Een Onverwachte Ontmoeting

Toevallige ontmoeting

De oude winterjas van Marijke verwarmde haar eigenlijk alleen nog van onderen. De dons was omlaag gezakt; bovenop leek het meer een dun windjack dat alle Noordzeewinden doorliet. Onder hielden gebreide wollen broeken en ouderwetse klompen haar nog warm, en een wollen sjaal trok ze steeds weer over haar schouders, stevig over de mouwen, om toch de kou buiten te houden.

De auto die door Cora, haar marktvriendin, was beloofd, liet hen deze keer in de steek. En nu stonden ze, omringd door hun tassen, aan weerszijden van de weg te liften. Hun tassen zouden samen nooit in één auto passen, dus was het ieder voor zich.

Vroeger, toen Marijke nog voor een baas werkte, bestonden deze problemen niet. Maar geld was er tekort in haar eentje zorgde ze voor haar twee kinderen en een tijdje geleden was ze haar baan na het sluiten van hun textielfabriek kwijtgeraakt. De man was al lang uit beeld. Dus besloot ze, niet zonder tegenzin, om in te stromen in het wereldje van de Nederlandse marktkooplui. Samen met Cora reed ze op en neer naar Duitsland of België, op zoek naar waar ze de beste waar kon inkopen.

Het bracht geen rijkdom; de huisraad in de volkswijk lag inmiddels vol handelswaar, maar geld bleef schaars en de dagelijkse beslommeringen namen alleen maar toe. Elke ochtend sleepte ze haar koopwaar naar de Lapjesmarkt aan de Oudegracht, en ‘s avonds sleepte ze alles, in meerdere etappes als de kinderen niet thuis waren, weer naar hun galerijflat op de vierde verdieping.

Vroeger zong ze nog mee met Het tij moet keren, maar van die veranderingen kreeg ze vooral kopzorgen ze was ontslagen na de sluiting van de fabriek. De vader van haar kinderen verdween uit beeld, en Marijke had niet veel andere keuze dan te gaan venten op de markt. Terwijl ze altijd dacht dat ze helemaal niet geschikt was voor de handel.

Daar stond ze dan, langs de provinciale weg nabij Utrecht, half in het natte sneeuwslijk, eigenlijk nog een jonge vrouw, maar haar lippen waren gebarsten, haar huid rood van de gure weekmarkttrek en koude, haar ogen traanden van de wind.

Auto’s raasden voorbij, spattend met modder. Marijke probeerde weg te kijken van de viezigheid, tuurde liever naar de daken van de arbeidershuizen en de witte bomen waar de sneeuw tenminste schoon was gebleven. In het leven was er al genoeg grijs slijk, dacht ze, beter om daar niet te lang bij stil te staan.

Ze stak haar hand op, weer en weer, en eindelijk stopte er een auto een besmeurde Volvo.

Kunt u me eventueel voor een schappelijk prijsje naar de Amsterdamsestraatweg brengen? vroeg ze, terwijl ze haar schroom onderdrukte.

Ze stond meteen aan de grond genageld. Ze herkende hem direct, alsof de tijd zelf was stil blijven staan. Het leek alsof hij niet was veranderd misschien alleen maar knapper geworden. Diezelfde mysterieuze, serieuze blik, die licht geheven wenkbrauwen, die kalme glimlach.

Voordat ze het door had, was hij uitgestapt, tilde in een paar krachtige bewegingen haar tassen in de achterbak.

Ze liet zich op de passagiersstoel vallen, schikte snel haar sjaal, terwijl ze zichzelf in stilte begon te verdedigen waarom zag ze er juist vandaag zo armoedig uit? Want hij moest haar immers ook herkennen.

Of toch…?

Zoveel jaren. Hoeveel eigenlijk?

***

Ze was destijds tweeëntwintig. Voor haar stage werd ze uitgezonden naar een boswachterij in Drenthe. In Utrecht wachtte haar verloofde, Bas, een fijne en verstandige jongen. Alles ging volgens plan: stage, diploma, huwelijk.

Wat zouden drie maanden stage kunnen veranderen?

Ze kreeg een kamer in een boerderij in het dorpje Diever, bij een weduwe genaamd Katrien. Ook zij werkte bij de boswachterij en woonde bij haar stokoude, half dove schoonvader. Marijke was altijd opgewekt, vlot in de omgang; met Katrien raakte ze snel bevriend, samen zorgden ze mee voor de oude baas.

Op een dag kreeg de oude man een aanval in haar bijzijn. Paniek! Ze rende naar de buren, maar niemand thuis. Net toen, hobbelde er een tractor langs. Ze zwaaide. Een lange, knappe jongen sprong eruit, met een serieuze, bijna raadselachtige blik.

Hij tilde de oude man zonder moeite op, samen naar de tractor. Marijke er achteraan, gespannen of alles wel goed kwam.

Bij de huisarts aangekomen, verscheen de ziekenwagen net op tijd. De jongen stapte gewoon mee in. Na de overdracht aan het medisch personeel, kwamen ze eindelijk aan een praatje toe.

Ze bleken collegas bij dezelfde boswachterij, en woonden zelfs naast elkaar in het dorp. De jongen heette Arjan.

Maar het was al ver na etenstijd. Hoe weer terug naar huis? De ambulance reed niet terug via het bos.

We kunnen bij m’n moeder slapen, hier vlakbij, stelde Arjan voor. Ik in het schuurtje met mijn broertje, maak je geen zorgen!

Hoewel Marijke hem vertrouwde, aarzelde ze toch. Maar uiteindelijk stemde ze in. Hij had gelijk; ze sliep als een roos op een enorme donzen deken tot zijn moeder haar wekte. De halve dorpskeuken stond al vol met versgebakken krentenbollen.

Tijdens het ontbijt had Arjans moeder honderduit gepraat. Over hoe zijn vrouw was weggelopen, hem had achtergelaten met een zoontje, en hoe hij zijn zaken goed op orde had: hij hield varkens, verkocht vlees, bouwde een nieuw huis. Zo zat ze daar, in het huis van een wildvreemde, verwonderd over de noordelijke hartelijkheid. Maar gelukkig, haar Bas wachtte op haar; haar toekomst lag niet in de Drentse weiden.

Maar steeds vaker kwam Marijke Arjan tegen. Op de bosweg, in de kantine of in het dorp. Ook Katrien kende hem goed, samen brachten ze de oude man weer thuis vanuit het ziekenhuis.

Een goed stel, jullie twee, grinnikte Katrien. Hij vroeg naar je en werd zo rood als een boei.

Nee joh, protesteerde Marijke. Ik heb Bas, en geen interesse in mannen met kinderen.

Maar toch zocht haar blik Arjan steeds vaker, voelde ze zijn aanwezigheid als een warme gloed. Iedereen had respect voor hem, bij elk probleem hoorde je: Vraag het maar aan Pronk.

En daar liep zij, plots de elegante stadse vrouw in haar beige jas, zwevend boven de modderige paden, keurig en onbereikbaar. De boeren werden zelfs beleefd en matigden hun taal voor haar.

Juffrouw, wat brengt u hier?

Marijke, wacht even, ik rij je naar het dorp, zei Arjan.

Op de trekker reden ze door de duisternis. De straatlantaarns deden het niet eens het gemeentebestuur had geen geld meer voor elektriciteit. Maar Arjan zei: Dat lossen we binnenkort wel op. Blijf hier eens een tijdje, dan zie je hoe mooi het hier wordt als alles bloeit.

Wie had toen gedacht dat verantwoordelijkheid het mooiste was dat een man kon bezitten?

Zijn toenaderingen werden openlijk. Hij hielp Katrien met haardhout, bracht medicijnen voor opa. Maar Marijke bleef zichzelf tegenhouden.

Ze kon zich niet voorstellen hier te blijven wonen. In Utrecht wachtte haar verloofde, haar ouders spaarden voor haar bruiloft. Wat zouden ze zeggen als ze met dit boerendrama thuis kwam? Met een man die scheidde, varkens hield, en niet eens uit haar eigen stad kwam?

s Avonds, als alleen het geruis van de wind en het geblaf van honden de stilte doorbraken, probeerde ze aan haar toekomst te denken. Ja, Arjan zou voor haar zorgen, haar liefhebben, haar kinderen troosten daar geloofde ze in. Maar durfde ze het oude leven op te geven voor dit? Voor Bas, die de trouwringen al gekocht had, haar moeder, haar eigen plannen? Schaamte hield haar tegen.

Toch voelde ze het verlangen groeien, de voorbode van een grote liefde. Was ze ooit echt verliefd geweest op Bas? Met Arjan was het anders… gevaarlijker misschien.

En op een avond, na een zwaar gesprek vol tranen, kwam het tot een omhelzing. Of het nu een afscheid was van Bas, of een afscheid van deze nieuwe liefde, ze begreep het niet. Het gebeurde; het voelde intens en was haar eerste echte ervaring, prachtig en onherroepelijk.

Maar haar besluit bleef uit, misschien laf, misschien kinderlijk, misschien gewoon niet levenswijs genoeg.

Tot ze bij de dorpspomp een jongetje greep dat gevaarlijk op de rand klom. Niet doen, straks val je erin! Waar is je mama? riep ze.

Een schuchtere dorpsmeid kwam aangesneld, de zoon des huizes huilend aan haar rokken. Dank je, ik had hem niet gezien, zei ze zacht, bijna vijandig. Marijke begreep het plots: de jongen Evert was Arjans zoon, en dit meisje, Greetje, had hem als haar eigen kind omarmd. Opeens voelde ze zich een buitenstaander in hun leven.

De moeder van Arjan zocht haar op met tranen. Evert was verknocht aan Greetje, die hem opving toen de moeder verdween. En nu, sinds Marijke er was, was het gezin onrustig. Waarom maak je het kapot? vroeg ze onomwonden.

Marijke was verbijsterd. Had zij schuld? Was zij de indringer? Ze dacht altijd het slachtoffer te zijn niet de oorzaak van anderen hun verdriet.

Arjan smeekte haar te blijven, hem niet te verlaten. Hij bracht haar naar het station, sprak teder, zei dat zijn moeder en Greetje zich van alles in het hoofd haalden. Greetje was te stil, te flets naast zijn levendigheid, vond Katrien.

Ze zijn geen goed stel. Maar jij en hij, jullie horen bij elkaar.

Marijke was te trots, te gekwetst. Nee, dacht ze, ik ga terug naar mijn stad. Alle twijfel was als sneeuw voor de zon verdwenen.

Op het perron stond Arjan, zijn geruite overhemd open, brede schouders, zijn blik dof. Zo zou ze hem jaren onthouden.

Ze huilde de eerste treinrit naar huis.

Ziedaar haar stage van drie maanden.

Maar jong zijn heelt alles. Ze trouwde met Bas, begon aan de familiecarrousel.

**

Nu zat ze weer op de passagiersstoel, haar sjaal schikkend, zoekend naar excuses ze was immers veranderd, zwaarder, gebarsten lippen, haar jas versleten zou hij haar herkennen?

Of juist niet?

Zestien jaar waren er voorbijgegaan.

Zwijgend reden ze eerst voort.

Wat een hondenweer, zei Marijke toen een tegemoetkomende auto een plens water over de wagen gooide.

Hier in de stad ja. Buiten is het beter, zelfs de wegen zijn verrassend schoon.

Kom je van buiten?

Ik rij op en neer, zaken…

Bedankt dat je me een lift geeft, onze auto hield ermee op. Meestal heb ik vervoer. Ik betaal je…

Hij keek haar aan, die oude, vertrouwde blik, nu met een zweem van teleurstelling hij had haar herkend.

Dag, Arjan, fluisterde ze aarzelend.

Hoi, Marijke!

Dus je bent me niet vergeten? Ik dacht dat je me allang uit je hoofd had gezet.

Niet vergeten, antwoordde hij, terwijl hij zijn blik gericht hield op de natte weg.

Die oude pijn, zijn stem, zijn ogen; haar keel werd droog en onverwacht warm, ze trok haar sjaal af.

Hoe is het met je, Arjan? vroeg ze zacht.

Even een pauze, ook hij leek overvallen door het verleden.

Met mij? Redelijk, druk. Zoals iedereen nu. Jij ook, denk ik.

Werk je nog bij de boswachterij?

Nee… dat bestaat al lang niet meer. Ik werk nu voor mezelf.

Varkensbedrijf? vroeg ze, herinnerend hoe hij de zaken voortvarend had aangepakt.

Dat, en meer. Ook in de vleeshandel.

Plots schoot Marijke te binnen dat ze die naam Pronk op vleeswaren had zien staan. Toeval?

Wacht. De producten van “Pronk”? Die worstjes, hamburgers zijn die van jou?

Hij glimlachte flauwtjes. Zo is het. Niet lekker?

Jawel! zei ze verbaasd. Mijn moeder reist er speciaal voor naar de weekmarkt! Wat bijzonder…

Hij vertelde hoe alles klein begonnen was, hobbyboerderij, later een fabriek, met veel dorpsgenoten mee. Nu verkochten ze in bijna geheel Noord-Nederland.

Marijke voelde zich ineens wat kleurloos naast hem in haar oude, ingezakte jas en klompen, ooit een stadse schoonheid, hij ooit eenvoudiger jongen, nu een succesvolle ondernemer. Het leek wel omgekeerd.

En je zoon?

Arjan glimlachte. Drie jongens inmiddels.

Drie zonen?!

Ja, en bij jou?

Een jongen en een meisje, antwoordde Marijke, het zweet op haar voorhoofd.

Evert is bij defensie; moeilijke tijd gehad. Greetje is helemaal grijs inmiddels. Maar hij komt in het voorjaar thuis. De middelste zit op het MBO, de jongste in groep zeven.

Greetje… Hij was dus werkelijk met haar getrouwd, dat stille dorpsmeisje.

O, hoe graag zou ze nu willen zeggen wat ze nooit durfde uit te spreken hoeveel spijt ze had dat ze was weggegaan, hoe vaak ze eraan terugdacht! Nu ze hem weer zag…

Bas bleek geen bijzonder echtgenoot. Aanvankelijk redde hij het nog, werkte als civiel ingenieur, verhuisde naar de Veluwe, ze kregen een huurwoning, de kinderen waren klein. Maar Bas kreeg problemen op het werk, wisselde vaak, begon te drinken. Ze raakten het huis kwijt, verhuisden naar haar schoonmoeder, uiteindelijk verdween Bas met een andere vrouw. Marijke hield het niet vol, vroeg echtscheiding aan, trok in bij haar moeder. Haar vader, haar steun, was er toen al niet meer.

Hoe graag had ze hem willen vertellen hoeveel ze betreurde. Maar uiteindelijk zei ze iets heel anders:

Mijn zoon zit in de vierde van het VWO, mijn dochter is tweedejaars op de middelbare. De tijd vliegt.

Ja, dat klopt, zei hij.

Ze zwegen. Beide wilden ze praten over wat hen diep raakte, maar dachten dat het alleen voor henzelf van belang was.

Marijke voelde zich ineens schuldig tegenover Arjan, maar herinnerde zich wat zijn moeder ooit had gezegd dat zij het gezin had verstoord. Toch gaf haar eigen trots haar destijds geen rust ik heb niemand nodig, dacht ze toen.

En jij? Hoe is het bij jou? vroeg hij uiteindelijk.

Ach, ik red me wel. Ben ontslagen, dus werk nu voor mezelf, zei ze, haar haar uit haar gezicht strijkend. Alleen is het niet makkelijk.

En je man? Bas toch?

Dat je dat nog weet.

Ik heb je als bruid gezien, weet je. Ik reed achter jullie bruidsstoet aan tot aan het restaurant.

Wat?! Marijke draaide zich om.

Ja. Katrien vertelde het me de dag voor je bruiloft. Ik ben in de auto gesprongen en jullie gevolgd tot het feest. Jij was stralend. Ik kon niet naar je toe. Ben naar huis gereden en heb Greetje ten huwelijk gevraagd.

Had ik het maar geweten fluisterde Marijke. Ze voelde zich leeg.

Dat zou alles verpest hebben. Je was zo blij, zo mooi en gelukkig toen.

Voor even Vijf jaar later was het over. Ik ging terug naar mijn moeder.

Zonde, knikte hij.

Ach, ik red me. Blijkbaar ben ik toch sterker dan ik dacht. Kinderen maken het goed, oudste wil geneeskunde studeren. Ik sta nog altijd op de markt, in mijn klompen. Mijn plekje is tochtig, maar goed te verkopen. Ik hou het erop vast.

Ze wilde haar situatie niet erbarmelijk laten klinken. Het viel allemaal nog wel mee, vond ze.

Arjan luisterde zwijgend, een diepe frons tussen zijn wenkbrauwen.

En met Greetje? Hoe is zij?

Hij haalde zijn schouders op. Ze bakt broden. Eerst thuis, nu in onze nieuwe bakkerij.

De Hollandse Oven? Die zaak ken ik die is van haar?

Ja. Voor haar gebouwd. Haar brood werd bekend zo is het begonnen.

Opeens herinnerde Marijke zich dat zij eens in die winkel was geweest, haar vriendin had zo geroemd over het zuurdesem. De eigenaresse, een frêle vrouw met een jongensachtige coupe, was haar opgevallen ergens bekend, maar ze had het niet kunnen plaatsen.

Nu viel alles op zijn plek.

Hier ergens? Ze naderden haar flat. Arjan zocht het huisnummer.

De volgende blok.

Maar Arjan stopte abrupt zijn wagen, sprong eruit.

Marijke keek toe als in een droom: Arjan rende naar een bloemenstal, kwam terug met een weelderig boeket witte chrysanten, legde het op haar schoot.

Ze keek naar de bloemen, de witte pompons vervaagden voor haar ogen. Snel wiste ze haar tranen weg had ze niet net beweerd dat ze sterk was?

Hij hielp haar met de tassen, liep mee naar boven tussen graffiti op de muren.

Kom je binnen? Ze hoopte eigenlijk van niet, want het huis stond vol marktwaren; moeder zou nieuwsgierige blikken werpen.

Maar misschien moest hij het toch zien, misschien zou hij haar dan begrijpen. Misschien zelfs mededogen tonen

Nee, Marijke, ik moet gaan. Veel te doen vandaag. Hij nam haar pols, hield deze even vast, alsof hij afscheid nam.

Toen liep hij snel de trap af.

Riep ze hem nog na?

Ze stond te kijken en wist opeens: hém viel het nu zwaarder. Hij had afscheid genomen, ze zouden elkaar niet weer zien. Dat besef bracht haar rust.

Ze sleepte de tassen haar appartement in.

Moeder stond direct in de deuropening: vragen, verhalen, familieperikelen. Marijke hoorde het niet; haar pols tintelde nog. Ze trok haar klompen uit, zette ze naast de radiator en deed alles op automatische piloot.

Moeder ratelde maar door, merkte niet dat haar dochter verstrooid was.

Later, toen Marijke aan tafel zat, vroeg ze:

Mam, weet je nog dat ik voor mijn huwelijk vertelde over een jongen bij mijn stage, in Diever? Hij was boer, wilde trouwen

Dat herinner ik me ja. Waarom?

Jij zei toen: Moet je voorstellen, in een dorp, boerin worden.

Klopt toch. Ik wilde niet dat je tot aan je knieën in de modder zou belanden.

Ik heb hem vandaag gezien.

Waar dan?

Dat doet er niet toe. Alle Pronk producten waar je zo dol op bent, zijn van hem. Zijn vrouw is die van De Hollandse Oven. Kijk, zo kan het dus gaan

Moeder bleef staan, kopje in de hand, pijn schemerde door. Daarna kalmeerde haar gezicht; om zichzelf, om haar dochter gerust te stellen, zei ze:

Je kiest je lot niet uit. Als dat kon, zouden mensen elkaar wel te lijf gaan.

En Marijke kreeg ineens medelijden met haar moeder.

Och mam. Het komt goed. Vandaag heb ik nog drie broeken verkocht en twee jassen. We redden het wel.

Zo hoort het ook. Als je zou weten waar je struikelt, zou je er wel matten neerleggen. Zo mompelde haar moeder, maar de ontmoeting raakte haar zichtbaar.

Niet veel later kwam Marijkes zoon thuis. Lang, volwassen, dezelfde serieuze blik als zijn natuurlijke vader. Niemand had vermoed dat die drieduizend gram enorme baby niet van Bas was het leek altijd vanzelfsprekend.

Hij plofte aan tafel.

Mam, je wordt niet boos? Ik heb werk gevonden, bij de manege, paarden verzorgen voor een centje bij. Maak je geen zorgen, school komt er niet door in de knoei, echt!

Marijke zuchtte. Gisteren was ze boos geworden, maar nu

Dat is goed, Arjan. Je bent volwassen. Alle werk is eervol; en wie weet, kun je het geld best gebruiken. Ik vind het prima.

Dankbaar begon hij te eten, stiekem glurend of zijn moeder niet toch boos was. Hij voelde dat er iets veranderd was in haar, al wist hij niet wat. Maar het voelde goed.

Marijke lag die nacht lang wakker. Geen tranen, geen spijt. Ze keek naar de witte chrysanten, dacht aan haar lot, de ontmoeting van die dag; dat ieder zijn eigen weg moest blijven volgen, de volgende hoofdstukken apart.

Eens kwam hij in haar leven, het scheidde haar bestaan in een vóór en een ná. Nu weer, precies zo.

En in hun toekomst lagen vast nog kansen, verrassingen. Ze zouden elkaar niet meer treffen, en toch elkaars levens toch blijven raken.

Alles heeft zijn reden. En deze ontmoeting, zoveel jaren later, had haar iets heel wezenlijks geleerd.

Please rate
Bagattia News
Een Onverwachte Ontmoeting