Ik wil leven, André!

Ik wil leven, Peter!
Dokter De Wit, gaat het wel goed met u?

Verpleegkundige Sofie greep de chirurg bij zijn mouw, maar kon hem niet tegenhouden. Hij leunde vermoeid tegen de muur, liet zijn hoofd diep zakken in de nis en zweeg.

Sofie voelde zelfs een vleugje trots voor het hele zorgteam: wat geven artsen zichzelf weg! Ze werken tot ze erbij neervallen, en toch waardeert nauwelijks iemand dat. De patiënt die net door dokter De Wit geopereerd was, zal het nooit zien.

Dokter De Wit, gaat het? Zal ik iemand roepen…

Niet nodig, hij tilde zijn hoofd op en waggelde naar de artsenkamer. Voor de deur draaide hij zich om naar de bezorgde verpleegkundige. Het gaat wel, Sofie. Geen zorgen.

Peter liet zich verslagen op de leren bank vallen. Was het wel goed? Hij merkte al langer die duizeligheidsaanvallen op. Oververmoeid, waarschijnlijk.

Vroeger had hij wel eens een weekend vrij. Echt weekend, samen met zijn vrouw vrienden opzoeken of met de kinderen wandelen in het Vondelpark.

Maar nu werkt iedere arts voor drie klinieken. Vrije tijd is niet meer dan een luxe. En Peter zat in zijn tweede huwelijk, zijn vrouw jonger, zijn kinderen nog op school, allemaal kosten. En stiekem wilde hij ook zijn auto vervangen.

Maar dat was het niet alleen. Peter wilde vooral nodig zijn, de beste zijn, respect krijgen, artsenoverwinningen boeken… En dat lukte hem al twintig jaar uitstekend. Hij was geliefd bij patiënten, gewaardeerd door collegas, uitgenodigd, beloond, goed betaald.

Kees, belde hij zijn collega-anesthesist Is Petra vandaag op het werk?

He, Peter. Ja, ze is er nu.

Aan het eind van zijn werkdag lag Peter al in Petras MRI-scanner, luisterend naar het nare geluid dat de muziek nauwelijks kon dempen.

Hij voelde plots een vlaag van angst het leek alsof de koker zijn hart samendrukte. Hij probeerde zich af te leiden. Waar vond hij plezierige herinneringen aan? Wat?

Zijn geheugen wandelde ongewild terug. Tweede huwelijk… zich haastend langs operaties, het gezin, zijn jonge vrouw, lerares van zijn dochter uit haar derde klas.

Het lawaai van de MRI probeerde elk goed gevoel te overspoelen. Werk-thuis-werk. Bij zijn eerste huwelijk, met de rotte scheiding, waren de herinneringen nog lelijker. Daar wilde hij niet eens aan denken.

Studententijd dan? Ja! De eerste vier jaar.

En ineens was Peter terug in die tijd, afgeleid van de vervelende geluiden. Bouwprojecten, jongens, Marit uit de kantine waar iedereen achteraan liep…

Peter, Willem en André drie studievrienden geneeskunde. Ze leerden elkaar kennen bij de inschrijving, allemaal nieuw in Groningen, samenwonend op kamers.

André wat verlegen, uit een kleine stad, een brilletje met grote blauwe stille ogen. Gewoon bij hem zijn was al bijzonder. Hij onthield alles, iedere examenvraag kende hij uit zijn hoofd.

Willem zijn tegenpool. Grote boer uit Drenthe, luidruchtig, altijd met iets bezig. Vol energie, maakte snel vrienden, schreef spiekbriefjes en leerde op zijn manier.

Peter was zelf ook zenuwachtig voor de tentamens. Maar uiteindelijk zakte alleen Meindert, de vierde kamergenoot. De drie bleven altijd vrienden.

In het eerste jaar kregen ze nog geen studentenkamer, dus Andrés bemoeizuchtige moeder kwam en vond een flatje voor hen.

God zegene jullie, jongens. Hou het netjes, zei ze toen ze na een paar dagen wegging, vol moederlijke zorgen. Ze liet een vriezer gevuld met eten achter.

Poeh! Je moeder is aardig André. Wat doet ze eigenlijk?

In de kerk, kaarsen verkopen, mompelde André met de mond vol.

Echt? Ben je dan zelf gelovig?

Zeker, ik ben zelf ook gelovig, zei André rustig.

De jongens keken naar de iconen op de vensterbank.

Zijn die van jou?

Ja, mijn moeder liet ze achter. Voor mij, vooral.

Willem, altijd rap van tong:

Gek hoor. Waarom studeer je eigenlijk geneeskunde, als je zo gelooft? Denk je dat God komt helpen?

De arts geneest het lichaam, God de ziel, antwoordde André. En de jongens schudden hun schouders.

Ze spraken daarna weinig over geloof. Wel zagen ze André zich soms snel even stilletjes zegenen. Hij bleef een goede student, loste zelfs ruzies tussen de koppige Peter en de vurige Willem snel en rustig op.

André was anders. Waar Peter en Willem zich druk maakten om het huishouden, pakte André gewoon een doek en begon te boenen.

Is dat dit allemaal een ruzie waard? Even poetsen is makkelijker…

De jongens kalmeerden dan en hielpen mee, uit wat ongemak en schaamte.

En misschien was het God, misschien Andrés karakter de eerste tentamens slaagde hij met vlag en wimpel. Latijn leerde hij alsof hij het altijd sprak. Hij was de lijm van hun vriendschap.

Gek genoeg, hij werd als eerste verliefd. In de studentenraad ontmoette hij zijn toekomst: Annelies, klein, donker haar, pittig maar ontzettend aardig. Vanaf jaar twee liepen ze hand in hand.

En Willem, ondanks zijn boerse gedrag, bleek ineens een fantastisch praktisch student. Tegen de winter werkte hij mee op de ambulance, in ziekenhuizen viel hij al op: betrouwbaar, punctueel.

Peter dacht altijd dat Willem roekeloos bleef, maar in de geneeskunde werd hij juist precies en zorgzaam. Alles boeide hem, hij vroeg door bij het personeel en werd binnen de kortste keren een klassenhulpje in het UMCG, bij de oncologieafdeling.

Peter zelf deed gewoon goed zijn best. Geen uitblinker, wel gemotiveerd, hij wilde vooral een goede arts zijn.

***

De scan was klaar, Peter mocht eruit. Hij haalde diep adem en voelde zich beklemd. Wanneer kwam die angst ineens vandaan?

Petra kwam binnen om de apparatuur van zijn hoofd te halen.

En, Petra? Al bekeken?

Wacht even tot de arts het verslag afmaakt, ik bel je straks. Kom gerust later nog even terug, haar ogen weken uit. Misschien moe?

Ik haal het morgen.

Toch kon Peter zijn afdeling niet verlaten. Petra kwam later persoonlijk het verslag brengen.

Peter, je bent zelf arts, je begrijpt het. Maar wacht niet te lang. Ga naar Van Dijk. Laat hem kijken.

Peter keek vluchtig naar het verslag, schoof de cd-rom in zijn laptop en bladerde mechanisch door de beelden. Was dit echt zijn hoofd? Zijn hersenen met die duidelijke ontstekingshaard?

Het voelde als een MRI van een vreemde. Zelfs toen hij naar huis reed. Dit kon hem gewoon niet overkomen.

***

Dr. Van Dijk was de beste neurochirurg van het AMC.

Ik kan het mooier maken, Peter, maar jij bent zelf ook arts. Waarom zou ik het verbloemen? Je ziet het.

Zie ik. Is het het einde?

Kom op, Van Dijk fronste zijn wenkbrauwen. Vragen als van een paniekerige patiënt. Jij weet ook: veel ligt in de handen van de arts, en… van God.

Ik kan het niet geloven. Ik wilde naar Amsterdam, voor het medisch congres. Ze hadden me uitgenodigd, gezin zou mee. Nu Wat zou jij doen in mijn plaats?

Ik zou… naar Amsterdam, maar niet voor het congres, naar het AMC. Daar werken ze bijna wonderen. Hun cijfers zijn het beste. Maar…

Maar wat?

De hoofdarts opereert zelf niet meer. Daar hebben ze jonge knappe neurospecialisten, getraind op zijn manier. Maar de wachttijd is enorm. Met jouw contacten Het kan misschien.

Peter werkte door, opereerde, schreef diagnoses. Geen pijn, slechts wat zwakte en duizeligheid, maar hij vond daar wel een medisch trucje voor.

Hij probeerde via via een ingang bij het AMC, zoals Van Dijk zei. Maar het bleek haast onmogelijk.

Hij besloot zijn vrouw eindelijk in te lichten.

Sanne, ik moet alleen naar Amsterdam.

Wat bedoel je? Ze legde haar blouse weg en keek hem gekwetst aan. En de kinderen dan?

Ik ga niet naar een congres, maar voor een opname. Ik heb een hersentumor, Peter zei het langzaam en verbaasd zichzelf, alsof uitspreken gelijk stond aan accepteren.

Sanne keek hem aan, haar ogen vulden zich met tranen.

Mijn God, Peter… Hoe is dit mogelijk? Ik ga met je mee.

Nee, operatie is nog niet meteen. Misschien moet ik wachten, wekenlang. Ik moet daar gewoon zijn, als er een plek vrijkomt… Of misschien gebeurt dat helemaal niet.

Is het zo erg, Peter? Ze ging naast hem zitten. Vertel…

En zoals een kind begon Peter, snuffend en onhandig, alles te vertellen: vermoedens, onderzoeken, uitslagen, zijn gedachten, zijn leven, zijn hoop…

Sanne luisterde, haar blouse onbewogen op haar schoot, haar voorhoofd diep gefronst. Peter was ineens dankbaar dat hij had iemand om tegen te praten. Hij geloofde dat zulke oprechte gesprekken met zijn eerste vrouw nooit mogelijk waren geweest.

***

“Jehovahs Getuigen wijzen bloedtransfusie af op Bijbelse gronden: Gij zult het bloed niet eten…”

Vierdejaars, een college ethiek.

“Geestelijke leiders zijn fel tegen orgaan- en weefseltransplantatie. De kerk protesteert tegen alles wat onnatuurlijk is: draagmoederschap, donorschap Ze verzinnen hun eigen regels. Het geloof in bovennatuurlijke kracht en de geneeskunde zijn onverenigbaar.”

Oneens, klonk het zacht uit de collegezaal.

Wat? Wie zegt dat?

Ik, André stond op. Kerk en geneeskunde doen samen hetzelfde: mensen helpen menswaardig te leven.

Durf je te discussiëren?

Geen discussie. Het is gewoon zo. En hij ging weer zitten.

Kom maar voor de klas dan, zei de docent grijnzend.

André beantwoordde de vragen kalm en waardig.

“De kerk denkt na over de ziel. Als een echtpaar geen kinderen kan krijgen en geen medische oplossing werkt, moeten ze hun lot aanvaarden. Dat is misschien hun opdracht. Adoptie kan dan een antwoord zijn. Kunstmatige bevruchting met eigen zaad keurt de kerk niet per se af, maar met dat van een ander wel: het verstoort de relatie en verantwoordelijkheid.”

Waarom is draagmoederschap dan niet goed? Het zijn de eigen cellen!

Omdat je ook aan de draagmoeder moet denken. En aan het kind. Het verstoort…

Wat een onzin! De docent werd luid.

André bleef beleefd, haalde bijbelcitaten aan. Hij verdedigde zijn geloof en daarmee zijn moeder, zijn kleine bakstenen kerkje waar zijn oma hem als kind naartoe nam, alle gelovigen, zijn eigen hart.

Zijn zekerheden maakten de docent boos. Na een lange discussie wist iedereen: de student had gewonnen. Maar vanaf dat moment ging het moeilijker. André werd bij de rector geroepen, keerde mat en verdrietig terug, vertelde er weinig over.

Op het begin van het vijfde jaar kwam André gewoon niet meer terug. Ze kregen een brief. Zijn pad was een ander, hij nam afscheid, bedankte voor de vriendschap.

Peter en Willem waren verbijsterd. De beste, getalenteerd! Had bijna zijn diploma… Hoe?

Ze vonden Annelies, maar van haar kregen ze niets uit. Dus reden ze in het weekend naar Andrés ouderlijk huis. Zijn moeder ontving hen warm. André was naar het seminarium gegaan, vertelde ze opgelucht.

Ze gingen terug met pakken koekjes en broodjes van zijn moeder, maar zonder zijn besluit te begrijpen.

Waarom André, waarom! mopperde Willem.

Zie je, we zeggen nu zelf Mijn God. Misschien… Ach, hij is gewoon koppig, onze André.

***

Kaarsje branden? Nee, Wim, ik ga naar mijn vriend. Heb al verlof.

Ze zaten in de artsenkamer te praten. Over drie dagen zou Peter naar Amsterdam. Treinkaartje al gekocht. Met de auto durfde hij niet, die duizelingen, zelfs naar werk rijden was oppassen geblazen.

Welke vriend?

Studievriend. Ik heb hem in twintig jaar niet gezien. Sinds hij naar het seminarium ging, nu is hij predikant. Hier niet ver vandaan. Ik ga morgen rijden.

Ik zou het risico niet nemen.

Toch ga ik…

Het kleine provinciestadje stond bekend om zijn kerken en wandelroutes, maar het was vooral saai en cliché.

Peter liep richting de St. Joriskerk. Raar genoeg, hij had onderweg geen last van duizeligheid gehad. Misschien is de weg naar God ook de weg naar genezing,” grinnikte hij bij zichzelf.

Witte muren, torens, daken. Alles netjes onderhouden. Parkeerplaats, rozentuinen, gouden kruizen die blonken in de zon.

Hij moest wachten, André was in de kerk, dienst gaande. Wat dat precies inhield, durfde hij niet vragen. Dan maar door het park.

Achter de kerk bleek een klein kerkhof, verderop een rivier, een put omringd door mensen. Zagen die vrouwen daar zich drie keer naar boven en beneden trekken? Wat deden die?

Gaat u niet voor wijwater, meneer?

Wijwater? Uhm, ik…

Daar staan flessen. U moet drie keer afdalen en weer omhoog klimmen.

Waarom?

U weet zelf waarom u hier bent, lachte ze vriendelijk.

Peter wilde zeggen dat hij voor zijn vriend, de predikant, kwam, maar hield het voor zich.

Hij pakte een fles, liep naar de put, drie keer op en neer, best zwaar, maar het lukte. Hij dronk het koude, zoete water. Zijn hart werd lichter. Misschien had het toch zin dat hij hierheen was gekomen.

Hij keerde terug. De kerk stroomde leeg. En daar stond de predikant. Zwarte toga, volle baard, warme stem. Dat was André niet, dacht Peter. Tot hun blikken kruisten diepblauw, herkenning.

Peter liep naar hem toe.

Dag André.

Een vrouw siste: “Meneer, Zeg: Zegen, Dominee!”

Maar André lachte.

Peter! Wat geweldig.

Ze omhelsden elkaar. De kerkgangers verspreidden zich.

Wat een feest vandaag. Annelies wordt blij verrast.

Annelies? Jullie zijn nog samen?

Jazeker, mijn vrouw. Ze is kinderarts hier. Vijf kinderen hebben we al. De jongste is tien.

Geen wonder, ik heb er drie. Mijn dochter uit mijn eerste huwelijk, en in het tweede nog twee.

We wonen hier graag. Ze wilden ons op andere plekken, maar dit is mooi en er is genoeg te doen in de parochie.

Je bent groter geworden.

Ja, na mijn twintigste bleef ik nog groeien.

En je ogen?

Geopereerd. Kan er mee leven, lenzen als dat nodig is.

Peter grijnsde.

Dus het protestantisme wijst geneeskunde niet af?

Ze lachten samen. Herinneringen en lol genoeg volgden. André werd geroepen door een jonge vrouw, moest weer aan de slag.

Wacht, ik stuur je straks een chauffeur, die brengt je bij ons thuis. Annelies is er, dan praten we verder.

Ik blijf niet lang. Jij bepaalt…

Peter volgde de zwarte Volvo naar het huis van André. Een ruime woning, tuin vol bloemen, alles netjes, een kleine kapel.

Annelies ontving hem bij de voordeur, dikke knuffel. Hij voelde zich gewoon weer thuiskomen. Binnen overal bloemen, een Mariabeeld, kaarsen bij de iconen, verder modern, tv, laptops.

Ze at samen, Peter vertelde wat over zijn leven, maar het ging niet over zijn ziekte. Na de lunch dommelde hij even weg in de tuin.

Helemaal niet erg om een dag langer te blijven, dacht hij.

***

Ken je het verhaal nog?

Natuurlijk. Willem en ik schreven eerst vaak, belden ook, daarna verwaterde het. Mijn telefoon is lang kwijt, mijn zoon zocht hem online, maar… Gods wegen.

Neem je me iets kwalijk?

Dat is aan God. Wat is er echt aan de hand, Peter? Zeg het gewoon.

Kwaadaardige hersentumor…

André zuchtte.

Morgen ben je bij de dienst, doe dan mee met de ziekenzalving. Dan zien we verder.

Je praat alsof je me begraaft.

Nee hoor. Alles ligt bij jezelf. Ik help je als pastor, maar je moet zelf de weg vinden.

Ik wil je het verhaal vertellen, van destijds…, begon Peter.

Morgen, bij de biecht.

Die nacht veranderde het verhaal van hoe Peter Willems grote liefde inpikte in een biecht, niet in een verontschuldiging.

Ja… Hechte vrienden werden ijskoude vreemden in één dag.

***

De dienst was voorbij, weinig kerkgangers.

André sprak een gebed uit, Peter boog het hoofd, de priester fluisterde:

Christus staat onzichtbaar bij je, Peter. Spreek je uit.

Peter begon.

Ik was jaloers op Willem, altijd en overal. Hij werd op handen gedragen, in college, op het werk, in huis. Iedereen riep altijd zijn naam, en toen kwam daar Eva.

Toen Willem al volop zijn praktijkervaring opdeed, werd een hoge ambtenaar uit Rotterdam na een hartprobleem opgenomen in hun ziekenhuis. Zijn dochter, Eva, was erbij en bleef in de buurt. Willem en Eva kregen een relatie, jaren heen en weer tussen Groningen en Rotterdam. Mooie kansen voor Willem.

Snap je, Peter keek naar zijn vriend, toen naar de grond. Hoe komt het toch dat hij altijd geluk heeft? Uit jaloezie vertelde ik Eva dat Willem vreemdging gelogen. Sorry…

Op het bruiloftsfeest van onze vriend gebeurde het. Willem kwam binnen met Eva, en ik…, Peter drukte zijn woorden weg.

Willem zag ons zoenen op het balkon en liep diezelfde nacht uit onze kamer. Eva en ik gingen samenwonen, Willem en ik spraken nooit meer.

Maar kijk, het leven straft. Eva bleek al snel een controlfreak. Ik werkte in Rotterdam, haar moeder was dominant, na de dood van haar vader werd het alleen maar erger. Vier jaar later was het over. Ook scheiding van mijn eerste vrouw, en andere fouten.

Ben ik meer zondig dan anderen? Heb als arts fouten gemaakt waardoor iemand stierf. Ben vreemdgegaan, nog voor mijn eerste vrouw. En soms liet ik iemand ontslaan, als een verpleegkundige te onafhankelijk was…

Bij Sanne vond ik rust, eenvoudige vrouw. Maar zelfs haar bedroog ik. Twee keer, schaam ik me voor.

Hij zweeg. Wat moest hij nog zeggen?

Kun je mij mijn zonden vergeven, André?

God vergeeft, niet ik. Het enige dat telt is je spijt.

Peter knikte, barstte in tranen uit, knielde.

Zeg tegen God dat ik echt spijt heb, André. Ik wil leven, van Sanne houden, mijn kinderen zien opgroeien, mijn zoon naar de universiteit brengen. Ik wil werken, desnoods als simpel arts. Dit is genoeg. Bid voor me.

De Heer zij met u, Peter, zuchtte André.

Je moet Willem opzoeken, hem om vergeving vragen, fluisterde André.

Hoe dan? Ik vertrek overmorgen naar Amsterdam.

Hij werkt in Gronings UMCG, bij de oncologie.

Je wil dat ik daar naartoe?

Waarom niet? Hij ontwikkelt moderne neurochirurgie en reist voor wetenschappen naar Amsterdam. Ga gewoon praten.

Wie weet. Eerst maar Amsterdam…

En die verpleegkundige. Deed je haar onrecht, zoek haar op…

Dat kan ik doen.

Peter keek André aan.

Bid voor mij, alstublieft.

Voordat Peter vertrok, klom hij tot vijftien keer naar boven bij de rivier, dronk van het water, steeds weer.

Gelovigen keken toe, sommige maakten het kruisteken en wensten hem zegen.

In het leven komt het soms aan op oprechte spijt, eerlijkheid en nieuwe hoop. Misschien vindt je je genezing pas als je de moed vindt om het verleden onder ogen te zien en wat recht te zetten bij anderen, bij jezelf, bij God.

Please rate
Bagattia News
Ik wil leven, André!