“Nou, huisgeest, we gaan naar een nieuwe plek. Je komt bij mij wonen, het is maar een eenkamerappartement, maar ik denk dat we er wel in passen.”
“God, ik ben achtendertig en leef al jaren alleen. Ik heb nooit iemand kwaad gedaan, nooit een grof woord gezegd. Alles wat ik heb, heb ik zelf verdiend: mijn kleine flatje, mijn tuinhuisje.
Ik mag niet klagen, mijn ouders hebben me altijd gesteund waar ze kondenik ben de jongste van vijf. Ik heb twee goede vriendinnen, al sinds onze jeugd, maar we zien elkaar weinigze zijn getrouwd.
Ik haat het wanneer hun mannen dronken rare opmerkingen maken over mijn eenzaamheid, stiekem, zonder dat hun vrouwen het weten. Ik heb ze allebei een klap moeten geven en duidelijk gemaakt: de man van een vriendin is geen man voor mij. Goddank begrepen ze het.
Even zweeg ze, keek met een zwaar hart uit het raam en dacht: hoeveel gelukkige mensen lopen daar buiten, en hoeveel net zo eenzaam als ik? Toen richtte ze zich weer tot Gods beeld en fluisterde:
“Ik heb U nooit iets gevraagd, maar nu vraag ik het met heel mijn hart. Geef me iets wat anderen niet verdragen zouden. Ik ben moe van de eenzaamheid. Stuur me een dier, een dakloze, misschien een weeskind.
Ik ben bang, Heer, onzeker. Iedereen denkt dat ik somber ben, in mezelf gekeerd, maar ik weet gewoon niet wat ik moet zeggen. Ik ben bang dat ze me uitlachen.
Mijn vader strafte me altijd als ik niet voor mezelf zorgde, als ik hen voor schut zette. Zo leef ik nog steeds. Help me, verlicht me, leid me op het juiste pad. Amen.”
Zondag. Een vroege lenteochtend. In de huizen tegenover brandt hier en daar een licht. Voor het eerst had ze echt gebeden, en toen ze zich van het kleine icoontje afwendde, voelde ze twee sporen van oude tranen op haar wangen.
Ze hapte twee zware tassenboodschappen, verf voor het hek, huishoudelijke prullariaen strompelde naar buiten.
Mijn tuinhuisje is mijn vreugde. Daar ben ik niet alleen: ik werk, praat met de buren over de oogst.
De tassen trokken haar armen naar de grond, maar gelukkig woonde ze dicht bij de bushalte. Niemand was er, ze stond er een uur alleen. Eén volle bus reed voorbij, toen nog een. Als de derde ook vol was, zou ze maar teruggaan.
Toen stopte er opeens een bus, duwde een dronken man eruit, en nodigde haar uit om in te stappen. Ze perste zich binnen, de deuren klemden haar vast, en tussen het gebrek aan zuurstof en de geuren viel ze bijna flauw.
Vijfenveertig minuten later stond ze in haar tuin. Om drie uur s middags was haar rug een gerookte ham, haar gezicht sneeuwwit. Ze waggelde naar binnen, gebogen, handen bijna tot haar knieën, ogen dofmaar ze was er.
Na een douche viel ze voor de tv in slaap, wakker midden in de nacht. Ze zette de tv uit, stelde de wekker, en probeerde verder te slapen. Maar de slaap kwam niet. Uiteindelijk stond ze op, maakte lunch voor werk.
Twee dagen later ging ze weer naar het tuinhuisje. Binnen schrok ze: de waterkoker was warm, haar favoriete kopje stond klaar met suiker en een theezakje.
Ze raakte het aan, schudde haar hoofd, liep naar buitenen staarde naar het hek. Geverfd?! Wie? Misschien haar moeder? Ze raakte het aan, groene verf kleefde aan haar vinger.
Niet haar moeder. Dit was vers. Ze begreep er niets van. Bij de buurvrouw, tussen de frambozen, flitste opeens een hoofddoek.
“Tante Greet!”
Een gemompel kwam uit het huisje. “Nadia? Wacht even.” De oude vrouw kwam naar buiten, handen aan haar schort afvegend. “Zo vroeg vandaag? Heb je je hek geverfd?”
“Nee, gisteren werkte ik nog. Heeft u iemand gezien?”
“Nee, niemand. Misschien je moeder?”
Ze belde haar moeder. “Nee, ik was er niet,” zei die. “Iemand heeft je een plezier gedaan. Zeg maar dankjewel.”
Tante Greet stelde voor om samen te kijken. Binnen was alles netjesniets gestolen, alleen het brood was op. “Een kabouter, zeker,” grinnikte de oude vrouw.
De komende dagen gebeurde er meer: planken getimmerd, vloeren geveegd. Ze liet eten achter met een briefje: *dankjewel*.
De buren lachten: “Een geest met manieren! Die snapt dat een vrouw alleen het zwaar heeft.”
Op een dag zat ze op de veranda, een oude schoen van buurman Piet voor zich. “Nou, kabouter, we gaan verhuizen. Het is maar een klein flatje, maar we passen wel.”
Een stem antwoordde: “Sorry dat ik je schrik aanjoeg.”
Ze sprong op. Voor haar stond een manoude kleren, blote voeten, zwart krulhaar tot zijn schouders, blauwe ogen.
“Ik beloofde met je mee te gaan,” zei hij.
Ze barstte in tranen uit. “Wacht hier. Heb je honger?”
“Een beetje. Je was de hele dag thuis, ik kon niet eten.”
“Thuis zijn er nog pasteitjes.” Ze rende naar de buren, ongelovig. *Dit gebeurt niet echt.*
Jaren later liepen ze hand in hand door het park, haar en Vladimir. Ze dachten terug aan die dag, hoe hijtwee diplomas, een mislukt huwelijk, daklooshaar tuinhuis had gevonden, zich verstopt had, haar geholpen had zonder dat ze het wist.
Hij was bang geweest dat ze hem weg zou jagen. In plaats daarvan nam ze hem mee naar huis.
Nu zouden ze het verhaal ooit aan hun zoon vertellen.







