Ik was een jaar of vijf of zes, nog voordat ik naar de basisschool ging, begin jaren negentig, toen er bij ons in het dorp twee gepensioneerden uit de stad kwamen wonen – oma Vera en oom Lex

Ik was een jaar of vijf, misschien zes, nog voordat ik überhaupt de basisschool had gezien, begin jaren negentig. In die tijd kwamen er ineens twee gepensioneerden uit de stad bij ons wonen in het dorp: oma Truus en oom Jan. Ze kochten een huis recht tegenover het onze zon typisch Brabants keuterwoninkje, laag, met twee ramen aan de voorkant, maar met een enorme moestuin erachter. Alleen hadden ze daar vanwege hun leeftijd de handen niet meer voor, dus die bleef braak liggen. Elke dag wandelden ze samen soms naar het bosje, soms langs het riviertje, heel af en toe pakten ze de bus naar de supermarkt in de stad. Ze waren ongelofelijk rustig en vielen nauwelijks op. Op visite kwamen ze niet, op één ding na: twee keer per week stonden ze aan onze deur voor melk. Wij hielden in die jaren nog een hele beestenboel: kippen, wat varkens, een stel koeien en natuurlijk melk genoeg. Rijk waren we niet, en misschien daarom schoof oma Truus mij vaak stiekem een reep chocola, een schriftje of zelfs een klein muntje toe toch haar manier van zorgen. Ze hadden zelf geen kinderen.

De tijd kroop voorbij, denk drie jaar verder, toen op een gure late winteravond, we net de tv uit hadden gezet en allemaal in bed lagen, er zachtjes op het raam werd getikt. Oma Truus stond er, fluisterend: Jan is overleden.

Zoals het hoort in het dorp, stonden we haar zo goed mogelijk bij met de begrafenis.

De dood van haar man viel haar zwaar. Ze was vaak ziek en kwam nauwelijks nog buiten. Wij gingen na school bijna elke dag even langs, en elke keer vertelde ze weer over haar leven met Jan 52 jaar getrouwd, jaren keihard gewerkt in een fabriekshal, en hoe ze na hun pensioen hun flat aan haar nichtje hadden achtergelaten om hier, in dit dorpje, van de natuur te genieten.

Toen werd het voorjaar. Langzaam raakte oma Truus wat gewend aan het alleen zijn. Op een dag nodigde ze me uit in huis, en daar stond een kartonnen doos met daarin een klein grijs puppytje Ik was nooit echt dol op honden, maar dit hoopje ellende keek me aan en ik smolt ter plekke.

Tot op de dag van vandaag weet ik nog hoe ik, op de grond zittend, dat ukkie met één vinger aaide terwijl oma Truus meekeek en voor het eerst in tijden weer wat van haar beroemde, tandeloze glimlach liet zien. Jan en ik hadden nooit huisdieren. En zelf geen kinderen gekregen Maar nu ja, het is zo stil. Deze vond ik vanochtend bij de Aldi, achter bij het vuil. Kijk nou toch, wat een droppie! zei ze fluisterend.

Ik durfde amper adem te halen, bang dat ik de pup zou laten schrikken. Heeft ie al gegeten? Hij heeft vast honger? snikte ik.

Ik heb melk opgewarmd, maar hij snapt niks van een bak. Eigenlijk moet het met een speen, maar ja, die heb ik niet. Die haal ik morgen wel, mompelde Truus.

Ik spurtte naar huis en plukte prompt de speen uit de mond van mijn slapende babyzusje.

Het bleek een krappe week oud hondje, net uit het ei, zeg maar. Ik stopte de speen in zijn bekkie, knalde er warme melk in en was als de dood dat hij het niet zou redden.

Ruim een week zaten we samen met oma Truus te dubben over een naam. Zij wilde hem Gerrit noemen, vanwege zijn ietwat oranje oren. Ik vond dat niks: hij zat altijd zo stilletjes in zn doos, piepte nauwelijks, en wij staken onze koppen er zo stil als muizen bovenuit. Stille Piet werd uiteindelijk zijn naam, of gewoon Stille.

Van het voorjaar tot bijna de zomer hebben we samen Stille opgevoed: melk opwarmen, prakjes maken, de doos opengooien als het weer het toeliet. De hond was een koddig ding, een beetje zwakjes misschien waarschijnlijk omdat hij nooit een moeder had gehad en niemand hem had schoongelikt. Maar onze zorg hielp. Elke dag na school rende ik rechtstreeks naar Truus om Stille te checken, dan huiswerk, moeder helpen, en dan weer terug naar oma Truus en die hond. Ik speelde met Stille alsof het een katje was, zij keek op de bank geamuseerd toe met een glimlach die net zo warm was als een verse stroopwafel.

Na verloop van tijd werd Stille een stoer hondje, al bleef hij klein een centimeter of dertig hoog, net een doorgefokte terriër. Ik nam hem mee vissen, koeien uitlaten, en als ik niet kon, hing hij met Truus rond. Met Stille in huis bloeide Truus helemaal op: ze verzorgde hem als een prins, kookte apart kipfilet, las boeken over rashondenverzorging en was weer zo gezond als een Hollandse appel.

Zo gingen de jaren. Elk ochtend stond Stille om stipt zeven uur bij mijn voordeur, wachtte tot ik kwam, en bracht me drie kilometer naar school. Om twee uur kwam hij me weer ophalen. Regen, storm, modder, het maakte niet uit altijd samen. Zo waren we negen jaar onafscheidelijk.

Na de negende klas moest ik kiezen: naar den Bosch voor de HAVO, of blijven in het dorp en op de landbouwschool in Veghel. Familieberaad wees uit: ik mocht naar de stad.

De ochtend van vertrek zat ik tot tranen toe op de stoep bij oma Truus, Stille in mn armen, allebei overstuur.

Neem hem mee joh, als je zó verdrietig bent! snikte Truus mee.

Hoe dan? Hij hoort bij u. Past u goed op uzelf. Mam komt elke dag, echt waar. En ik bel zo vaak ik kan.

Toen de veerpont vertrok, stond ik te snotteren aan het dek. Stille holde op zijn korte pootjes langs de kade, kwispelde zich een ongeluk, en keek met die grote hondenogen alsof hij het ook allemaal niet begreep.

Het leven in de stad, op de agrarische school, slokte me op. Alleen zo nu en dan even ouwehoeren met een oude klasgenoot die toevallig in hetzelfde studentenhuis zat, verder vooral boeken over vee, gewassen, economie.

Vlak voor kerst, net toen ik thuis wilde gaan logeren, belde mijn moeder: oma Truus lag nu al een week te bed. Stille was niet van haar zijde te slaan, ze had zelfs zijn bak naar haar bed gesleept.

Ik ging meteen naar huis. En inderdaad: Stille zat op een tuinstoel bij haar bed, keek haar verdrietig aan en piepte zachtjes. Oma Truus aaide met haar dunne, rimpelige hand zijn kop en neus. Ze waren allebei zichtbaar mager. Zon tafereeltje waar je als nuchtere Hollander kippenvel van krijgt: een oude vrouw en haar enige troost in huis.

Toen ik na de feestdagen weer terug ging, wisten we allemaal wel dat het de laatste keer zou zijn dat ik haar zag. Stille volgde me nauwelijks nog tot de voordeur zijn taak stond boven alles: bij Truus blijven, haar niet alleen laten. Het raakte me tot in het diepst van mijn nuchtere ziel.

In februari overleed oma Truus.

Nou ja, zal de buitenstaander denken: wie rouwt er nou zó om een oude buurvrouw en een dorpshond? Maar wie zelf ooit alleen een oprechte vriend viervoeter of mens heeft verloren, snapt die rauwe pijn. Hondentrouw gaat verder dan de dood. Zo simpel is het.

Pas eind mei, na de examens, kon ik terug naar huis. Waar Stille was? Niemand wist het. Mam vertelde dat hij op de begrafenis rond het graf heen en weer rende, en zelfs probeerde erin te springen met de grafdelvers die hem met hun schep tegenhielden. Na de plechtigheid had mijn vader hem opgepakt, een eigen paleisje in de tuin getimmerd, alles erop en eraan. Maar Stille weigerde. Tot mei zwierf hij rond het huis van Truus. En daarna spoorloos.

De halve zomer heb ik dorp na dorp afgezocht, mensen gevraagd, fotos getoond, marktplaatsen afgestruind. Nergens Stille. Mijn theorie: toen ze Truus begroeven, dacht hij dat ze nog thuis zou komen. Dus bleef hij wachten. Maar toen ze niet terugkwam, ging hij haar zoeken. Arm beest.

Augustus kwam. Op een dag gingen we met het hele gezin op het kerkhof bij de Nuenense houtwal zon vijftig kilometer verderop. Nooit gedacht dat Stille daar zou zitten.

En jawel hoor. We stappen uit bij de kerk, en daar sprintte ie ineens op ons af: oren plat, tong uit de bek, bruin en mager, maar meer hond dan ooit.

Ik zink door mn knieën en huil mn ogen uit mn kop.

Stille, Stille, jongen, ik heb je gezocht, de hele zomer idioot!

Hij sprong met zn voorpoten tot aan mn hoofd, kwispelde dat ik klem stond, zijn ogen net zo nat als de mijne.

Uit de achterbak haalde ik de hele voorraad broodjes, gehaktballen en appeltaart hij vrat alles alsof hij weken niet gegeten had, zonder zn blik van mij los te maken.

Iemand uit de kerk vroeg: Is dat jullie hond?

Ja, dat is Stille, snikte mijn moeder.

Ik werk hier in de kerk, vertelde ze. Al sinds afgelopen voorjaar zag ik dat hondje. Hij lag altijd bij één graf en groef daarin alsof hij zn botten zocht. Zo erg, dat ik het kruis weer recht heb moeten zetten!

Iedereen begreep het meteen het was het graf van oma Truus.

We bezochten het graf, Stille week niet van mn zijde, zijn blik op mij gericht vol, tja, wat eigenlijk? Liefde? Pijn?

Het graf was rondom opengegraven met modderige pootjes, vooral bij het stukje van Truus. Vader zette het kruis weer recht, moeder legde bloemen en ik zat gehurkt met Stille op schoot; hij keek eerst naar mij, dan naar het graf, likte mijn gezicht en jankte zacht.

Je moet hem niet dwingen mee te gaan. Misschien wil hij wel blijven, zei mijn vader met zijn Brabantse nuchterheid.

Ik wil hem niet achterlaten,” zei ik. “De herfst komt eraan, straks de winter hij is al oud, richting de tien.

Toen we weggingen twijfelde Stille. Hij rende tussen het graf en ons heen en weer. Pas toen we in de auto zaten, sprong hij ineens op mijn schoot.

Stille, vriend, ik laat je nooit meer alleen, snikte ik, compleet overstuur.

En zo hoort dat: Hollandse honduitdagingen, tranen, nuchterheid en een onvoorwaardelijke vriendschap.

Please rate
Bagattia News
Ik was een jaar of vijf of zes, nog voordat ik naar de basisschool ging, begin jaren negentig, toen er bij ons in het dorp twee gepensioneerden uit de stad kwamen wonen – oma Vera en oom Lex