DE GEVANGENE
De oude, knorrende bus reed door, achterlatend een geurspoor van diesel, en liet de vrouw alleen op de halte. Ze keek om zich heen: hier was eigenlijk niets veranderd. De weg was even modderig en vettig als vroeger, de bermen vol grauwe plassen en grijze struikjes. In de verte lag het dorp, een smalle strook huizen langs de rand van het bos. In het avondlicht gloeiden de gele vierkantjes van de ramen. Hondengeblaf klonk, en van de boerderij hoorden je het zenuwachtige gesnater van ganzen.
Er is hier niets veranderd de afgelopen zes jaar, dacht Mieke, bijna niets dan. Alleen viel haar op dat er rechts op de heuvel geen rij landbouwmachines meer stond, zwak verlicht door oude straatlantaarns. Daar grijnsde nu een donker gat. Wat er gebeurd was met het boerenbedrijf van Van den Broek, wist ze niet vast door de kinderen verkocht.
Mieke liep over de dorpsstraat en was niet verbaasd dat, mocht er iemand van achter een heg haar met een steen bekogelen, ze het vanzelfsprekend zou vinden. Het was alsof uit elk raam een stel oordelende ogen haar nakeek. Onder haar sjaal hield ze haar gezicht laag, hopend dat ze ongezien zou blijven. Wat wachtte haar eigenlijk? Zou haar huis wel overeind staan? Er was haar nergens anders om naartoe te gaan dan haar geboortedorp, en ondanks de vijandigheid kwam ze toch terug. Door haar schuld hadden destijds immers de helft van de dorpsbewoners hun baan verloren.
De jaren hadden haar veranderd, uiterlijk maar vooral van binnen. Niets restte er nog van het onbezorgde, knappe meisje dat ooit de norse boer Anton van den Broek had weten te ontdooien met een oogopslag. Mieke had toen een opvallende bos kastanjebruin haar en onschuldige blauwe ogen. Ze leefde alleen, aan de rand van het dorp in een gammel huisje. Op Van den Broek werd haast een goddelijke status geplakt; bijna iedereen in het dorp werkte voor hem. Toen ze bij hem introk, dacht Mieke dat ze de jackpot had gewonnen.
Maar het bleek allemaal minder mooi. Anton voelde zich de lokale heer, een koppige bullebak. Voor hem was Mieke meer een dienstmeisje dan een partner. Verblind door zijn aandacht had ze zijn ware aard niet meteen door. Eerst vervreemdde hij haar van haar vriendinnen, daarna mochten haar rokken niet meer te kort zijn en make-up was ten strengste verboden. Haar leven werd één lange rij regels en verboden.
Ze zat thuis, wachtte op zijn thuiskomst, kookte stamppot, poetste zijn huis. Werken? Geen sprake van. Anton was constant achterdochtig; hij was er zeker van dat Mieke een ander had. Haar pogingen om haar eerlijkheid te bewijzen waren zinloos het lag niet aan haar, maar aan hem. Ze kon zich aanpassen wat ze wilde, Anton was altijd ontevreden. Toen het ook nog eens handtastelijk werd, vluchtte Mieke terug naar haar huisje aan de rand van het dorp. Ze hoopte alles te kunnen vergeten. Maar het ergste moest nog komen.
De volgende dag stond Van den Broek voor de deur. Het huis rook fris, de deuren en ramen stonden open en ze dweilde de keuken dwars door het huis. Plots schopte Anton driftig tegen de emmer, het sop sijpelde over de hele vloer. Mieke wist wie of wat er nu aan de beurt zou zijn.
Wat er die dag precies is gebeurd, weet ze nauwelijks nog. Haar geheugen heeft dat stuk uitgewist om haar zenuwen te sparen. Ze kwam pas weer bij op het erf, waar politieagenten haar ondervroegen, een zakje met een keukemes voor haar neus hielden. Achter het hek verdrongen de buren zich, in de keuken lag alles omver en midden in de chaos lag Anton.
Zo voelt een man zich zeker schuldig! hoorde je de buren roezemoezen. Ze moest minder met haar wipneusje draaien, dan had hij nog geleefd! Wat had ze tekort? Ze had het uitstekend daar! Een goed mens ten gronde gericht! Wat moet er nu van ons worden? Door hem hadden we werk op de boerderij! Het gonsde verontwaardigd: Waar moeten we nu van leven?
Mieke kreeg zes jaar gevangenisstraf, ze moest die uitzitten in een gewone vrouwengevangenis. Die jaren waren zwaar, maar minder erg dan gevreesd. Door haar vriendelijke natuur vond ze snel contact met andere vrouwen, die haar tot steun waren. De jonge knappe vrouw met de blauwe, open ogen was er niet meer haar gezicht verhard, het haar grijs. Opmaken interesseerde haar niet langer. Mieke had nooit gedacht ooit achter de tralies terecht te komen zij hoorde daar toch niet. Maar zoals het Nederlandse gezegde gaat: Zeg nooit nooit, armoe en gevangenis kunnen iedereen overvallen! Eén verkeerde wending en alles is anders. Nu is ze de gevangene.
Ze liep met haar sjaal tot over de neus, haar hart bonsde. Zou haar huis er nog staan? Misschien was het afgebroken voor brandhout. Gelukkig, aan het einde van de greppel, tussen twee flinke berken, zag ze haar huis staan. Uit de greppel steeg een vertrouwde koelte, beneden kabbelde een beekje en je hoorde de kikkers kwaken. Ze had talloze keren van deze thuiskomst gedroomd. Achter het huis begonnen bossen vol paddestoelen kastanjes, eekhoorntjesbrood, cantharellen Het verlangen om er meteen op uit te trekken met een mandje was groot.
Zonder gezien te worden glipte ze door het tuinhekje, vond de sleutel op het geheime plekje. Toen ze de voordeur opende, verwachtte ze de lucht van vocht en muffigheid, maar het rook alleen naar frisheid. Een druk op de lichtknop het zachte geel van de keukenlamp stroomde over het aanrecht. Alles was netjes opgeruimd, op de vensterbank bloeide een pot geraniums. Mieke stond een moment sprakeloos.
In de kamers was alles onaangeroerd, net als vroeger. Iemand had gedurende haar afwezigheid duidelijk het huis verzorgd.
Mieke, Miiiieke! klonk het plots uit de gang. De buurvrouw, Gerdien, kwam snel naar binnen. Nou, zei ze in plaats van groet, je bent veranderd hoor… Ik zag het licht en kwam direct. Heb wat voor je meegenomen, iets voor onderweg, straks heb je nog trek. Ze zette een pot verse melk en een doek met roggebrood op tafel.
Dankjewel, glimlachte Mieke, heb jij op het huis gepast? Natuurlijk, je laat een huis niet onbewaakt, zei Gerdien eenvoudig. Dank je, echt waar! Miekes ogen werden vochtig.
Ik ga maar weer, mompelde Gerdien, de mannen hier zijn nog niet over hun boosheid heen. Als mijn vent hoort dat ik bij jou was, wordt hij kwaad!
Mieke voelde zich ineens minder alleen: toch iemand die haar steunde. Ze schonk zichzelf een glas lauwe, verse melk in, toen er weer voorzichtig werd geklopt. In de deuropening stond een jongetje van een jaar of dertien, onhandig gehouden een papieren zakje. M-m-mama heeft het meegegeven! stotterde hij. Zeg haar maar dankjewel, antwoordde Mieke, maar wie het was had ze geen idee in zes jaar tijd waren kinderen erg veranderd. Uit het pakje steeg de geur van gerookt spek haar tegemoet.
Elsje stormde binnen, helemaal zonder aankloppen, en viel haar om de hals. Vroeger, voor Anton, was ze Miekes beste vriendin. Ik dacht dat niemand ooit meer wat met me te maken wilde hebben! huilde Mieke. Kom op, lachte Elsje, zolang er vrouwen zijn bestaat er solidariteit! Het was zelfverdediging, dat weet iedereen. Mannen snappen niks van vrouwenzaken, vandaar hun woede. Van Gerdien hoorde ik dat je terug was. Ik kom maar even, en zie, ik heb wat groente van de tuin meegenomen. Ga jij maar rusten vandaag, morgen praten we bij!
Mieke was zo overweldigd, ze kreeg geen hap door haar keel. Niet alle dorpsgenoten waren zo vijandig als ze vreesde. De vrouwen in ieder geval begrepen haar situatie. Gelukkig kroop ze onder het frisse dekbed, direct in slaap gevallen maar werd gewekt door stevig getik tegen het raam. In het donker herkende ze direct de brede schouders van Henk, de onbetwiste dorpsoudste.
Blijf maar binnen, bromde hij, dan praten we wel via het raam. We hebben met de mannen gepraat en besloten dat het onzin is jou als schuldige te zien. De vrouwen snappen het misschien niet, maar jij hebt niets verkeerds gedaan. Het is zwaar geweest zonder werk, maar eerlijk is eerlijk, Anton had het ook zichzelf aan te danken. Verder zeg ik daar maar niks over. We hebben met de jongens wat geld voor je bij elkaar gelegd, voor het begin. En voor Mieke kon protesteren liet Henk het geld door het raam glijden, en verdween in de nacht.
Auteur: Anfisa SavinaIn de vroege ochtend, terwijl een sluier van mist tussen de bomen hing, werd Mieke gewekt door het zachte koeren van duiven op het dak en het loeien van een verre koe. Ze bleef stil liggen, het geldzakje warm in haar hand geklemd, als bewijs dat vergeving hoe zwaar bevochten ook mogelijk was. Buiten strekten de velden zich uit onder een lila lucht, rookpluimen stegen uit de eerste schoorstenen op, en ergens kraaide een haan zoals hij altijd had gekraaid.
Ze stond op, waste zich aan het ijzige beekje en sneed, met handen die niet meer beefden, het roggebrood aan. Met een platte steen drukte ze de boter plat, sneed een plakje spek, rook eraan en proefde plots de herinnering aan vroeger de smaak van eenvoud, van thuis. Die kleine, onverwachte gaven: melk, brood, groente, geld. Geen groots gebaar, maar genoeg om opnieuw te leven.
Toen Mieke na haar maaltijd naar buiten liep, rook ze scherp het vochtige mos na regen en de eerste prille paddenstoelen onder de berk. Uit het bos kwam Elsje aanlopen, met in haar kielzog een paar vrouwen uit het dorp. Ze droegen stokken, manden, lachten met schorre stemmen. Kom, riep Elsje, de herfst is rijk, en de bossen zijn groot genoeg voor iedereen die weer leert kijken. Mieke scheurde zich los uit haar schaduw en volgde hen, eerst aarzelend, daarna steeds vrijer. Ze lachte toen iemand haar een loze paddenstoel liet zien en hoorde zichzelf weer luidop praten. Nog één keer keek ze om naar haar huis: het was niet langer een schuilplaats, maar een beginpunt.
Terwijl het licht steeds dieper in de bomen viel en de manden zich vulden met hazelnoten, bessen, en de eerste zwammen, besefte Mieke dat haar straf niet langer als een stempel op haar huid gebrand stond. In het zachte ritselen van bladeren en het fluisteren van stemmen om haar heen, voelde ze zich even geen gevangene meer. Ze was weer een dorpsvrouw onder de anderen, misschien getekend, maar niet langer verstoten. Hier, tussen vrouwen en herfstgeuren, begon ze opnieuw niet als de gevangene, maar als Mieke, dochter van het land en de toekomst.






