooie, grote boekweit van de biowinkel, maar de soort uit platte kartonnen pakjes voor één euro per stuk; klein en wat bitter van smaak. Ze roerde met een houten lepel, legde het simpele deksel schuin op de pan, en leunde met haar rug tegen de oude grijze Bosch-koelkast. Die bromde goedkeurend of zo leek het alsof hij met haar dacht.

Buiten leunde de straat Bouwmeesterslaan in het natte ochtendlicht tegen de wolken. Flatgebouwen van vijf verdiepingen, oude kastanjebomen die elk voorjaar hun pluis in elke kier en sponning duwden, op de hoek een bloemenstalletje vol fietsen voor de deur. Twaalf jaar woonde Liesje hier, ze kende de straat als een oude, eeltige hand, en ze wist precies welke traptrede altijd piepte in het portiek.

Herman kwam zonder aankondiging binnen, zoals hij altijd deed. Hij kon ergens gewoon ineens zíjn lang, breedgeschouderd, in een lichtgrijs overhemd dat ze nog nooit gezien had. Ze begreep pas seconden later dat dit hemd nieuw was; in het oogwenk dat hij binnenstapte viel haar vooral een andere geur op. Licht, bloemig, met iets zoets eronder niet haar parfum, niet het frisse van een mannenlotion, niet het leer van zijn stoel in de auto.

Wat eten we vandaag, mijn stoere Friezin? grijnsde Herman, en wierp een blik in de pan waar de bookweit zuchtte. Weer kale boekweit met alleen water en brood?

Met ui, zei Liesje. En een beetje boter.

Met ui, chic hoor. Hij klopte haar op haar schouder. Even doorbijten. Nog een beetje sparen en dan komt het allemaal goed. Je zult het zien Villa Wilgenhof hebben we zo voor het zeggen.

Liesje knikte. Ze had een manier van knikken die op instemming leek, maar vooral uit moeheid bestond. Haar hoofd tolde alweer zachtjes, alsof haar droomwicht de kamer schuinduwde. Het was het eten, ze wist het, en hield haar mond.

Hebben ze jou gevoerd, vandaag? vroeg ze.

Op de zaak was er een lunch. Ben voorzien.

Hij pakte een mok, goot kraanwater in en dronk die leeg terwijl hij bleef staan. Daarna zette hij de mok in de gootsteen, alsof het een soort bewijs was, en liep de kamer uit. Liesje bleef achter, haar blik stak in die mok. Ze draaide het gas uit, gaf de pan een kleine beweging en begon het eten in de borden te scheppen.

Na drie jaar zuinig leven was ze veel gewend geraakt. In plaats van kwark kocht ze nu goedkope karnemelk, haar jas, die al vijf winters meeging, had ze zelf gerepareerd. De kapper had ze laatst gezien in november, het jaar ervoor. De laatste keer had ze zelf haar haar geknipt, bij het beslagen spiegelkastje in de badkamer soms best oké, soms niet.

Drie jaren geleden had Herman haar fotos laten zien. Een huisje in de nieuwbouwwijk aan het bos, Villa Wilgenhof, veertig minuten met de trein van Amsterdam. Bakstenen, een zolder, appelbomen in de tuin, een oude waterput die nu meer boerderij was dan bron, groene luiken, een houten veranda met bankje onder een sering.

Kijk dan, had hij gezegd, terwijl hij de laptop op haar schoot legde.

Liesje had gekeken. En het voelde warm, diep van binnen. Niet als blijheid, maar iets ernaast: mogelijkheid. Ze had haar leven doorgebracht tussen muren die nooit van haar waren geweest, altijd een gehuurd huis, een gehuurde lucht. Hier, op het scherm, bloeiden appelbomen.

We moeten drie jaar flink de hand op de knip houden, had Herman rationeel gesteld. Ik heb het uitgerekend. Als we elke maand zoveel apart zetten, en jij wat minder aan jezelf besteedt…

Hoeveel moet het precies kosten?

Hij noemde een bedrag. Liesje zweeg toen, even.

Dat is veel, zei ze.

Het is een huis, Liesje. Ons huis. Tuin, frisse lucht, stilte. Denk je dat dát goedkoop is?

Ze stemde toe, aarzelend. Ze openden samen een spaarrekening. Liesje stortte iedere maand precies de helft van haar pensioen en wat ze verdiende met kleine boekhoudklusjes. Ze werkte parttime voor een klein notariskantoor. Herman zei dat hij drie keer zoveel bijdroeg.

Liesje geloofde hem.

Geloven was haar talent, zoals nu gezegd wordt; niet omdat ze naïef was, maar omdat het leven zo makkelijker was. Wantrouwen put uit: geloof bespaart kracht.

De eerste winter viel mee. Simpeler eten, minder luxe het voelde bijna als een spel. Zoals toen je kind was en je geen geld had voor een ijsje, maar met zelfverzonnen lekkers jezelf tevreden stelde. Ze maakte soep van alles wat goedkoop was, las tips voor budgetvriendelijk genieten. Soms was er iets op korting, dan was dat pure feestelijkheid.

Het tweede jaar werd zwaarder. Het lichaam protesteerde niet luid, maar subtiel. Slappe benen, constante loomheid. In de bus betrapte ze zichzelf op nietsdoen, nietsdenken gewoon staren. De dokter bezocht ze niet, het geld was er niet, in de wachtkamers had ze de energie niet.

Misschien moet ik mijn bloed laten onderzoeken, had ze weleens tegen Herman gemompeld.

Naar de huisarts of privékliniek?

Privé, dan ben je tenminste zo aan de beurt.

Weet je wel wat het kost nu, elke honderd euro telt! Ga naar de huisarts in de buurt.

Ze deed het. Bloedarmoede, zei de arts. Net binnen de grens. Meer rood vlees, ijzer, vitamines.

Liesje kocht het goedkoopste potje multivitamine bij de Kruidvat. Rood vlees zat er niet in haar budget.

Het derde jaar stond ze niet meer op de weegschaal. De spiegel toonde genoeg: haar gezicht strakker, huid lichter onder de ogen, het haar doffer. Bij de kringloop op het Eikenplein vond ze een degelijke blauwe mantel, haast ongedragen. De oudere verkoopster, met kopergloed in het haar, zei: Goed stuk, hoor. Daar kun je jaren mee voor de dag komen.

We weten allemaal waar we aan toe zijn, glimlachte Liesje.

Ze ving haar spiegelbeeld op in de glazen deur van een winkel. Keek heel even. Liep verder.

Herman wist hoe hij haar moest opbeuren. Hij praatte als iemand die wist dat al het goede in de toekomst lag, dat je alleen even moest doorzetten Nog heel even. Dat werd de achtergrondmuziek van haar dag. Ze hoorde het, maar luisterde niet meer.

Je bent een powervrouw, zei hij als ze het eenvoudigste diner at. Top, Lies.

Liesje glimlachte. Echte glimlach, maar zonder blijdschap. Alleen haar gezichtsspieren kenden het ritme.

Heel soms belde ze haar dochter, Maartje, die met man en twee kinderen in Groningen woonde, zelden tijd had, altijd druk. Liesje klaagde niet. Dat kon ze niet, dat wilde ze niet.

Hoe gaat het, mam?

Goed. We sparen voor een huis.

Zijn jullie nog steeds bezig?

Bijna.

Wat goed.

Ze zwegen over zorgen, spraken over trivials. Na het ophangen liep Liesje traag de keuken in.

Die herfst rook alles intenser. Binnenin voelde ze zich klein, scherp, alert alsof haar lijf – als een vos die te weinig voedsel krijgt – alles zwaarder beleefde. Parfum aan Hermans overhemd rook ze voor het eerst begin oktober op de keuken bloemig en zacht zoet, een gehuurde geur.

In november kwam hij laat thuis, vrolijk, met roodgloeiende wangen Vergadering liep uit. Toen ze hem hielp zijn jas uitdoen, herkende ze de geur weer: warm en duur; ze wist niet hoe het heette, ze wist gewoon, het was niet de hare.

Moe?

Doodop. Drie uur zitten vergaderen. Iedereen moest zn zegje doen.

Ze hing zijn jas op, bleef een moment bij de kapstok staan, zette haar gedachten op mute en ging daarna boekweit opwarmen.

Het was haar tweede talent: niet denken aan dingen die je liever niet weet. Niet omdat ze laf was, maar omdat ze bang was voor wat er gebeuren moest als de waarheid als een winterzon doorbrak.

De gezamenlijke rekening groeide maandelijks, Herman toonde de digitale afschriften, cijfers stipten hoop aan – langzaam, maar ze groeiden.

Zie je wel? Bijna tijd voor de eerste besprekingen met de makelaar, zei Herman.

Wat betekent dat dan?

Nagaan wat de mogelijkheden zijn, onderhandelen, de details leren kennen.

Liesje luisterde. Zij deed het zuinige gedeelte, hij het organiseren en praten. Ze had die rolverdeling allang geslikt.

In december bleef hij vaker weg: bedrijfsborrels, verklaarde hij. Iedereen doet eraan mee. Anders hoor je er niet bij.

Op een avond kwam hij na negenen thuis, van een bedrijfsfeest, maar zag er niet uit als iemand die te veel had gefeest. Zijn stem rustig, zijn ogen helder, wangen als van een frisse wandeling.

Lekker gefeest?

Ach, verplichtingen. In Villa Wilgenhof straks geen borrels meer, heerlijk.

Hij kuste haar voorhoofd en ging slapen. Liesje bleef lang in de keuken zitten, luisterend naar het brommen van de koelkast terwijl regen op het kozijn viel.

In januari vond ze per ongeluk een kassabon.

Ze wilde zijn nieuwe donkerblauwe colbert schoonmaken hij had het met Oud & Nieuw gedragen. Terwijl ze de borstels langs de schouder haalde, stak er iets in de zak. Een kleine, witte bon.

Restaurant De Oesters van de Singel. Datum: achtentwintig december, bedrag Liejes snapte het niet meteen.

Het bedrag was hun maandelijkse voedselbudget. Hun hele budget voor boekweit, goedkope macaroni, slappe thee, margarine. Ze keek uit het raam; een vrouw liep over de natte stoep met een teckel aan de lijn.

De bon legde ze terug in de zak. Colbert aan de kapstok. Liesje liep terug naar de keuken.

De koelkast bromde hun oude melodie.

Liesje dronk water. Glas op het aanrecht. Opnieuw vullen. Weer neerzetten.

Herman was op dat moment op het werk. Ze werkte thuis, documenten digitaal verwerken scheelde tijd. Vandaag was de agenda leeg. Alleen maar zij en de kamer.

Ze dacht aan wie er eind december bij De Oesters van de Singel eet. Zij niet. Ze kende het van reclames in de tram: witte tafellakens, mooi licht. Geen goedkope adressen.

Op 28 december had Herman gezegd dat hij naar zijn vriend Pim ging, een oude studievriend. Hij was om tien uur thuis, rook niet naar wijn, maar naar iets onbenoembaars zoet, bloemig.

Liesje trok geen conclusies. Ze was een vrouw die gedachten op afstand kon houden. Misschien at hij alleen. Misschien was het werk. Misschien.

Die avond, toen Herman thuiskwam, keek ze anders naar hem. Niet vijandig, niet beschuldigend. Gewoon kijken.

Goede dag gehad? vroeg ze, terwijl hij zijn schoenen uittrok.

Prima. Jij nog gegeten?

Jazeker, soep.

Lekker, ik heb ook al iets op.

Aan tafel, tegenover elkaar, at hij. Bleef glimlachen, keek naar zijn telefoon. Geen onrust, geen gêne of hij kon het goed verbergen.

Zeg, Herman… Is De Oesters van de Singel een duur tentje?

Hij keek slechts een fractie omhoog. Eén seconde.

Geen idee, nooit geweest.

Toevallig, kwam reclame tegen.

Hij liet zijn blik weer in zijn telefoon glijden.

Liesje dronk haar karige thee.

Februari was koud dat jaar, de stad nat. Liesje droeg haar blauwe tweedehandsjas, warmde haar handen aan een mok, rilde in de tram. De duizeligheid was wat heviger. Weer liet ze bloed testen, weer hetzelfde: ondergrens, meer vitamines, beter eten.

Welke vitamines?

Ze noemde het merk.

Die zijn mager. Als het kan…

Nee, het kan niet, zei Liesje zacht.

De dokter zweeg.

Herman was springlevend in februari. Kocht nieuwe dingen. Liesje zag het: een nieuwe, platte riem, andere schoenen, dure donkerbruine laarzen, helemaal niet zijn stijl.

Nieuw?

Korting. De oude lieten het afweten.

Korting, zei Liesje.

Dacht je dat ik bij de Bijenkorf ergens shopte?

Ze knikte zacht.

Begin maart viel haar oog op een bericht op zijn telefoon Herman was in de badkamer, het scherm lichtte op.

AutoCity. De tekst: Uw CrossCity is klaar voor ophalen. Rode strik volgens wens aangebracht. U bent welkom op elk moment.

De boekweit uit haar boek viel op haar schoot. CrossCity, een dure SUV Liesje had zon bak geregeld door Amsterdam zien rijden. Niet hun alternatief, helemaal niet.

Rode strik begreep ze pas later in bed, terwijl Herman rustig ademde. In de showroom krijg je zon auto met een grote rode strik als verrassing. Dat laten ze altijd zien in reclames. Verras je geliefde.

Liesje lag op haar kant, keek naar het plafond. Hoorde de autos langsrijden. Dacht aan boekweit met ui.

Dacht aan multivitamines van een euro per doosje.

Aan haar tweedehandsjas.

Dat ze voor het laatst bij de kapper was, in november het jaar ervoor.

Aan de gezamenlijke spaarpot.

De volgende ochtend belde ze naar de bank.

Huidige saldo? Een getal genoemd. Ze hing op, bedankte.

Tweemaal zo weinig als zou moeten staan. Twee jaar sparen, gehalveerd.

Ze bleef bij de keukentafel zitten. Op het plastic tafelkleed stond een koffievlek. Maanden kreeg ze die al niet weg. Een gewone vlek.

Lies! riep Herman vanuit de woonkamer. Staat de thee al?

Ik zet m nu, zei ze.

Ze rekte haar stijve benen. De duizeligheid erger vandaag dan anders.

Het volgen van Herman begon niet meteen. Ze vond het zelfs een lomp begrip. Maar op een donderdag, toen hij zei dat hij nog zakelijke afspraken had, liep ze een half uur later naar buiten. Wandelen, hield ze zichzelf voor.

Zijn oude, grijze auto stond niet bij zijn kantoor. Niet bij een bekend restaurant. Nee, bij het winkelcentrum, aan de Laan van Aken. Ze zag m, wachtte wat, ging naar binnen.

Daar vond ze hem bij het juwelenwinkeltje boven. Hij stond bij de etalage te praten met een jonge vrouw, een jaar of vijfendertig, misschien iets ouder. Blond haar, net kapsel, beige jas. Ze stonden dicht bij elkaar zoals mensen doen die elkaars ruimte goed kennen.

Liesje bleef achter een pilaar, ze speelde op haar telefoon.

Herman zei iets, de vrouw lachte. Toen pakte de verkoopster uit de vitrine iets op een armband of ketting, moeilijk te zien. Herman knikte, betaalde met zijn bankpas.

De vrouw nam het tasje aan, maakte haar jas dicht, samen liepen ze kalm weg.

Liesje bleef bij de pilaar staan.

Er liepen mensen om haar heen. Kinderen verwachtten ijs. Iemand telefoneerde luid. Er rook naar friet.

Ze liep, langzaam, naar buiten.

Buiten vond ze een bankje. Het was maart, de grond nat, maar het bankje droog. Liesje keek naar de straat. Naar autos. Mensen. Een plas op de hoek.

Niet huilen. Iets stevigs en stils in haar, als omgeploegde aarde. Geen leegte, geen pijn, alleen stevig, stil.

Daarna stond ze op, ging naar huis.

De dagen die volgden deden ze alles zoals eerder. Kookten, praatten, werkten. Herman bleef zichzelf, altijd hetzelfde opgewekt, vol plannen. Als we straks naar Wilgenhof gaan, regelen we vast een mooie regeling dan hoeft niet alles direct betaald.

Hoeveel staat er nu eigenlijk? vroeg Liesje plotseling. Gewoon, alsof ze het echt niet wist.

Met mijn laatste bijstortingen ziet het er goed uit. Zou moeten. Ik weet het niet precies, moet even inloggen.

Doe dat eens?

Straks, antwoordde Herman, doelend op het journaal.

Liesje stond op en vertrok naar de keuken.

Ze belde die avond met Maartje.

Mam, alles oké? Je klinkt anders.

Beetje moe, lieverd. Sparen hakt erin.

Moet je niet gewoon een gezellige flat zoeken in de buurt? Waarom dat huis daarbuiten?

Herman wil zo graag.

En jij dan?

Even stilte.

Appelbomen, seringen, meisje. Ik ook wel.

Tja mam… klonk het zacht, zoals kinderen hun ouders onbegrijpelijk vinden.

Het komt goed, zei Liesje. Hoe gaat het verder?

Praat over kleinkinderen. Liesje luisterde, beantwoordde. Na het ophangen hield ze haar telefoon vast en dacht aan appelbloesems. Of ze wel bestonden. Of die tuin echt was, of gewoon een plaatje van internet.

Die gedachte viel als een plasje koud water op haar knieën.

Drie dagen daarna belde ze het autohuis. Ik informeer naar de CrossCity.

Fantastische auto, jubelde een aardige stem, We leverden er pasgeleden eentje uit, compleet met rode strik. Zo toepasselijk, een man als cadeau voor zijn vrouw!

Met rode strik… Dank u wel.

In stilte legde ze neer. De waterkoker aan, wachten op het borrelende geluid.

Binnen was alles dicht, solide en stil.

Daarna logde ze in op hun bankrekening. Keek naar bij- en afschrijvingen. Haar bijdrage elke maand, secuur. De zijne, sporadischer, soms lager dan afgesproken.

En dan de opnames. Ze analyseerde elke regel. Deed het in haar oude kasboekje, dat ze altijd bijhield tot op de cent. Rekeningen, maanden, kruimels.

Ze telde, twee uur lang. Koelkast bromde, buiten werd het donker.

Toen ze klaar was, sloot ze het schrift, kijkend naar de tekening van een tulp als omslag.

Het plaatje completeerde zich langzaam, als een schilderij waarop alle details opeens op hun plek vallen.

Drie jaar besparen. Eten schrappen, oude jassen dragen, arts negeren, haar zelf snijden bij de wastafel. Drie jaar zichzelf kleiner maken, dunner, zachter, om maar te passen binnen hun afspraken.

En ondertussen stroomde het geld langzaam weg niet alles, maar regelmatig, stil.

En daar stond een vrouw in een beige jas, bij de edelsmid betaalde Herman met zijn pinpas alsof hij boodschappen deed.

Bij AutoCity een grote rode strik.

Een bon van De Oesters van de Singel ter waarde van hun maandbudget.

En zijn overhemd rook naar Chantal.

Liesje bracht haar laptop terug in de la. In de kamer keek Herman nieuws.

Hongertje?

Nee… het is laat. Slaap lekker.

Welterusten.

Ze ging naar bed. Staarde naar het plafond. Herman kwam later, kroop zwijgend naast haar en viel snel in slaap.

Liesje dacht die nacht niet aan hem. Aan zichzelf dacht ze. Wanneer had ze voor het laatst bij zichzelf stilgestaan als iemand die recht had op iets goeds écht goeds. Niet alleen medicijnen, of een warme jas, maar gewoon iets met smaak.

Goede koffie. Vroeger hield ze van koffie, echt sterke, versgemalen, niet de nepkoffie in zakjes van de laatste achttien maanden.

Blauwschimmelkaas. Het was jaren geleden, voor hun zuinigheid. Kaas, druiven, brood een avondfeestje alleen met smaak.

Ze had maar één keer oesters gegeten op vakantie aan de kust, toen ze jong was. Alles leek toen bijzonder.

Van op haar zij besloot ze niets die nacht. Het besef kwam traag, als gistend brood onder een lage vlam. Maar toen ze de volgende ochtend opstond, was het besluit gekneed: strak, nuchter.

De dagen erna ging alles zoals gewoonlijk. Ze kookte, werkte, praatte met Herman. Hij merkte niets. Of deed alsof. Maakte niet meer uit.

Op een donderdag trok Liesje haar oude grijze jas van vóór de kringloop en volgde hem. Zijn ritueel was bekend. Ze zag hem op de Sovjetstraat koffie drinken met die andere vrouw. Ze liepen samen een parkje in. Liesje keek van achter een kastanjeboom hoe Herman het cadeau overhandigde, de vrouw het aannam, opende. Ze stonden dicht bij elkaar, hij nam haar vast. Ze kusten.

Liesje keek, keek naar haar handen. Gehuld in dunne mokkahandschoenen, vingers rood van de kou. Ze stond nog even, en draaide zich toen om naar huis.

In de bus keek ze uit het raam. Amsterdam nat, grijs. Oversteken, plassen, kale bomen. Lantaarns die opengingen als ogen.

Thuis liep ze zonder aarzelen naar de slaapkamer, pakte haar grootste tas uit de kast. Alleen haar spullen. Haar wasgoed, warme trui, documenten, pensioenoverzicht, spaarkaart van haar eigen rekening geld dat ze in stilte had bewaard.

Telefoon, oplader, het boek dat ze niet uitleest.

Tweedehandsjas, blauw. Die hing ze aan de haak. Ze nam het donkere bordeauxrode jasje dat ze drie jaar niet gedragen had. Wat strak, maar het stond anders dan alles wat ze na de spaarjaren droeg.

Ze schreef op een papiertje: Bedankt voor de oesterbon en de rode strik. Hopelijk smaakte het goed.

Niets meer, geen groeten, niks. Ze schreef Herman, legde het op het plastic tafelkleed naast de koffievlek.

Tas gepakt.

De koelkast bromde als een oude, om het hoekje liggende hond.

Nou, doei dan hè, zei Liesje.

Ze ging. De deur dicht, de sleutel onder het matje, niet omdat ze dat ooit afgesproken hadden, maar omdat het zo hoorde.

De Bouwmeesterslaan was zoals altijd in de avond. Mensen op de fiets, kinderen aan de hand, een hond sjokte aan de lijn, het bloemenstalletje op de hoek stond glimmend in de schemer.

Ze wist waar ze heen wilde.

De luxe supermarkt lag om de hoek Vershal, stond er in schone letters. Ze liep wekelijks langs, nooit naar binnen. Alles te duur. Verlichte schappen, blinkende groenten. Hier kwamen klanten die kozen op smaak, niet op prijs.

Liesje pakte een mandje. Dwaalde tussen de paden.

Bij de vis toog ze recht op de verse blåuwe tonijn af. Puntgave lappen vlees, niet goedkoop. Ze knikte en liet een stuk verpakken.

Oesters lag in de ijskast met schelpen. Ze koos zes, ongeacht de prijs.

Smeerkaas, de blauwe, in een folie. Brood echt stevig, donker, noten, zaden.

Koffie. Lang koos ze, pakte uiteindelijk versgemalen Ethiopisch, blauwe verpakking. Smaak van bosbessen en pure chocolade na.

Afrekenen. Alles op de band. Kassière glimlacht.

Goede keuzes, mevrouw.

Dank u.

Het totale bedrag deed haar even twijfelen, toch betaalde ze. Met de eigen spaarkaart.

Ze verliet de winkel, op zoek naar rust. Niet naar Maartje, niet naar haar beste vriendin Fenne, hoewel ze daar later vast heen moest. Niet naar huis.

Ze boekte die avond een goedkoop hotelletje. Warm, wit dekbed, klein bureau.

In haar kamer pakte ze alles uit. Op het bureau de tonijn, de oesters, de kaas, het brood, de koffie.

Ze vroeg bij de receptie om een oestermes. De jonge portier bracht haar een zakmes. Gaat het lukken?

Jawel.

Het ging.

De eerste oester, koel, grauw, zout, ze rook aan zee. Ze proefde. En nog één. Stukje tonijn, brood, steenkaas.

Kleine filterkoffie, die rook naar bosbessen, echt.

Ze proefde alles, langzaam. Buiten, over de stad, flonkerde het natte licht, alles bewoog als in een droom, zacht en onwerkelijk. De radio speelde een gebroken volksliedje zonder woorden.

Liesje dacht aan niks niet aan Herman, niet aan Wilgenhof, niet aan spaardoelen.

Ze dacht aan oesters aan zee, de bitterheid van tonijn, de zachtheid van kaas, de nasmaak van echte koffie.

Dit was zij.

Geen stoere bespaarder meer; geen vrouw van wie alles moest wijken. Maar iemand die het verschil kent tussen echte smaak en goedkope pap. Die kan zitten en genieten, na drie jaar niet-thuis-zijn nu zichzelf weer vinden.

Nog een slokje. Buiten klonk de stad. Ze zei bijna niets.

Hallo, fluisterde Liesje, naar niemand, met haar koffie.

En schonk nog een keer in.

Ze wist niet wat morgen bracht. Waar ze zou wonen, hoe het met Herman moest, of er ergens ter wereld een tuin met appelbomen op haar wachtte. Maar nu, alleen, in deze kamer, met lege oesterschalen en Ethiopische koffie, wist ze het: dit was zij. Haar smaak. Haar keuze. Haar avond.

En dat was wat waard.

Nog één hap kaas op brood.

Buiten sprong een lantaarn aan. Nog één. Toen het hele rijtje, als iemand eindelijk de schakelaar had gevonden.

Liesje keek naar de lichten en at haar brood met kaas. En zonder iets te zeggen was ze, daar, in het licht.

Dat was genoeg.

***

Vroeg in de ochtend werd Liesje wakker vóór de wekker. Ze bleef even liggen, keek naar het vreemde plafond wit, een vage kring bij de gordijnlijst. Vreemd. Maar misschien juist prettig: geen druk van gewoontes.

Ze stond op, waste zich, kamde haar haar. In de spiegel keek ze naar haar gezicht, scherper dan gewenst, kringen onder de ogen maar iets was anders. Misschien.

Ze keek niet lang. Kleding aan, haar tas gereed. Ze moest Fenne bellen, moest ooit Maartje spreken, moest een plan maar eerst daalde ze af naar het kleine hotelcafé en bestelde ontbijt: een eitje, toast, echte koffie.

Deze werd geserveerd in een klein glas. Ze hield het tussen twee handen, als iets noodzakelijks, warms.

Aan het tafeltje naast haar zat een vrouw van haar leeftijd, verdiept in een roman. Die vrouw lette op niks en niemand, las, dronk rustig. Ze leek niet eenzaam, maar bezig met zichzelf.

Het warme ontbijt werd geserveerd; Liesje at, langzaam.

Daarna smste ze Fenne: Mag ik straks langskomen? Heb veel te vertellen.

Fenne antwoordde snel: Altijd. Kom maar, ik zet koffie.

Liesje ruimde haar spullen in de tas, trok het bordeauxrode jasje aan.

Buiten rook het anders: niet naar voorjaar, niet naar winter, maar iets ertussen de belofte dat onder het asfalt iets groeide.

Ze stond even op de stoep van het hotel. Trek de kraag recht, wandelen naar de tram.

Niet echt ergens aan denken. Haar lijf liep goed; geen wattigheid. Misschien toeval, misschien verandering.

Autos raasden. Op het fietspad kwam een vrouw met een kinderwagen voorbij. Op een tak zat een kraai, allesziend.

Nou, wat vind jij ervan? fluisterde Liesje.

De kraai vloog ongestoord weg.

Ze glimlachte. Niet breed, gewoon klein.

In de tram bij het raam: huizen, winkels, kale bomen, reclamezuilen. Ze had drie jaar nauwelijks uit het raam gekeken alleen geteld, getwijfeld, niet geleefd.

De stad draaide. Maakte zich nooit druk om haar stilte.

Maar nu was ze hier weer.

Tram stopte voor rood. Opzij zong een andere vrouw luid mee met de radio, zomaar.

Liesje keek toe.

Groen. Verder.

Ze leunde achterover. Telefoon stil in haar zak; niemand belde, niemand appte. Misschien wist Herman het nu, of straks, dat deed er niet meer toe.

Liesje ging naar Fenne; daar was warme thee en een goed gesprek, en daarna morgen, en daarna nieuwe dagen. Er zou veel lastig zijn, dat wist ze. Nieuwe onzekerheden, moeheid, angst, vragen zonder antwoorden.

Maar ook:

Koffie die naar bosbessen ruikt.

Oesters met de smaak van zee.

Een spiegel zonder schaamte.

Dat is niet alles, maar het is iets.

De stad was grijs en levend. Liesje keek uit het raam en dacht dat er vast ooit echte appelbomen groeien geen plaatjes, maar echte. En echte seringen. En huizen met houten bankjes. Niet gekregen van iemand, maar ooit, zelf gevonden.

Ooit.

Nu eerst dit: tram, raam, maart, lucht die nog geen lente was, maar het ook niet meer winter liet zijn.

En daar was ze. Precies goed.

Dat was voorlopig genoeg.

Please rate
Bagattia News
De Rode Strik