Ik was een jaar of vijf of zes, nog vóór de basisschool, begin jaren negentig, toen er twee pensionado’s uit de stad bij ons in het dorp kwamen wonen – oma Vera en oom Lex

Ik was een jaar of vijf, misschien zes, nog niet op school, aan het begin van de jaren negentig, toen er tegenover ons twee gepensioneerden uit Amsterdam in het dorp kwamen wonen oma Geertje en meneer Kees. Ze kochten een huisje schuin tegenover ons laag, met maar twee ramen aan de voorkant, maar met een enorme moestuin, waar ze vanwege hun leeftijd niet zoveel meer mee deden. Elke dag maakten ze een wandelingetje soms naar het bos, soms naar het kanaal, en zo nu en dan naar het stadje om boodschappen te halen. Ze leefden rustig en lieten zich nauwelijks zien. Over de vloer kwamen ze eigenlijk nooit, behalve twee keer per week wanneer ze melk bij ons haalden. Wij hadden toen een flinke boerderij, maar leefden desondanks sober, dus oma Geertje schoof me vaak in het geniep iets toe een stukje chocola, een schriftje, of zelfs een kleine fooi in guldens. Kinderen hadden ze nooit gekregen.

Misschien woonden ze drie jaar in het dorp toen er op een late winteravond zachtjes op ons raam werd geklopt, vlak nadat we de televisie hadden uitgezet en naar bed waren gegaan. Daar stond oma Geertje, en met een stille stem vertelde ze dat Kees was overleden.

We hielpen haar zoveel we konden met de begrafenis.

Het verlies van haar man viel haar zwaar, ze werd ziek en kwam nauwelijks het huis uit. We gingen haar iedere dag even opzoeken, en dan vertelde ze altijd weer over haar leven met meneer Kees, hoe ze samen 52 jaar hun leven deelden, vele jaren zwaar werk deden in een Amsterdamse fabriek, en hoe ze na hun pensioen hun flatje aan een nichtje schonken en naar het platteland vertrokken om van de natuur te genieten.

Het werd lente. Oma Geertje begon langzaam te wennen aan het alleen zijn en knapte weer wat op. Op een dag riep ze me bij zich in huis en toonde me een kartonnen doosje met een grijs puppytje erin. Honden waren nooit zo mijn ding, maar bij het zien van dat kleintje ging er iets in mijn hart open.

Nu, jaren later, weet ik nog hoe ik op de vloer zat, het puppytje met één vinger aaide, en hoe oma Geertje glimlachend zat te kijken. Voor het eerst in tijden verscheen er een blije, tandeloze lach op haar gezicht.

Weet je, we hadden met Kees nooit katten of honden. En kinderen zijn er ook nooit gekomen. Het is maar eenzaam alleen. Dit grijsje vond ik vandaag bij de supermarkt in ons stadje, achter de containers. Je kunt zon beestje toch niet laten liggen, kijk nou wat een schatje.

Ik durfde bijna niet te ademen.

Wat eet-ie eigenlijk? Heeft-ie honger? prevelde ik.

Ik heb melk voor hem opgewarmd, maar hij kan nog niet uit een bakje drinken. Met een speentje zou het lukken, maar die heb ik niet. Morgen haal ik er één, fluisterde oma Geertje.

Ik holde naar huis, plukte razendsnel het speentje uit de mond van mijn slapende babyzusje, en holde terug.

Het beestje was nog maar een paar dagen oud. Ik voerde hem warme melk via het speentje, doodsbang dat hij het niet zou overleven.

Meer dan een week konden we met oma Geertje maar niet op een naam komen. Zij wilde hem voor de grap Bas noemen, vanwege zijn ondeugende oren, maar ik stond erop hem Stille, Stilleke of Stijn te noemen, omdat hij altijd zo rustig was, bijna niet piepte, en wij altijd muisstil bogen over zijn doos. En zo werd Stijn de naam van onze gevonden pup.

We verzorgden Stijn samen, nog tot ver na het voorjaar melk op temperatuur brengen, voorzichtig voeren. Zodra het warm genoeg was ging hij voor het eerst buiten de doos op het gras. Omdat Stijn als pasgeborene was achtergelaten, miste hij alles van zijn moeder, en bleef hij een zwakkere en vaak zieke hond. Toch deden we wat we konden. Na school rende ik altijd direct naar oma Geertje om te kijken hoe het met Stijn ging, maakte vervolgens mijn huiswerk en hielp mijn moeder, om daarna de hele avond bij hun thuis met Stijn te spelen. Terwijl ik met het hondje speelde als met een kat, zat oma Geertje te genieten op haar bank. Ze keek en glimlachte.

Na de zomer bleek Stijn een kleine kruising te zijn; hij groeide tot hooguit dertig centimeter. In de vroege ochtend liep ik met hem naar de rivier om te vissen, of bracht ik de koeien naar het weiland, en was ik bezig dan bleef Stijn binnen bij oma Geertje. Sinds Stijn er was, bloeide oma Geertje op. Haar gezondheid knapte op, ze was zorgzaam als nooit tevoren kookte speciaal voor haar hondje, borstelde hem elke dag, en las stapels boeken over honden.

Een jaar ging voorbij, toen twee, drie, vijf. Al die tijd woonde Stijn bij oma Geertje. Maar elke ochtend kwam hij trouw bij onze voordeur zitten, wachtte tot ik naar school vertrok en vergezelde me de drie kilometer te voet. s Middags stond hij weer klaar bij het hek van de school en gingen we samen naar huis. Regen, wind of kou, Stijn liet me niet alleen. Zo verstreken negen jaar.

Na de basisschool moest ik kiezen: of naar de stad Hilversum voor de techniekschool, of nog twee jaar naar het lyceum in het dorp verderop en daar op kamers. Na overleg besloten we dat ik naar de stad zou gaan.

De ochtend van mijn vertrek zat ik lang op de stoep bij oma Geertje, met Stijn op schoot en tranen in mijn ogen.

Neem hem gewoon mee, als je niet afscheid durft te nemen, snikte ook oma Geertje.

Maar waar moet ik met hem heen? Stijn hoort bij u. U moet goed voor uzelf zorgen. Mama komt elke dag bij u, en ik bel zo vaak ik kan.

Toen de pont afvoer uit het dorp, stond ik op het dek huilend naar de kade te kijken. Stijn, met zijn tong uit zn bek, rende op het eind van de steiger en bleef me aankijken, niet begrijpend waarom ik hem achterliet.

Het leven op de techniekschool slokte me helemaal op. Meestal studeerde ik landbouwvakken en economie, maakte nauwelijks vrienden, alleen Marco uit mijn klas kwam ik soms tegen. Aan het eind van het jaar, net voor kerst, belde mama: oma Geertje was al een week doodziek, kwam haar bed niet meer uit en Stijn weigerde haar nog maar één seconde uit het oog te verliezen, hij lag dag en nacht op haar stoel, zijn voerbak erbij.

Ik ging meteen naar huis. Thuis aangekomen trof ik Stijn aan, waker aan het ziekbed, met zijn trieste ogen op oma Geertje gericht, zacht piepend. Oma Geertje probeerde hem nog te aaien en over zijn neusje te strijken, beiden waren ze vel over been. Het raakte me diep: een zusje zonder kinderen, haar enige liefde in leven haar hond.

Toen ik na de kerstdagen terug moest naar Hilversum, wist ik dat ik haar niet meer terug zou zien. Stijn volgde me bij het afscheid slechts tot het tuinhek, bij haar vandaan kon hij zich niet meer permitteren.

In februari overleed oma Geertje.

Waarom zou een jongen van zestien treuren om een oude vrouw en haar hondje? zou men kunnen vragen. Maar niet iedereen begrijpt de pijn wanneer iemand het enige familielid verliest, en enkel de onvoorwaardelijke trouw van een dier overhoudt. Een trouwe hond die je kan overleven maar het verlies zwaar zal delen.

Pas na mijn eindexamen kon ik weer naar huis, tegen het eind van mei. Waar Stijn was gebleven, wist niemand. Tijdens de begrafenis was hij nog rondom het graf blijven dralen, probeerde zelfs erin te springen, maar werd weggejaagd. Mijn vader bouwde speciaal een warme hondenmand voor hem, maar Stijn wilde niet bij ons wonen en bleef bij oma Geertjes huis. Totdat hij verdween, vlak voor mijn terugkomst.

De halve zomer zocht ik het hele gebied af naar Stijn, vroeg overal, liet iedereen zijn foto zien. In het stadje, in de dorpen nergens lag een spoor van hem. Mijn gedachte was: na het begraven van oma Geertje bleef hij eerst bij het huis in de hoop haar terug te zien, maar toen ze niet kwam, is hij haar zoeken gegaan. En zoekt hij haar nu nog steeds.

In augustus gingen we met de hele familie naar het kerkhof in het Geertruidswoud, vijftig kilometer verderop. Het was niet iets waar je snel aan zou denken om een hond te zoeken, zo ver van huis. Maar toen we net uit de auto stapten bij de kerk, zag ik plotseling Stijn, hij kwam op een drafje, zijn oren naar achter, tong uit de bek.

Ik viel op mijn knieën en begon te huilen.

Stijn, Stijntje, lieve jongen, ik heb je de hele zomer gezocht maar hier ben je dus!

Op de grond liet ik me natlikken door Stijn, die duidelijk ook zijn emoties niet de baas kon.

Hij was mager, vuil en uitgeput. Ik haalde ineens alle broodjes, gehaktballen en appeltaart uit de picknickmand hij at alles razendsnel op, zijn ogen geen moment van mij afgwend.

Is dat jullie hond? vroeg een vrouw die net de kerk uit kwam.

Ja hoor, dat is onze Stijn, zei mama, haar ogen ook nat.

Ik werk hier in de kerk. Sinds het voorjaar zie ik hem vaak, altijd bij dat ene graf. Hij heeft het hele graf overhoop gegraven. Ik heb het zand steeds weer dichtgegooid, maar hij groef alles weer open, zo dat het kruis bijna omviel.

Het was meteen duidelijk het graf van oma Geertje en meneer Kees.

We bezochten alle graven van onze familie, Stijn week geen moment van mijn zij. Ging ik hurken bij het graf, dan kroop hij tegen me aan en likte mijn gezicht, terwijl zijn ogen heen en weer schoten tussen mij en het graf.

Misschien moet je hem laten kiezen of hij mee naar huis wil, zei papa zacht, terwijl hij naast me kwam zitten. Hij heeft hier misschien iets te verwerken.

Maar het wordt bijna herfst, daarna winter. Hij overleeft het hier niet, hij is oud nu, bijna tien. Toch als hij hier wil blijven, kan ik hem niet tegenhouden.

Toen we vertrokken twijfelde Stijn, bleef bij het graf, rende dan weer naar ons, en pas toen we al in de auto zaten, nam hij een besluit: hij sprong resoluut op mijn schoot.

Stijn, lieverd, ik laat je nooit meer alleen, fluisterde ik snikkend.

Tijdens zijn korte leven had Stijn ons geleerd wat de kracht is van echte trouw sterker dan afstand, tijd en zelfs de dood. Soms vind je familie niet in mensen, maar in het eenvoudige, oprechte hart van een dier, dat niets anders wil dan dicht bij jou zijn. Dat is misschien wel het mooiste dat een mens kan overkomen.

Please rate
Bagattia News
Ik was een jaar of vijf of zes, nog vóór de basisschool, begin jaren negentig, toen er twee pensionado’s uit de stad bij ons in het dorp kwamen wonen – oma Vera en oom Lex