Het ziekenhuisraam stond open. Vanochtend had de zuster het wagenwijd opengegooid. De lucht was fris, de gordijnen golfden in de wind, het groen van de bomen deed goed aan je ogen, en het was nog lang niet heet genoeg voor echte Hollandse plaknachten.
Pieter had een blindedarmoperatie gehad. Ze zeiden dat het kantje boord was bijna te laat, maar Pieter was nergens bang voor.
Bang voor een prikje? gniffelde de zuster die ochtend terwijl ze lucht uit haar spuit liet ontsnappen.
Pieter draaide zich zonder morren op zijn zij, hij mocht nog niet uit bed. Serieus, heeft ze niks beters te doen dan mensen bang maken
Hij was opgehaald uit een zijstraatje. Daar was het gebeurd. Nee, hij was geen zwerver; hij groeide op in een kindertehuis in Zwolle. Hij kwam net met wat jongens van de markt, waar ze zwart probeerden bij te klussen. En toen: boem, pijnaanval.
Het enige waar hij spijt van had: dat hij Leon en kleine Jeroen er bij had gelapt. Grote paniek waarschijnlijk in het tehuis. Gisteren, vlak na de operatie, was mevrouw Van der Werf de locatiemanager al geweest. Heel bezorgd hoofdzwaaiend boven zijn bed; Pieter lag nog half onder zeil van de narcose en herinnerde zich vooral veel peinzende gezichten.
Waarom het hem niet op het terrein van het kindertehuis overkwam? Nog een paar meter verder en hij had in elk geval verzekerd pijn kunnen lijden. Maar goed, het lot is onverbiddelijk.
Hij gaf de schuld aan abrikozen. Ze hadden op de markt een hele doos overrijpe abrikozen gekregen. Medelijden? Ach, konden ze toch nog eten. Ze bleken alleen wel érg lekker. En zo probeerden de abrikozen zijn ingewanden in gevecht te overwinnen.
Ho! Held van de dag! Hoe voel je je? De arts met harige polsen bekeek zijn litteken. Het ergste is achter de rug hoor, niets meer om bang voor te zijn.
Ik was niet bang.
Oh ja? Dappere jongen! Nou, boswachtertje, dan mag je voorlopig niets eten. Geen snoepjes laten brengen, geen bezoekpakketten, niks. Vanavond krijg je wat pap, dat moet maar.
Pieter knikte uit respect. Alsof er iemand zo gek zou zijn om hem snoep of koekjes te brengen! Iedereen in het internaat was boos op hem omdat hij was weggelopen, omdat hij de leiding in de problemen had gebracht. Ze waren naar de markt geslopen via het gat in het hek, en dan net op de terugweg in elkaar zakken. Topmoment.
Wat die dapperheid betreft de dokter had gelijk. Pieter was wel gewend om zijn eigen boontjes te doppen. Zijn moeder had hem min of meer per ongeluk op aarde gezet of er was gewoon geen geld voor een abortus. Pieter was tien, maar dacht daar tamelijk nuchter over, net als de meeste kinderen uit het huis.
Hij kon zijn moeder niet haten. Integendeel, hij was haar eigenlijk dankbaar. Ook al had ze hem direct afgestaan. Tot zn derde zat hij in het kinderdagverblijf, daarna overgeplaatst eerst naar Zwolle, toen Gouda. Zolang hij zich kon herinneren, was het vechten geweest om te bestaan.
Vechten in de eetzaal. Weliswaar had je officieel het Hollandse poldermodel, maar de koks en directie joekelden het meeste eten stiekem de deur uit voor privégebruik. Zelfs de boontjes en aardappels verdwenen soms met zakken tegelijk.
En soms ging het niet alleen maar om eten. Alles was strijd. Pieter werd sterk. Met kracht kreeg hij dingen voor elkaar. Twee keer een arm gebroken; een keer door een losgelagen kapper die hun allemaal kaal schoor. Die vrouw bekeek zijn hoofd en schoot bijna vol daar was geen stukje zonder litteken.
Wat zeur je nou? Pieter jankte nooit.
Nu probeerden ze hem indruk te maken met prikken of een litteken op zn buik.
Laat ze maar.
Volwassenen waren voor hem koel en beredeneerd. Hij was geen schattig meisje met grote ogen, meer een beetje botte, stugge jongen met een te groot mondje en een sterk karakter.
Kijk mij uit, Van Dijk! Als je wat flikt, hup, gelijk naar de isolatie! dreigde mevrouw Van der Werf regelmatig.
Pieter ging niet in discussie, maar had honderd procent zijn eigen moraal en regels.
Er was maar één volwassene die hij zich met warmte herinnerde. Hij wist niet hoe andere kinderen aan hun moeder dachten zon moederfiguur die in je hoofd met je praat. Maar die vrouw, toevallig ooit een paar maanden werkzaam in het tehuis, zat nog altijd in zijn gedachten.
Hij moet een jaar of zes geweest zijn toen ze er werkte, nog in Zwolle. Wat haar functie was, geen idee hij herinnerde zich haar glimlach, blauwe ogen, warme handen en een vertrouwde geur, zoals die van versgebakken suikerbrood. Ze tilde hem op schoot en fluisterde:
Je moet sterk zijn, Pietertje. Goed eten, goed luisteren, en lief zijn voor jezelf. Het zal niet gemakkelijk worden, maar je kan het. Probeer maar, goed?
En dan zong ze een liedje.
Poesje Mauw, kom eens gauw, ik heb lekker melk voor jou,
Poesje Mauw, kom eens gauw.
Je hebt toch geen houten pootjes,
je kan toch wel komen lopen.
Ook al vond Pieter zichzelf inmiddels volwassen, in moeilijke momenten dacht hij aan dat liedje, kneep zijn ogen dicht, en het werd een beetje lichter vanbinnen.
Die vrouw was opeens verdwenen, opgelost, achterlatend alleen wat melodie en herinnering. Wie ze was, ook vergeten. In zijn hoofd noemde hij haar mama, al wist hij best dat ze gewoon een tijdelijke leidster was geweest. Fijn om je dat even te verbeelden.
De zuster deed het raam weer dicht, begon een bed aan de overkant op te maken. Pieter werd er allerminst treurig van alleen liggen is maar saai.
Even later kwam er een brancard binnen, omgeven door witte jassen. Drukte en gedoe. Pieter had niet het beste zicht, maar ving genoeg op. Op het bed lag een mager, spichtig jongetje, onder een infuus. Uiteindelijk bleven alleen de zuster en een bleke man in een witte doktersjas achter.
Zij, hij, het jongetje, er werd niet veel gepraat.
Hij zal slapen, legde de zuster uit.
Dank u.
Roept u maar
Komt goed.
Ze vertrok, de man zat roerloos, hoofd gebogen, bij het bed. Het jongetje sliep.
Het was benauwd op de kamer, maar de man bleef in zijn colbert met jas heerlijk zweten. Pieter keek een tijdje, rolde zich toen om omdat zijn rug pijn deed; zijn bed kraakte. De man keek op; rimpel tussen de wenkbrauwen, wallen onder zijn ogen maar geen onaardige blik.
Goededag, fluisterde hij, alsof hij nu pas ontdekte dat er nog iemand anders lag.
Dag, fluisterde Pieter terug.
De man schoot een beetje wakker, keek naar zijn zoon, pakte een stoel, kwam rustig naast Pieter zitten.
Geopereerd?
Ja, blindedarm verwijderd.
Dat is mooi. Mag je al lopen?
Nee, nog niet.
Heb je honger?
Mag niet, vanavond kleffe pudding. Wat heeft hij? Pieter knikte naar het andere bed.
Hij? Ach een andere ziekte. Vind je het goed als ik hier blijf zitten? Helpen als nodig. En als ik stoor, ben ik weg.
Maak niet uit, schudde Pieter. Wat zou hij bezwaar moeten maken?
Hij heet Simon, hij is elf. En jij?
Pieter. Tien.
Dankjewel, Pieter. Waarvoor, geen idee.
De volgende dag was de kamer continu vol bezoekers. Simon lag aan infusen, artsen kwamen langs. De vader bleef slapen, sprak zijn zoon soms toe. Maar Simon sliep, bewoog soms een arm, maar ogen bleven dicht. Het leek alsof hij droomde.
Later kwamen opa en oma, en een vrouw Simons moeder, bleek en rood ogig, lange vrouw, dunne krulletjes in een knot. Ze fluisterde tegen haar zoon en aaide hem eindeloos.
Zullen we de jongen verplaatsen? vroeg de vader aan de dokter, een blik naar Pieter, bezorgd om zijn vrouw.
Ja, dat regelen we vandaag nog.
De dokter leek per ongeluk aan Pieter te denken, liep naar zn bed.
Hoe gaat het, vent? Nog pijn?
Een beetje.
Die nacht sliep Pieter slecht; zijn litteken brandde, hij was bang te draaien, de katheter zat in de weg. Gisteren was hij niet gevoerd, vergeten misschien, ziekenhuis-logica.
Vandaag proberen we te staan, jongen. Medische stap vandaag: opstaan, naar een nieuwe kamer. De zuster haalt die slang zo eruit.
Pieter wilde dolgraag opstaan, maar de zuster was nergens te bekennen. Drukte genoeg op de afdeling. Pas vandaag viel het hem op: Simon ging dood, waarschijnlijk kon hij dat alleen nog slapen genoemd worden. Iedereen sprak zacht, gespannen, met dat typisch Nederlandse kop dr veur-gevoel van niks zeggen, maar alles denken.
De rest van de dag zat er een nichtje van Simon bij zijn bed. Pieter schaamde zich voor haar toen de zuster eindelijk zijn katheter kwam verwijderen, probeerde hij te seinen dat hij zich ongemakkelijk voelde. Maar de zuster snauwde: Wie denk je wel niet dat je bent? Ze geeft geen zier om jou, ze is te druk met Simon. Doorbijten!
Inderdaad, het was zo gepiept. Pieter lag met alleen een ziekenhuisdekentje. Waar was zijn kleding? Het nichtje keek uit het raam, hield Simons dekens recht, depte zijn lippen met een nat watje. Pieter baalde dat hij niks had gevraagd aan de zuster.
Zou je gemist worden door iemand? Nee, niemand.
Na een uur besloot hij toch maar te gaan zitten. Omslachtig wikkelde hij zich in het laken en ging rechtop zitten.
Het meisje keek om.
Moet ik helpen?
Nee, maar de kamer tolde; Pieter lag alweer.
Een minuut later zat hij toch weer rechtop. Weet u waar mijn kleren zijn? vroeg hij.
Ze wist het niet, maar zei dat ze het zou navragen.
Let jij even op Simon dan?
Pieter probeerde op te staan, nog steeds ingewikkeld in zijn deken, benen bibberend. Hij had moeite om gewoon door de kamer te gaan.
Eindelijk kreeg hij schone kleding. Geen eigen spul uiteraard, maar een ziekenhuispyjama.
Kijk vooral niet, hoor, grinnikte het nichtje.
Hij trok de broek aan véél te groot, elastiek moest erin, maar broeken omvouwen daar had hij skills voor. Toen hij, bijna struikelend over de pijpen, naar de deur liep, constateerde ze droog:
Ho eens even. Wat zijn die pijpen lang! Toe, laat mij even helpen. Ze hurkte voor hem en sloeg de broek om terwijl Pieter licht misselijk werd van de spanning.
Ik ga omvallen
Wacht, het nichtje hield hem overeind, zette hem op de stoel neer, Wat ben je bleek, knul. Heb je gegeten? Hoe heet je?
Piet.
Ik ben Mieke. Piet, waar is je moeder? Zullen we die bellen? Of je vader?
Heb niemand nodig, hoor. Ik moet gewoon naar het toilet.
Hij strompelde naar de toiletten, keek in de spiegel: bleke lippen, donkere kringen, alleen zijn zwarte ogen gloeiden. Een leidster had ooit gezegd dat Van Dijk wel bij hem paste zulke zwarte ogen, en in het internaat heette hij De Raaf. Daar was hij nog trots op ook.
Na koud water in zijn gezicht voelde hij zich wat beter. Blijkbaar had Mieke geregeld dat hij wat pap kreeg.
De zaalhulp lachte zich een kriek: Zo, als je kunt lopen, kun je zelf je pap halen in de eetzaal. Eerste rechts, trap af, weer rechts. Of volg je neus!
Dat traplopen is niks voor hem, hij was net amper overeind, ik haal het wel voor Pieter, protesteerde Mieke. En verder niks eten, voorlopig!
Pieter werd rusteloos, liep wat heen en weer. Simon leek meer op een meisje dan een jongen een knap gezicht, krullen van zijn moeder, maar broodmager.
Gaat hij dood? vroeg Pieter, zonder omwegen, zoals alleen kinderen uit het internaat dat kunnen.
Het meisje schrok.
Ze weten het niet. Maar ja hij heeft vier operaties achter de rug, vooral aan zijn darmen. De ouders zijn kapot. Ik ben zijn tante, van zijn vaders kant. Maar wonderen bestaan, toch?
Geen idee. Pieter zakte weer op zn bed.
Simon had duidelijk een ander leven. Alsof hij rechtstreeks uit een film kwam moeder, vader, grootouders, familie bij de vleet. Alles wat zijn hartje begeerde. En toch, nu lag hij hier te sterven.
Tja, niet eerlijk verdeeld.
Pieter werd niet verhuisd. s Avonds kwam Simons vader weer; het was druk in de kamer. Pieter ving op dat ze het over hém hadden: alsof ze het gek vonden dat er niemand voor hem kwam.
Piet, de dokter zei dat je uit een kindertehuis komt? vroeg Simons vader.
Aha.
Wil je niet liever naar een andere kamer? Simon is zo ziek
Maakt mij niet uit. Mag ik blijven?
Vier dagen kropen voorbij, één lange sleur. Pieter werd ook nog ziek, dus verhuisde hij alsnog naar een kamer vol bejaarden gezellig is anders. Hij ging terug om bij Simon te zitten. Niemand joeg hem weg.
Zijn ontslag van het ziekenhuis werd steeds uitgesteld.
Simons vader, Hendrik, wist inmiddels alles van Pieter. Stilletjes uitgevraagd, veel meegekregen. Hij bracht hem kleren; Pieter vroeg:
Zijn die van Simon?
Ja
En als hij nou niet doodgaat?
Hendrik keek verbaasd. Ze spraken dat woord thuis nooit hardop uit: dood. Iedereen wist wat er aan kwam, maar hardop uitspreken? No way.
Zijn vrouw kroop steeds verder weg, wilde zonder zoon eigenlijk ook niet meer. Artsen schreven kalmeringsmiddelen, maar helpen deed het amper.
En als hij toch niet doodgaat? vroeg Pieter.
Voor het eerst wilde Hendrik gewoon eerlijk zijn, meer voor zichzelf dan voor dit jongetje.
Helaas, het lukt hem echt niet meer. Hij is aan het sterven, Piet.
Doet dat pijn, doodgaan? Piet streelde Simons shirt in zijn handen.
Sneller dan je in slaap valt. We doen alles zodat hij niks voelt. Daarom zijn we hier.
Maar hij beweegt toch?
Ja, daarom praten we met hem hopen dat hij hoort, maar weten het niet zeker.
Familie zat zo veel mogelijk naast Simon. Hendrik liep even naar de kantine, liet Pieter bij Simon achter, en bleef onverwacht voor de deur staan.
Pieter hield Simons hand vast en praatte zachtjes:
En ik heb geen idee waar mijn moeder is. Misschien leeft ze niet meer. Ze heeft me nou eenmaal achtergelaten, maar kwaad ben ik niet. Mocht ze ooit komen, vergeef ik haar. Echt waar. Jij moet alleen niet doodgaan, hoor. Je moeder huilt zich gek, je vader is een goeie vent. Met zon vader zou ik nooit doodgaan. Je kleren krijg je terug, maak je geen zorgen. Bij mij zijn ze toch allemaal tweedehands. Maar jij moet het gewoon halen, oké? Probeer het, alle hens aan dek
Hendrik schraapte zijn keel Pieter schrok.
Hij hoort je, Piet. Hij kneep net in je hand. Echt waar, geloof je me niet?
Ik geloof het, Piet.
Het wachten begon. Simon, de mooie, slimme zoon in wie al hun dromen waren opgeborgen, lag stervende. De diagnose spierdystrofie was gesteld toen Simon acht was. Daarna begon het gevecht: hart, longen, darmen. Behandeld in het Emma Kinderziekenhuis en het Sofia in Rotterdam, bij alle specialisten die maar wilden. Dankzij de zorg haalde Simon elf. Hij bleef kalm onder zijn ziekte, nooit klagen, gewoon doorgaan.
Zijn moeder Sonja droeg de last nachten slapen naast haar zoon in ziekenhuizen; discussiëren met dokters, bidden in kerken. Hendrik stond erbij, probeerde er gewoon te zijn.
Toen het zeker werd dat Simon niet ging halen, brak Sonja langzaam. Uiteidelijk kreeg ze kalmerende middelen.
Blijf tegen hem praten, Piet. Echte vriendschap, dat voelt hij.
Voor Hendrik was het gesprek tussen zijn eigen doodzieke zoon en dit vreemde jochie een soort reddingsboei geworden. Hij stond altijd even luisteren.
Ik zweer je, toen die Kolossus-meneer mn arm brak alles werd zwart voor mn ogen. Hij dacht dat ik ging huilen. Maar nee hoor. Heb niks laten merken. Zelfs toen ik weer bij kwam, zeur ik niet. Ik stond op, tikte het stof van mn broek en zei hem: ja, breek hem nog maar verder als je durft. Maar brullen? Echt niet! Opzettelijk niet. Kijk, genezen is-ie gewoon. Jij ook. Een gebroken arm is erger dan jouw ziekte, dus kop omhoog. Kom op, maat, leef!
Die nacht stierf Simon. Pieter merkte niets; niemand die hem wat vertelde. s Ochtends na de ronde ging hij ontbijten; bij thuiskomst keek hij de oude kamer in.
Er liep een jongeman te rommelen bij het bed.
Weet jij hij wees naar het net opgemaakte bed.
Nee, net nieuw hier, antwoordde de jongen.
Pieter holde naar het zusterstation, maar niemand te zien. Toen stormde hij de artsenkamer in en vroeg aan iemand:
Simón! Waar is Simon? Is hij verhuisd?
Simón? Een jonge arts fronste. Ach, hij was heel ziek
Is hij dood? viel Pieter boos in.
De arts knikte. Dat gebeurt wel eens, jongen. Sterkte.
Verdwaasd liep Pieter richting de gang. Hij was woedend op het hele ziekenhuis artsen, verpleegkundigen, iedereen.
Lui! Ze hadden hem gewoon moeten redden!
Hoe kon hij zijn woede kwijt?
Op de gang dweilde de schoonmaakster; Pieter gaf het emmertje een trap, sop over de hele vloer. De zuster krijste, artsen stormden toe. Iedereen mopperde, Pieter bonkte boos met de voet de deur naar zijn kamer dicht, kroop op bed en zette zijn handen voor de oren.
Zoveel dokters en toch niks bereikt voor zijn vriend! Helemaal noppes!
Hij snapte het zelf ook niet waarom Simon, die de hele tijd buiten westen was, toch zn vriend werd. Misschien omdat hij aan hem alles had verteld over zijn moeder, de vrouw die ooit voor hem zong, over vechtpartijen en gebroken botten.
s Nachts droomde Pieter dat Simon opstond uit bed, beetje triest glimlachte. Pieter sprong eropaf, wilde hem overeind helpen. Maar Simon vroeg even gewoon te zitten. Met een dun, bijna meisjesachtig stemmetje vertelde hij over zijn leven.
Precies wat Simon zei, wist Pieter niet meer. Maar hij hoorde zijn stem. Simon keek toen uit het raam, klom op de vensterbank, en Pieter werd zo bang dat hij wakker schrok.
Buiten staken de takken grillig af tegen de maan. Simon lag te draaien; zijn vader sliep.
Die nacht schoof Pieter richting Simons bed, pakte zijn magere handen vast en zong zacht het enige liedje dat hij kende:
Poesje Mauw, kom eens gauw, ik heb lekker melk voor jou,
Je hebt toch geen houten pootjes,
je kan toch wel komen lopen
Vanaf dat moment praatte Pieter in gedachten met Simon. Simon vertelde van zijn leven: met het gezin naar Zandvoort, een oma en een opa die was natuurlijk generaal, een moeder die hem wakker maakte. Over school, zijn eigen kamer met alles erop en eraan.
Zo stelde Pieter zich een gezin voor: alles samen, hele familie op één slaapkamer, voor iedereen een eigen kastje in de gang, elke week woensdag visdag, en mama schenkt de thee met de soeplepel.
***
Het gekke is, toen Simons vader hoorde dat Simon dood was, voelde hij zich opgelucht. Niet omdat hij zijn zoon niet liefhad, of een slechte vader was integendeel. Zijn zoon leefde niet meer echt. Hij had niet meer geleden; was in slaap gevallen, en weg.
Nu was het tijd om opnieuw te leren leven. Ook zijn vrouw moest dat nog accepteren.
Steeds vaker dacht hij aan Pieter.
Nu praten over adoptie had geen zin. Sonja zou het nooit pakken. Simon vervangen, kan dat? Natuurlijk niet. Zijn portret stond vol bloemen midden in de kamer; zijn vrouw zat er elke dag bij, kaarsjes aan, kerk op zondag, elke dag naar het graf. Acht jaar geleden had Sonja een buitenbaarmoederlijke zwangerschap gehad; geen kinderen meer mogelijk.
En Pieter had nooit ouders gehad nooit moeder, nooit vader.
Hij was zo anders dan Simon: grof, ongepolijst, zwartogig, maar Hendrik hoorde zijn gesprekken met Simon; in die jongen zat een goed hart. Schoon, ongeschonden.
Sonja, vandaag was ik op bezoek in het ziekenhuis. Pieter is ontslagen. Hij had zo graag nog even bij Simon gebleven, hebben ze gezegd.
Waarom? Waarom ga je daar toch heen? vroeg Sonja.
Ik moest Simons papieren ophalen. Ze zeiden dat Pieter behoorlijk een scène had gemaakt toen hij hoorde dat Simon dood was. Hele ziekenhuis op stelten gezet.
Stiekem aandoenlijk, zuchtte Sonja.
Ja, inderdaad bevestigde Hendrik.
Maak je over mij maar geen zorgen. Ik berust er langzaam in. Ga maar gewoon werken.
Oké.
Maar begin nu alsjeblieft niet over adoptie.
Daar liet Hendrik het voorlopig bij.
Toch, op zaterdagochtend op de fiets naar het kindertehuis. Iets in hem dreef hem. Zoals Pieter het over het tehuis had veel leek niet in de haak. Ontvangen werd hij niet hartelijk; vragen, argwaan, wantrouwen. De directeur, mevrouw Van Leeuwen, keek hem nors aan. Hoe hij ook uitlegde dat het slechts om een ontmoeting ging, niets hielp.
Dat weerhield hem niet het gaf hem alleen maar strijdlust. Hij herinnerde zich zijn oud-klasgenoot Marijke Otten, nu werkzaam als gezinscoach.
Al snel vond hij haar adres en ging langs voor een goed gesprek. Marijke begreep hem, leefde mee, maar onderstreepte één ding: niks doen zonder toestemming van Sonja én van Pieter zelf. Anders begin je nergens aan.
Maar Hendrik was koppig. Bij Bureau Jeugdzorg haalde hij alle formulieren voor pleegzorg of adoptie. Tot zijn stomme verbazing kreeg hij daar alle medewerking. Ze zouden zelfs helpen met een ontmoeting.
Z’n vrouw hoorde er (nog) niets van. Maar hij vertelde het aan zijn schoonvader en aan Mieke. Die was positief ze mocht Pieter. Zij beloofden mee te praten met Sonja.
Sonja barstte echter opnieuw in tranen uit zodra het over Pieter ging.
Hij vervangt Simon niet. Waarom snappen jullie dat niet?
Dat wil ook niemand, Sonje. Het is gewoon Hij is een wees, wij zijn kinderloos. Niemand kan Simon vervangen. Maar als je dit joch hoorde praten, hoe hij Simon steunde daar kwam rust vanaf! Je geloofde gewoon dat het leven doorgaat Ik leefde weer op. Geef hem een kans leer hem kennen. Meer vraag ik niet.
Oef, leg de druk alsjeblieft niet zo bij mij
Maar dat was tenminste een begin.
Toen Pieter voor het eerst werd uitgenodigd op het kantoor van het tehuis, was hij zichtbaar gespannen: keek niemand aan, knokkelwit van het spannen. Knuffels? Ho maar. In het ziekenhuis had hij veel meer lef.
Marijke was erbij. Ze hield zich afzijdig, liet Hendrik zijn kans pakken. Pieter trok wit weg, bleef stijf zitten. Alsof hij een schoolrector moest toespreken.
Geen stoere verhalen meer.
Volgens mij snapt hij het. Maar hij wil niet mee. Klopt dat? vroeg Hendrik later naar huis rijdend.
Nee, je hebt het mis, reageerde Marijke. Hij droomt ervan dat je hem ophaalt hij zou niets liever willen. Maar doodsbang voor teleurstelling; bang dat hij niet goed genoeg is.
Zijn wij zo eng dan? vroeg Sonja.
Jullie zijn echte ouders. Dat heeft hij nog nooit gekend. Hij is doodsbang om het te verkloten. Maar droomt nu dag en nacht van jullie.
Ze spraken af dat Pieter op bezoek kwam. Toestemming was er officieel nog steeds niet, maar Sonja twijfelde al minder.
Hendrik haalde Pieter op, zette hem bij de keukentafel. Zijn handen klam, hij keek naar zijn bord, durfde nauwelijks wat te eten, kon amper naar het strakke interieur van de Nederlandse keuken kijken. Veel te netjes, veel te dichtbij.
Vooral Sonja maakte hem zenuwachtig.
Toen Hendrik een lepel liet vallen, kromp Pieter ineen en zei quasi droog:
Nou zeg weer wat
Hendrik schoot in de lach: Inderdaad! Hallo, Piet, waarom eet je niet? Kom op, die aardappels zijn fantastisch!
Piet propte met tegenzin een hap in zijn mond, maar bleef stokstijf zitten.
Toe, jongen, ontspannen!
Wil je Simons kamer zien? vroeg Sonja ineens.
Er ontstond leven in Pieter, zijn ogen glansden. Hij knikte.
Hij liep meteen op het portret van Simon af. Simon lachte, anders dan in het ziekenhuis, maar wel oprecht. Alsof hij nu eindelijk de goedkeuring had van zijn vriend. Simon leek te zeggen: Hup, ga ervoor, ik ben er bij.
Ha, Simon! Hoi! zei Pieter, tikte even tegen het schilderij. Hij was in het ziekenhuis dunner, denk ik
Ja, vlak voor het eind was hij echt graatmager…, Sonja stamelde; ze kon het woord dood nauwelijks zeggen.
Voordat hij doodging, hè? zei Pieter onverstoorbaar. Wilt u laten zien hoe hij hier leefde?
Sonja keek op, pakte een fotoalbum, en gaf het Pieter.
Kijk jij maar, ik trek het nu even niet.
Pieter bladerde het album door, Sonja keek uit het raam.
Is dat hem? Toen was hij nog klein, hè?
Toen Sonja bij hem kwam zitten, bekeken ze samen de fotos.
Grappig, leuk, topvent, grinnikte Pieter.
Hij vroeg alles, alles was interessant.
Bij een strandfoto riep hij ineens:
O, zee! Hij vertelde dat jullie bij de zee waren!
Sonja zuchtte triest.
Echt waar? Maar praten kon hij al zo lang niet meer
Pieter keek op, schaamde zich; was net iets te enthousiast geweest met zijn verzinsels, maar hield toch voet bij stuk.
Volgens mij vertelde hij mij dat wel!
Sonja liet het erbij. Samen gleden ze door de herinneringen. Het leverde meer berusting dan pijn op.
Nadat ze een tijdje gezwegen hadden, vroeg Sonja opeens:
Piet, als wij je zouden willen adopteren, zou je dat willen?
Hij trok wit weg, bladerde in stilte door het album.
Weet ik niet. Simon was heel goed, ik ben niet zo best. Ik weet eigenlijk niet hoe
Ineens omhelsde Sonja hem onverwacht iets wat hij jaren niet had meegemaakt. Het geurige warme lichaam van een moeder.
Verlamd zat hij met zijn handen aan het album, maar zij bleef hem wiegen, zoals moeders dat doen.
Pieter huilde nooit nooit.
Nu schoot hij toch vol, tranen stroomden over zijn gezicht.
Huil je, Pietertje? Maar lieverd, huil maar. Je bent een jongen hou vol, je kan het!
Precies die woorden had hij al eerder gehoord.
Het raam stond open. De lente kwam naar binnen, het gordijn bolde fier naar binnen, de bomen wiegden. En vanaf het portret keek Simon hem zegenend aan.
En helemaal als kleine jongen fluisterde Pieter:
Kent u toevallig dat liedje? Poesje Mauw, kom eens gauw, ik heb lekker melk voor jou?
Ken ik. Wil je dat ik het leer?
Pieter snikte, knikte.
Meer hoefde hij eigenlijk niet meer te wensen.






