Ik zoek een vrouw met de naam Tessa.
Door de lage poort stapte hij de Amsterdamse binnentuin in, waar het smeltwater in plassen lag. Dit was al de vierde binnenplaats. Een speeltuin, schommels, jongens schoten een natte puck over het beton. Het water spatte alle kanten op, maar de jongens maalde er niet om.
Even bleef hij in de poort staan, keek om zich heen. Wat verlangde hij dat zijn geheugen zich ergens aan vastgreep, dat details uit zijn jeugd boven water kwamen. Maar alles was hier anders dan in zijn herinnering. Logisch ook zoveel jaren waren verstreken. Toen waren er enkel strakgespannen waslijnen, oude schuurtjes onder de ramen, een paar seringenstruiken en verweerde bankjes geweest.
Nu
In al die jaren kon alles veranderen. Sterker nog: het moést wel veranderd zijn.
De onbekende oudere heer met leren pet trok geen aandacht. Hier, tussen de vier herenhuizen van het hofje, werden woningen vaak verhuurd. Amsterdam…
Hij moest in het huis rechts van de poort zijn. Daarover twijfelde hij niet. Het was de tweede verdieping, in een pand van drie hoog. Vooraan, de tweede deur rechts, in de hoek. Op de deurpost nog altijd een rij knoppen van verschillende vormen en kleuren, met de familienaam van de oude bewoners.
Hij herinnerde zich elk detail: de vouw in het gordijn, het rare slotje op het bovenraam, de donkergroene fluitketel, het kraken van de vloer, zelfs die verdraaide kakkerlak die ze twee dagen probeerden te vangen. Alles wist hij zich voor de geest te halen van binnenuit.
Maar het huisnummer en het nummer van het blok? Geen idee. Hij wist nog wel aan welke gracht het lag. Maar de hofjes leken allemaal op elkaar; je kon achteloos de verkeerde kiezen. Zo ging hij alle vijftig-achtige hofjes langs, steeds twijfelend aan de trapopgang misschien toch de tweede links De huizen waren stuk voor stuk door dezelfde bouwers neergezet, in dezelfde stijl, identiek bijna.
Zo dwaalde hij door de hofjes
Het rechter huis, tweede ingang (de portiek, zoals men hier zegt), tweede verdieping, deur in de hoek Nummer 43? Of
Als er een intercom hing, probeerde hij steevast 43.
“Goedendag, ik zoek Tessa. Mag ik u iets vragen”
Soms werd hij afgekapt: Hier woont geen Tessa. Of zelfs: Hier woont geen enkele vrouw zoals u zoekt. Dan moest hij het opnieuw proberen.
“Sorry dat ik stoor, maar het is belangrijk. Weet u of er in 1980 misschien een vrouw genaamd Tessa op dit adres woonde? Het is echt belangrijk voor mij.”
Na drie hofjes begon hij alles op te schrijven in zijn notitieboekje.
“16 niemand thuis, 24 zeker niet, 32a kennen haar niet, net gekocht…”
Er waren veel hofjes, hij moest terug naar die plaatsen waar niemand had open gedaan, of waar hij geen antwoord kreeg op zijn vragen.
De trap op in een zwaar, stil portiek, schemerig en met hoge stoffige ramen. Het rook naar katten. Net als vroeger, bedacht hij.
“Goedemiddag!” boog hij licht.
Een oudere vrouw in een grijze jas met boodschappentas kruiste zijn pad.
“Goedemiddag, zoekt u iemand?” vroeg ze.
“Ik moet naar de tweede verdieping. Ik zoek Tessa, een vrouw van een jaar of zestig. Weet u of hier zon vrouw woont?”
“In welk appartement dan?”
“In de hoek rechts. Al heel lang geleden, toen hier nog gezamenlijke woningen waren… Helaas weet ik het nummer niet meer.”
“In de hoek? Nee hoor. Daar wonen de Van der Meulens, man, vrouw, twee kinderen. Geen Tessa daar. Ik ken hier iedereen, ik woon er al mijn hele leven.”
“Dank u wel.” Hij knikte en begon de trap af te zakken.
De vrouw liep met hem mee.
“Wacht eens, wat is haar achternaam?”
“Als ik dat nog wist, had ik haar al gevonden. Maar die weet ik niet of eigenlijk heb ik die nooit geweten.”
“En wat betekende ze voor u, als ik zo indiscreet mocht zijn?”
Even hapte hij naar woorden. Wie wás ze voor hem?
Tessa Tess Tes…
Liefde laat zich niet definiëren. Het is een feit, geen gevoel het is er, of het is er niet. Wat rest, zijn beelden, herinneringen die ergens aan vastklampen.
Jeroen van den Berg had het altijd als vergankelijk beschouwd; liefde zou geen jarenlange afstand of stilte overleven. Het zou verdwijnen, oplossen, wegzakken in het verleden. De herinneringen aan geluksmomenten hielpen hem maar deden tegelijk pijn.
Hij voelde zich schuldig. Veertig jaar had hij met een onvolledig hart geleefd.
Juist die herinneringen hielden zijn hart op de been, al was het uiteindelijk datzelfde hart dat het begaf. Toen zijn vrouw, met wie hij decennialang samenwoonde, stierf de laatste jaren leefden ze vooral langs elkaar heen begaf het. Na haar dood, die niet onverwacht kwam, lag hij in het ziekenhuis met een hartinfarct.
Ze hadden hun conflicten nooit uitgesproken. Er werd niet eens ruzie gemaakt. Ze waren ieder hun eigen kamer in gegaan, contact bleef beperkt tot het huishouden.
Zijn vrouw vond het huis meer van haar dan van hem. Tegen haar vriendinnen zei ze wel eens lachend: “Waar zou hij anders heen moeten? Laat hem hier maar wonen tot zijn laatste dag.”
Het was een museum vol gouden lijsten, kristal, dure meubels met inlegwerk, bonte tapijten. Middenin stond een witte vleugel, altijd bedolven onder een vaas met kunstbloemen.
Die vleugel was een besluit zonder ziel. Nee, het was wel een echte Steinway, maar niemand speelde erop. Die vaas stond er altijd, het deksel werd nooit opgetild.
Toen ze hem net kochten, gaf zijn vrouw enkele muziekavondjes met ingehuurde pianisten. Maar de bandrecorder met populaire muziek bleek toch favoriet.
“Een dure vaastafel,” noemde Jeroen de vleugel. Ongelooflijk: het ding kostte meer dan een groot appartement in Amsterdam.
De vrouw had het zelf geprobeerd te leren. Een docent kwam een paar lessen, toen haakte ze af. Zo ging het met veel in haar leven behalve haar mani- of massagesessies bracht ze weinig tot een einde.
Ook hun zwangerschap werd nooit voltooid. Dit rees hem steeds vaker door het hoofd. Het leek een uiting van haar egoïsme; ze werd nooit moeder.
De laatste jaren werden ze toch weer wat milder naar elkaar. Hun gezondheid liep achteruit, ze wandelden in het park, voerden de eenden bij de vijver, Jeroen viste wat.
“Waarom liepen we vroeger nooit zo?” vroeg hij aan haar. Ze zaten samen op het bankje.
“Omdat we dom waren,” antwoordde ze.
Maar vroeger renden ze altijd. Jeroen maakte carrière bij het Ministerie in Den Haag haar vader hielp hem omhoog. Terwijl Jeroen amper zijn draai vond in een functie, had haar vader al het volgende stapje geregeld.
En terecht; Jeroen had lef hij kon leiding geven en knopen doorhakken. Zon schoonzoon: daarop kon een topambtenaar als Kees de Graaf trots zijn.
Maar aanvankelijk had De Graaf hem bijna laten lopen. Jeroens vrouw vertelde hem later dat ze werd ingezet om de zaak te forceren.
“…En wie is zij precies voor u?” drong de oude vrouw aan.
“Zij…? Zij is alles wat ik nog heb, denk ik.”
Uit haar blik sprak mededogen. Hier zocht iemand naar iets wat zijn leven kleur had gegeven.
En Jeroen liep het volgende hofje in. Zijn schoenen waren helemaal nat. Hij belde aan, stak zijn verhaal steeds opnieuw af, liep tegen botte reacties op soms kon hij zijn verhaal helemaal kwijt. En weer: het volgende hofje.
s Avonds viel hij uitgeput op het hotelbed. Sliep in zijn kleren, sloot zijn ogen. Benen en rug deden pijn, hoofd bonkte, maar de volgende ochtend stond hij weer vroeg op.
***
Het was een natte herfst, destijds. Amsterdam lag onder een gouden deken van bladeren en het regende vaak. Overal stonden kramen, er werd volop handel gedreven tussen de grachten.
Samen met zijn toekomstige schoonvader reisde Jeroen vanuit Groningen naar de hoofdstad voor een belangrijk overleg over stadsvernieuwing volop democratisering in de maatschappij.
Voor Kees de Graaf, CDA-kopstuk, was dit belangrijk; hij werd naar Den Haag overgeplaatst. En Jeroen, een jonge idealist, werd vrij abrupt diens rechterhand. Maar plannen smeedde hij verder niet. Hij werkte rustig door.
Er werd een nieuwe fabriek gebouwd in Noord-Holland, Jeroen was daar verantwoordelijk. Jong als hij was, besefte hij amper wat er op zijn schouders lag. Alles leek mogelijk in het Nederland van toen.
In Amsterdam genoot hij van de stad. De Graaf stuurde hem allerlei klusjes af. Op station Vijzelgracht hoorde Jeroen plotseling een betoverende vioolmelodie. Het beroerde zijn ziel, hij werd naar de klanken toegetrokken.
Een tengere jonge vrouw, blauwe baret op, een fijne sjaal speelde op haar viool. Haar schoenen waren versleten, haar dunne benen bijna als een ballerina. Voor haar lag een open vioolkist, waar mensen munten ingooiden.
Jeroen verstijfde. Een prachtig, breekbaar tafereel: die muziek, de blauwe sjaal, haar krullen, de natte muur achter haar en haar rode, koude handen. Je zag dat ze het koud had maar het leek haar te verhevigen.
Om hen heen markthandel, kopers, verkopers, haast, mensen gooiden wat geld, bleven even staan maar alleen Jeroen bleef.
Ze maakte haar nummer af, stopte de viool tussen arm en lichaam, wreef haar handen warm, trok haar trui op. Toen hief ze het instrument weer op. Met een virtuoze beweging bracht ze de stok in de lucht, sloot haar ogen, gaf zich volledig over.
De vioolklanken stegen op in het metrostation. Zoveel mijmering, zoveel melancholie! De muziek kroop over de muur, steeg omhoog alsof ze wilde zeggen wat woorden niet konden.
Jeroen verloor zich in de muziek. Tot plotseling…
Een jongen van een jaar of vijftien dook bij haar neer, greep de vioolkist en zette het op een lopen.
“Gestolen! Pak hem!” riep een marktkoopvrouw. Haar stem galmde over de noten heen.
De ogen van de muzikante bleven gesloten; ze speelde onverschrokken verder.
Jeroen ging het eerst achter de jongen aan, sprong de trap op, riep naar voorbijgangers: “Stop die dief!”
Een stevige man versperde de weg; de jongen gooide het instrument neer en vluchtte verder. Jeroen bedankte de man en verzamelde het geld uit de kist, die nu kapot was.
De vioolspeelster kwam aangesneld.
“Hij liet hem vallen, kapot dus…” zei Jeroen, terwijl hij het geld raapte. “Hier, alles wat ik kon vinden…” Hij overhandigde het geld.
Ze was serieus, maar leek meer van streek door iets anders.
“Gebeuren zulke dingen vaker?” vroeg Jeroen, zoekend naar een aanknopingspunt.
“Soms,” zei ze zonder belangstelling en liep weg.
Toch liep hij achter haar aan. De vrouw versnelde haar pas, bleef uiteindelijk stilstaan op een brug en keek peinzend naar het water.
Plotseling tilde ze haar kist boven het water. Jeroen besefte wat ze wilde doen.
“Nee, niet doen, alsjeblieft!” Hij griste de kist uit haar handen, beiden hielden het even vast boven het water.
“Het hoeft niet,” zei hij zacht. “Het is toeval, misschien moet ze juist muziek blijven maken.”
“Ik mocht hier niet spelen,” zei ze ineens zacht. “Dat had ik mijn moeder beloofd.”
Haar moeder was overleden, twee maanden daarvoor.
Jeroen wist even niet wat hij moest zeggen, maar liep mee. De wind speelde met de bladeren, beide zwegen. Zij zei plots: “Ik speelde mn hele leven voor haar, en nu is er niets meer om voor te spelen.”
“Maar toch wilde je spelen in dit metrostation, uit pure noodzaak?”
“Het was gewoon honger. Ik had geen cent meer…”
“Dat is op te lossen!” riep hij en rommelde in zijn portemonnee. “Niet veel, maar morgen breng ik meer.”
Ze keek hem verontwaardigd aan: “Denk je nu echt dat ik van jou geld aanneem? Laat me met rust.”
Ze liep boos weg. “Morgen wacht ik op je bij het station! Echt!” riep Jeroen haar nog na.
Maar de volgende dag was ze er niet. Ook niet later. Marktvrouwen vertelden dat ze haar die ochtend niet had gezien.
Hij wachtte uren. Maar uiteindelijk, toen het bijna avond werd, zag hij haar. Zonder een woord ging ze zitten en spelen. Een marktkoopvrouw gaf hem een stoeltje iedereen had zijn wachten opgemerkt. Jeroen luisterde twee uur, gelukkig bij haar glimlach.
Hij schonk haar een paar grote biljetten euros. “Wat doe je nu?” riep ze uit. “Dat is veel te veel. Dadelijk beroven ze me!”
Ze stopte het geld snel in haar jas, trok hem mee: “Wegwezen!”
Ze vingen hen bij de ingang van het station al op twee opgepompte jongens. “Laat je gever maar betalen,” sneerde de een.
Er ontstond een gevecht. Jeroen kon vechten, alleen waren het er uiteindelijk vier. Maar zij rende om hulp, bracht de politie. Die maakten er een einde aan; de jongens liepen mopperend weg met lege handen.
Op haar kamer in de oude Amsterdamse woning, de geur van stoof, een piano met een kanten kleedje, boeken. Ook een foto van haar moeder met bloemen eromheen.
Ze verzorgde zijn verwondingen, ze dronken thee met Amsterdamse beschuit. Er was nauwelijks iets in huis.
Hij vertelde zijn verhaal over de bouwprojecten, zijn leven in Groningen. Zij vertelde dat ze gestopt was met het conservatorium. Ze hielp binnenkort haar buurvrouw bij het venten op de markt.
“Maar je bent zon goede violiste!” zei Jeroen.
“Die zijn er teveel, het is crisis,” antwoordde ze gelaten. “En hier veel meer dan een kopje thee zit er niet in.”
Toch kwam hij terug. Kocht boodschappen en bracht ze bij haar langs. Het werd hun traditie, samen eten, samen praten.
Ze trokken de stad in, door de herfstregen, onder de bomen in het Vondelpark, lachend en dicht tegen elkaar aan.
Ze lazen elkaar gedichten voor, dronken uit hetzelfde bekertje koffie, waren jong en gelukkig.
Ze kusten, hij vroeg haar met hem mee te gaan naar het noorden. Maar niemand mocht weten hoe intens hun liefde was. In die nachten speelde ze piano, later zochten ze samen die ene kakkerlak.
s Ochtends een telefoontje, hij moest direct terug naar het hotel “er is een aanklacht tegen je, Jeroen…”
“Ik kom terug, ik beloof het,” zei hij. “Je moet wachten op de tweede ontmoeting, die komt zeker terug.”
Maar het bleek niet eenvoudig. Een strafzaak hing boven zijn hoofd fraude, onkunde alles tot in detail vastgelegd. Precies wat zijn schoonvader goed uitkwam.
“Het is dit: trouw met mijn dochter, dan trek ik je uit de modder.” Maar Jeroen wist dat hij Tess liefhad.
En zo werd Tess moeder zonder Jeroen. Alles leek ongepland, maar het leven liep anders.
***
De waarheid kwam decennia later in een hofje in Amsterdam. Oude dames bespraken het lot:
“Tessa? Ach ja, die is toch vorig voorjaar gestorven? Nee, wacht, dat was Annelies. Jij bedoelt Tessa, die violiste?”
Hij schrok zijn vrees werd waarheid: wat als ze dood was? Zijn leven eindigde dan ook.
“Nee, Tessa leeft nog, maar verhuisd. Je kunt haar dochter vragen, die woont nog altijd hier, boven!”
Hij vroeg door, drong aan, werd uiteindelijk naar boven gebracht. Hier woonde nu een jonge vrouw. Ze leek als twee druppels water op Tess.
“Houd je niet van kakkerlakken?” vroeg hij.
“Nee, gadver!” lachte de vrouw.
Ze spraken, er vloeiden tranen, verhalen werden uitgewisseld. Ze vertelde hoe haar moeder haar alleen grootbracht, hard werkte, geregeld kamers moest verhuren.
Jeroen hoorde dat hij een dochter had, een kleinzoon zelfs. Zijn hart sloeg over, tranen bleven stromen.
“Uw moeder heeft u altijd verwacht; ze wist dat u zou terugkeren.” De dochter glimlachte.
En samen reden ze naar de nieuwe flat waar Tess nu woonde, vijfhoog. Hij kon nauwelijks de trap op. Tess deed open, haar gezicht nauwelijks veranderd in al die jaren.
Ze viel hem om de hals, hij viel op zijn knieën. Ze omarmden elkaar, beiden in tranen.
“Je bent teruggekomen,” fluisterde ze.
“Nooit meer ga ik weg, Tess. We hebben nog een leven in te halen,” zei hij met moeite.
Samen reden ze, met zijn ‘schoonzoon’ als arts achter het stuur, naar het ziekenhuis. Zijn dochter en kleinzoon zwaaiden hen uit. Tesss hand in de zijne; aders dun geworden van ouderdom, de vingers klein als toen.
Door het raam stroomde de avondzon Amsterdam binnen. Jeroen dacht aan alle jaren, aan verlangen, spijt en hoop.
Het geluk is geen plek, maar een terugkeer. Vinden wie je zoekt en nooit meer uit elkaar gaan. Want voor het geluk is het nooit te laat.
Het leven leerde hem dat liefde standhoudt, ook na vele seizoenen scheiding. En dat zelfs in de talloze hofjes van Amsterdam, als je maar zoekt, je het leven en de liefde weer kunt vinden.






