Pleegkind

Dagboekfragment Lena van Dijk

Wie is er thuis? riep ik bij binnenkomst, terwijl ik mijn sandalen aftrapte en opgelucht hummend op adem kwam.

Mooie sandalen, dat wel, maar wat een martelwerktuigen op een warme zomerdag! Die dunne bandjes snijden in je huid, ze zijn echt allesbehalve comfortabel.

Terwijl ik ze voorzichtig oppakte om ze op te bergen op het schoenenrek in de hal, verstijfde ik. Vanuit het hoekje bij de deur tuurden twee alerte, groene ogen naar me.

Wie ben jij? fluisterde ik, terwijl de spanning in de gang bijna tastbaar werd.

De eigenaar van die betoverend heldere blik leek niet van plan te antwoorden. Hij kroop juist nóg verder in zijn hoekje, liep door zijn achterpootjes naar beneden en siste gemeen.

Duidelijk

Voorzichtig zette ik mijn sandalen op de grond en deed een stap achteruit. Geen reden om de ongenode gast op de vlucht te jagen.

Ik zal je niet aanraken, hoor. Ontspan je maar. Ik ga zo uitzoeken waar jij vandaan komt als jij het goedvindt, tenminste. Wat een verrassing…

Als antwoord kwam er een waarschuwend, laag gegrom, waarna ik toch moest lachen om zijn stoere optreden.

Rustig maar, dappere schat! Dit is mijn huis, hoor. Hier word je niet lastiggevallen. Dat doen we nooit.

Alsof hij begreep wat ik zei, werd hij inderdaad kalmer. Zijn voorpootjes raakten de vloer en hoewel hij me nog steeds kritisch bekeek, stopte het sissen en grommen.

Ik liep door de gang en wierp een blik in de woonkamer en keuken: tot mijn grote verbazing was het er brandschoon en muisstil. Meestal was het rond deze tijd een vrolijke bende, waardoor ik altijd moest opletten dat ik niet op een legoblokje stapte of me aan uitgeharde kinderverf vastplakte.

Ook de deur naar de kinderkamer stond open, maar daar was het al net zo ongewoon rustig. Toch, alle drie mijn kinderen bleken gewoon aanwezig. Ze zaten geboeid op de vloer over een vel papier gebogen te tekenen.

Oh zeker, heel gezellig! Maar… waarom komt er niemand me begroeten? lachte ik terwijl ik naar twee rossige en een donkere kruin keek.

Reactie? Een unisono ‘oh!’ gevolgd door een regen van stiften door de kamer, terwijl Varja zich breed uitstrekte over haar tekening.

Mama! Niet kijken!
Ik lachte, zette mijn handen op mijn gezicht. Oké, ik kijk niet. Maar kunnen jullie me dan wel uitleggen wat voor monster er in de gang zit te sissen naar me?

Olivier, de eigenaar van de donkere kruin, wierp zijn jongere zusjes een veelzeggende blik toe en stond op.

Sorry mam… We wilden je voorbereiden, maar we waren te laat. Ik heb hem meegenomen.

Aha. En waarom is hij zo schuw?

Zijn pootje is gewond. Ik heb hem gered van de honden bij het speeltuintje hierachter.

Ik was direct bezorgd.

Hebben ze jou niets gedaan? Waar is hij gewond?
Mam, echt, ik mankeer niets. Die honden van mevrouw Kramer, je weet wel niet-zwerfhonden dus. Die arme kat werd de hele tuin rondgejaagd.

Iedereen in onze straat in Utrecht kent de viervoeters van mevrouw Kramer vier blaffende, hupsende knuffelballen met een meer dan stevige mening en minstens even pittige baas. Haar honden zijn altijd los, want sinds haar heupen stuk zijn, krijgt ze het niet meer voor elkaar om ze aan de lijn te houden. Maar wegdoen? Geen sprake van!

Alle moeders in onze portiek weten inmiddels dat je kinderen beter niet voor tien uur naar de speeltuin kunt laten gaan. Eén felle blaf is genoeg voor paniek bij de kleinsten, al stopt die storm zodra mevrouw Kramer met haar scootmobiel het terrein oprijdt. Haar honden zijn niet vals, alleen… hun geluid heeft impact.

Mevrouw Kramer boezemt ook respect in. Woordkunstenares pur sang: boetes voor haar honden betaalt ze lachend, waarbij ze ons moeders fijntjes terechtwijst omdat we onze kinderen niet bijhouden. ‘Wat een moeder ben jij? Je moet genieten van je kinderen, niet uitrusten van ze!’ Toch begrijp ik haar, wetende wat zij allemaal heeft moeten doorstaan.

Binnen haar perfect gestreken witte bloes en keurige broek zagen de buren haar man jarenlang vooral als een ideale echtgenoot; behulpzaam, altijd vriendelijk, altijd complimenteus en volgens haar zoon zelfs een prima vader. Maar achter hun voordeur veranderde alles. Van haar werd absolute stilte geëist. Nog één gil en jij en je zoon zijn de klos! had hij haar eens toegebeten met de glimlach waarmee hij ook buurvrouwen gedag zei.

Ze hield haar mond. Haar oude zoon uit een vorig huwelijk was alles voor haar. Na het verlies van haar eerste man, vond ze een nieuwe echtgenoot, die zijn rol als stiefvader perfect wist uit te spelen. Haar zoon had geen idee van het lijden van zijn moeder.

Tot hij op een dag te vroeg thuis kwam en zijn moeders pijnlijke kreun hoorde vanaf de keuken. Daarna ging het snel, en ondanks uitvoerig onderzoek bleef veel onduidelijk. Haar zoon werd uit huis gehaald. Mevrouw Kramer kwam in het Huis van Bewaring terecht en mocht, na haar vrijlating, haar zoon weer ophalen. Ze ruilde haar flat voor eenzelfde aan de overkant, en begon een nieuw leven alleen met haar zoon en een straathondje, Isabeau, die ze op straat vond. Die werd haar schaduw, later volgde er een hele roedel waakhondjes allemaal straatadopties.

Haar zoon haalde zijn diploma, verhuisde naar Friesland en bouwde daar een nieuw leven op. Hij bleef aandringen dat zijn moeder kwam inwonen bij hem, zijn vrouw en hun kinderen, maar zij hield voet bij stuk: liever bleef ze zelfstandig.

Zij werd een daadkrachtige buurvrouw, altijd hun roedeltje honden wandelend in onze wijk. Mijn kinderen zijn nooit door haar honden gebeten; één keer in de week bracht ik haar een tasje vleesbotten en dronken we een beleefd kopje thee.

Van alle buren was zij de enige die wist dat Olivier niet mijn biologische zoon is. Het verhaal van zijn komst heb ik haar in vertrouwen verteld waarom, weet ik niet eens.

Na vijf jaar vruchteloos wensen en onderzoeken kwam er geen zwangerschap. ‘Het zit soms gewoon tegen’, zeiden artsen.

Maar toen raakte mijn nicht, Sophie, ongepland zwanger van haar vriend die haar verliet. Ze raakte depressief, wilde het kind niet; haar moeder kon de zorg zelf niet dragen. Op zeker moment zei Sophie: ‘Ik geef dit kind weg bij de geboorte!’

Maar bij de bevalling liep het mis; Sophie stierf. Kleine Olivier bleef moederziel alleen achter.

Ik hoefde niet te overleggen. ‘Zij heeft mij als kind altijd verzorgd, ik laat haar zoon niet in de steek.’ Mijn man Daan, mijn stille anker, dacht er niet anders over.

Ik ben nooit tenger geweest, waardoor mijn kortstondige afwezigheid niemand alarmerend vond. Met een officieel papier kwam ik terug: wij hadden opeens een kind!

Alleen mevrouw Kramer lichtte ik in. Zij zei slechts: ‘Dat had ik al verwacht. Houd dit tussen ons. Voor dat kind ben jij de enige moeder, dat is het belangrijkst.’

Het is een wijsheid die ik nooit vergeten ben.

Olivier groeide op tot een aardig kind, later kregen wij onze Vinn en Varja. Mevrouw Kramer keek goedkeurend toe als mijn koters over het gras tuimelden of uitdeelden aan haar hondenroedel.

Toch, toen Olivier ouder werd, kreeg hij het steeds moeilijker. Op school werd hij feller, agressiever, behalve tegenover zijn broer en zus. Ik maakte me zorgen: wat was hier aan de hand? De psycholoog bagatelliseerde: ‘Gaat vanzelf over.’

Dat vond ik niet voldoende, dus klopte ik bij mevrouw Kramer aan.

Zij schonk me thee en luisterde alleen maar, voordat ze haar advies gaf: ‘Probeer niet uitgesproken aan te nemen wat anderen zeggen, luister eerst naar je zoon. Vraag hem naar zijn kant van het verhaal, neem de tijd en oordeel niet te snel. Hij moet weten dat je aan zijn kant staat.’

Na die avond op haar bank, kroop ik bij Olivier op de grond en vroeg: Wie heeft je pijn gedaan? Dat raakte hem. Hij barstte los: iedereen op school noemt mij “gewoon geadopteerd!” Ze zeggen dat alleen Vinn en Varja jouw echte kinderen zijn, dat ik anders ben!

Wat een onzin! Ik liet oude fotoalbums zien, wees hem op onze familie: ‘Kijk, jouw overgrootvader had ook donker haar en blauwe ogen, net als jij!’ Hij vroeg: Waarom zijn Vinn en Varja dan rossig? Zij lijken op oma, zei ik, zonder twijfel. Maar jij bent nét zo van ons daar hoef je nooit aan te twijfelen.

Hij zuchtte opgelucht. Dat was wat hij nodig had; de rest hield ik nog even stil. De tijd zal leren wanneer het verhaal compleet moet zijn.

De volgende dag, toen mevrouw Kramer hem op de binnenplaats zag, glimlachte ze trots: Goed opgevoed, die van Dijk van jullie.

Er kwamen meer dagen waarop ik haar om raad vroeg, en altijd kreeg ik antwoord.

Tot die keer dat haar deur gesloten bleef, haar honden aan het huilen, niemand die open deed. Pas na flink wat bellen vond ik haar in het ziekenhuis. Ze had niemand willen storen, zelfs haar zoon niet.

Ik regelde zorgvuldig de sleutels, verzorgde samen met Olivier haar dieren hij bleek een geboren roedelleider. Gelukkig mocht mevrouw Kramer snel weer naar huis.

Door al die honden is het nu niet gek dat Olivier zelfs de kat, die hij uit handen van de honden redde en gewond naar huis bracht, zonder moeite temde. De kat, magere, mishandelde kater maar raszuiver, eentje met Engelse roots misschien had duidelijk tijd nodig. Varja en Vinn spraken hem geruststellend toe (We heten je welkom!) en beraamden hoe we deze nieuwe huisgenoot aan mama moesten verkopen.

Mijn portret met het monsterlijke beest op schoot deed ze zelfs natekenen. De kat was op haar tekening zowat twee keer zo groot als ik.

Dus… denken jullie dat ik nu ja zeg? riep ik lachend. We hebben nooit een kat gehad, ik heb geen idee wat die beesten nodig hebben!

Stuur gewoon je vraag door naar mevrouw Kramer, ze weet altijd raad, gierde Vinn.

Op dat moment ging de bel obviously timing van het lot. Daar stond mevrouw Kramer zelf, klaar om de poot van de kat medisch te behandelen.

Mam, mogen we hem houden? vroegen de kinderen op fluistertoon, als om het lot te bezweren.

Ik glimlachte breed. Als niemand zich meldt als eigenaar, dan blijft hij, ja. Iemand moet toch van hem houden?

En dus blijft onze kater. Af en toe zucht ik zacht als ik weer bij de dierenarts afreken, maar ik weet: dit is een kleine prijs voor de fonkelende kinderogen en de warme, steeds meer vertrouwde kattenflanken tegen me aan.

Olivier doet soms jaloers als de kat zich bij mij nestelt, maar ik lach: Hij weet wie hier de baas is!

‘s Avonds, als het huis stil is en iedereen slaapt, voel ik hoe een grijze schim rond mijn benen glijdt voordat hij in Oliviers kamer verdwijnt. En ik weet zeker: uit de half duistere kamer klinkt binnenkort een zucht van tevredenheid: mama is hier, wij horen bij elkaar.

Soms is het leven ingewikkeld, maar vaak ligt het geluk in de kleine, warme rust van elke dag. Wij zullen klaarstaan voor mevrouw Kramer en haar roedel, zolang het nodig is en als ze ooit beslist naar haar zoon en zijn grote huis in Friesland te gaan, zwaaien wij haar uit en blijven we onze zorg voor haar ‘hondenfamilie’ volhouden.

Want zij is een goed mens. En ik ben blij dat ik haar ken. Aan het eind van deze dag weet ik steeds weer: waar mensen elkaar helpen, wordt het vanzelf wat lichter. Morgen is er een nieuwe dag. Nieuwe zorgen misschien, maar gelukkig ook altijd weer nieuwe kansen op geluk.

Please rate
Bagattia News
Pleegkind