Ring op het Tafelkleed

Ring op het tafelkleed

Nee, zei Arjen, en er lag zoveel in dat ene korte woord, dat Marloes midden in de kamer bleef staan, met haar oorbel nog in de hand. Je gaat niet mee.

Ze keek naar hem. Hij stond bij de spiegel, strak in het pak. Het was nieuw, donkerblauw met een fijn krijtstreepjevast zo duur als minstens drie maanden van haar salaris, twintig jaar geleden. De stropdas zat recht, zijn haar keurig gestyled met gel, geen plukje mis. Hij keek haar niet aan in de spiegel, alleen naar zichzelf.

Hoezo, ik ga niet mee? vroeg Marloes. Haar stem bleef kalmer dan ze gevoeld had.

Gewoon. Je blijft hier.

Marloes legde de oorbel terug op de kaptafel. Alles aan deze hotelkamer was duur en een tikje onwennig: zware gordijnen in bronstinten, een bed met een echt houten hoofdboard, een tapijt zo dik dat je hakken er geluidloos in wegzonken. Hotel De Noorderzon was het beste hotel van Groningen, ze had er nooit eerder geslapen, en drie uur geleden was ze er nog blij om geweesthad ze met haar vingertoppen langs de dikke handdoeken in de badkamer gestreken en aan de kleine flesjes douchegel geroken.

Drie uur geleden was alles nog anders.

Arjen, zei ze zacht, we hadden afgesproken. Ik heb een nieuwe jurk gekocht. Je zei zelf dat dit diner belangrijk was, dat meneer Smit kennis wilde maken met de gezinnen van zn medewerkers.

Ik ben van gedachten veranderd.

Waarom?

Hij draaide zich eindelijk om. Zijn blik had iets dat haar naar adem deed happen. Geen woede. Iets anders, erger misschien.

Marloes, kijk naar jezelf. Echt kijken.

Ze keek. In de spiegel stond een vrouw van tweeënvijftig, in een donkergroene jurk tot op de knie. Goed uitgezocht, ze had zelfs overlegd met de verkoopster aan de Vismarkt. Haar haar had ze zelf in model gebrachtbest netjes. Haar gezicht was gewoon, met wat lachrimpels, niet jong meer, maar levendig.

Nou, zei ze, ik kijk.

Je handen, Marloes.

Ze liet haar ogen zakken. Haar handen hingen naast haar lichaam. Brede vingers, droge huid op de knokkels, eelt langs de randen. Ze had haar nagels verzorgd en nude gelakt, maar het model bleef eenvoudig. Geen sierlijke damesnagels zoals op de bedrijfsfotos die Arjen haar wel eens vol trots toonde op zijn telefoon.

Wat is er mis met mijn handen? vroeg ze, maar ze wist het al.

Daar komen andere mensen. Belangrijke mensen. De vrouwen van directeurs en partners. Ze zullen het zien.

Wat zien?

Doe niet alsof, Marloes. Je weet heus wel wat ik bedoel. Je handen zien eruit

Als werkhanden? vulde ze zacht aan.

Arjen antwoordde niet. Hij keek weer naar zijn stropdas, alsof die nog strakker moest.

Ik wil niet hoeven uitleggen waar jij gewerkt hebt, wat je gedaan hebt. Dat is een andere wereld, Marloes. Andere gesprekken, andere verhalen. Jij past daar niet in.

Ik heb twintig jaar gewerkt zodat jíj in die wereld kon passen, zei ze, haar stem trilde nu toch een beetje. Twintig jaar. Ik draaide nachtdiensten toen je studeerde. Afwassen in een café, achter de kassa op de bouwmarkt, ik verkocht bloemen op de markt als er geld nodig was voor jouw HBO. Deze handen, Arjen, die betaalden je boeken, je eerste net pak, je mobiel waarmee je contacten legde.

Ik weet het, zei hij zonder om te kijken. Ik vergeet het niet. Maar nu doet het er niet meer toe.

Marloes bleef nog even staan. Ze keek naar zijn rug in dat dure colbert en probeerde te zoeken naar die Arjen die ze kende. Die van 1998, die nog bij haar uithuilde toen zijn vader in het ziekenhuis lag en ze geen geld hadden voor medicijnen. Die zwoer haar alles terug te geven omdat zij de belangrijkste was in zijn leven.

Hij was er niet meer.

Dus je wilt dat ik in de kamer blijf? vroeg ze.

Ik wil dat je me vanavond niet in de weg loopt. Dit diner is cruciaal. Smit bepaalt wie regiomanager wordt. Snap je? Dit is mijn hele carrière. Hier werk ik al acht jaar naartoe.

We, verbeterde ze hem zacht.

Marloes Hij draaide zich weer ommet die professionele toon die hij aan de telefoon met collegas altijd had. Steady, zonder emotie, een tikkeltje moe. Begin nou niet over we. Blijf alsjeblieft hier. Bestel wat te eten op de kamer, kijk tv. Ik ben straks terug.

Je verstopt me.

Ik vraag je om begrip.

Je schaamt je voor me.

Hij zei niks. En dat was een antwoord.

Marloes liep naar het raam. Buiten lag de stad in het vroege donker, lantaarns weerspiegeld op het eerste dunne sneeuwlaagje dat al sinds de middag viel en nu op de vensterbank lag. Mooi was het altijd, de eerste sneeuw. Vroeger rende ze met haar vriendin Fenna het plantsoen in om sneeuwvlokken op te vangen. Fenna zei dan altijd dat sneeuwvlokken huilen als ze smeltenze willen nog niet dood. Marloes moest daar altijd om lachen.

Goed, zei ze.

Arjen zuchtte opgelucht, en ze voelde dat er iets keihards in haar vastklikte.

Ik wist dat je het zou begrijpen. Na dit diner verandert alles, echt. We gaan samen op vakantie, ik koop iets moois voor je

Ga maar gewoon, Arjen.

Hij greep zijn colbert, checkte zijn telefoon, portemonnee. Bij de deur draaide hij zich om.

Doe niemand open. Je kamer is tot morgen betaald, alles zit erbij.

Vertrek nu.

De deur viel dicht; het elektrische slot klikte. Pas even later besefte ze wat er gebeurde. Ze liep naar de deur, probeerde de klink. Dicht. Nog eens. Dicht.

Had hij de receptie gevraagd het slot intern te blokkeren? Zat er een speciale blokkering op? Maakte niet uit. Feit bleef: hij had haar opgesloten in kamer 408 van Hotel De Noorderzon, in haar donkergroene jurk, met de deur op slot.

Ze bleef even staan. Ging toen op het uiterste puntje van het bed zitten.

Marloes huilde niet. Het voelde alsof ze juist móest huilen, dat hoorde zo, maar het kwam niet. Het was alleen maar leegte en dat harde bolletje ergens achter haar ribben, en een stilte die in haar hoofd bleef hangen zoals het na een foute fluittoon blijft suizen.

Hoe lang ze zo zat, wist ze niet. Daarna stond ze op, probeerde de tv. Op het scherm praatte een man in pak, maar wat hij zei drong niet door. Snel weer uit.

Ze liep naar de minibar, zag de grappig kleine flesjes water en sap, nam een flesje water, dronk het glas in één teug leeg. Koud, bijna ijzig. De kriebel in haar keel verdween een beetje.

Weer naar de deur. Zacht kloppen. Niemand die antwoordt, natuurlijk niet, de gang was leeg, iedereen onderweg naar hun eigen feestje, niemand die om een opgesloten vrouw in een donkergroene jurk gaf.

Moest ze receptie bellen en vragen om open te doen? Maar wat dan zeggen? Mijn echtgenoot heeft me opgesloten? Ze zag het gezicht van het meisje van de balie al voor zichbeleefd, verbaasd, dan doorverbinden met de supervisor. En dan kwam Arjen erachter. Wat dan?

Ze lachte droogjes. Dat bleef ze doen: denken aan straks, aan wat vindt Arjen. Twintig jaar gewend aan zijn reactie voor die van zichzelf.

Ze belde Arjen. Geen gehoor. Een minuut later een kort berichtje terug: Ben bij diner, alles goed, slaap maar lekkeren weer ophangen.

Ze keek naar haar handen. Legde ze open op haar schoot. Brede, warme handen, een beetje ruw. Bovenop een heel klein litteken bij de duim, daar sneed ze zich ooit aan het broodmes, zomer 99, ze maakten toen boterhammen voor Arjen zn eerste toelatingsexamen in Leeuwarden. Ze lachten, zij wikkelde een zakdoek om haar vinger, en toch gingen ze, hij haalde zijn cijfer, ze vierden het met voorzichtige champagne.

Bij de andere hand zat een eeltplek bij haar wijsvinger, sinds drie jaar, sinds ze op woensdagavond bij de groothandel werkte, schappen vullen. Extra geld voor Arjen zn eerste echte kostuum, voor die serieuze sollicitatie. Hij kreeg die baan, zij bakte friet om het te vieren. Hij omarmde haar en zei: Zonder jou had ik dit nooit gekund.

Elf jaar geleden.

Buiten was het donker geworden, sneeuw lag stil, de sterren verschenen tussen de wolken. Marloes stond op, ging bij het raam staan, haar voorhoofd tegen het koude glas gedrukt. Dat hielp een beetje.

Toen hoorde ze geklop. Zacht, voorzichtig, bij de deur.

Is daar iemand? klonk een vrouwenstem. Schoonmaak. Wilt u schone lakens?

Marloes wilde antwoorden dat het niet nodig was, en dat het wel ging. Maar in plaats daarvan zei ze:

De deur wil niet open. Ik zit van buiten op slot.

Stilte aan de andere kant. Toen: Op slot? Hoe?

Een sleutel van buiten. Ik krijg m niet open.

Weer wachten. Toen een piep, gerommel, kliken de deur zwaaide open.

Op de drempel stond een jonge vrouw in een hoteluniform, grijs met een witte kraag, rond de dertig. Donkere haren strijken strak achterover, open gezicht. Ze keek Marloes aan met een zachte blik, geen medelijden, maar begrip.

Gaat het goed met u? vroeg de vrouw.

Ja, hoor. Dankjewel.

Ik ben Sanne.

Marloes.

Ze zwegen. Sanne bleef staan, wachtte, hield haar karretje met lakens en keek.

Zat u al lang binnen? vroeg ze zacht.

Twee uurtjes denk ik.

Wil je er even uit?

Ja, zei Marloes, en pas toen ze het uitsprak voelde ze werkelijk hoe graag ze eruit wilde. Ja.

Kom. Op de zevende verdieping is een wintertuin. Niemand komt daar s avonds. Fijn plekje, zal ik wijzen?

Marloes pakte haar tasje, gooide een dun colbert om haar schouders. Buiten in de gang voelde de lucht anders, echt en fris.

Doe je dit vaker? vroeg ze Sanne onderweg naar de lift.

Wat?

Mensen bevrijden.

Een korte stilte.

Je komt wat tegen ja, zei Sanne.

Ze namen de lift. Op zeven bracht Sanne haar naar een deur die ze opende met haar servicesleutel: een onverwachte wereld, groot vertrek met glazen dak, volle groene plantencitroenboompjes met vruchten, palmen in brede potten, namen die Marloes niet kende. Een paar rotan stoelen, kleine tafels. Door het glazen dak zag je de sterren, helder in het noorderlicht.

Hier kun je rustig zitten, zei Sanne. Er komt niemand. Mocht je wat willen, ik ben tot tien uur beneden. Even bellen, dan komt er iemand.

Marloes knikte. Sanne vertrok. Marloes plofte in een stoel, benen uitgestrekt, hoofd in de nek.

Het was hier zo lekker rustig, en het rook naar aarde en citroen, een beetje warm, nooit benauwd, anders dan in de hotelkamer.

Ze dacht terug aan haar oude droom: een eigen bakkerij. Jaren geleden tegen Arjen gezegd: een klein zaakje, brood, appeltaart, kaneelbroodjes. Haar moeder bakte altijd, haar oma leerde het. Arjen lachte toen. Ja hoor, jij een bakkerij, dat past wel bij je! Gewoon lief bedoelde hij, maar er kwam nooit meer iets van.

Het leven was werken, verhuisd voor zijn baan, steeds opnieuw beginnen, nieuwe mensen, steeds een nieuw thuis maken. Ze was een goede vrouw, had ze altijd gevonden. Ze deed haar best.

Een paar stoelen verder klonk een stem.

Verstoppen we ons hier allebei? vroeg een man. Marloes schrok.

In een stoel aan de rand zat een oudere man, een jaar of zeventig, stevig maar vitaal, goed gekleed, jasje los. Staalgrijs haar, teruggekamd. Slimme ogen, gezicht moe maar vriendelijk.

Sorry, ik had u niet gezien, zei Marloes.

Geeft niet, genoeg ruimte hier.

Hij glimlachte.

Was u daar beneden niet bij dat feestdiner? vroeg hij. Het is druk vanavond.

Nee. Ik mocht niet mee, zei Marloes eenvoudig.

Zijn blik werd oplettend.

Ik ben zelf gevlucht, zei hij. Eigenlijk is het mijn eigen diner, als je dat wilt weten. Maar het werden me wat veel gezichten en verhalen vanavond, eerlijk gezegd. U kent dat misschien.

Mhm.

Wat brengt u hierheen?

De schoonmaakster zei dat je hier lekker zit.

Heel goed. Ik kom hier nu voor de derde avond. Afsluiten, even rust.

Is uw dochter daar beneden dan? vroeg Marloes.

Ja. Die let op de gang van zaken. Ordelijk, daadkrachtig. Ze krijgt het voor elkaar. Ik ben Smit trouwens.

Ze keek op.

Meneer Smit? vroeg Marloes zacht. Ze wist het eigenlijk welde blik, die banale eventdingen, alles klopte.

Smit, inderdaad. En u

Marloes de Vries.

Even stilte. De hemel betrok weer, sterren schuilden.

Dus daar beneden, dat diner u moest daar zijn? probeerde Marloes.

Ja, want ik moet een knoop doorhakken over een nieuwe regiomanager. Maar eerlijk: ik heb nog geen beslissing genomen, dus vlucht ik hierheen.

Het zette haar aan het denken: haar man nu beneden, zijn toekomst in handen van deze Smit, en die zit hier gewoon. Het leven tikt wat af en toe.

De man kromp ineen. Marloes herkende het meteen: zijn gezicht werd vaalgrijs.

Gaat het?

Even halen, hoor. Hart het slaat op. Ik hoop dat het straks zakt.

Heeft u medicijnen bij zich? Nitroglycerine, misschien een aspirientje?

Pasje, binnenzak, hij wees.

Marloes pakte zijn kleine leren etui, haalde een pilletje. Onder de tong, zei ze. Hij glimlachte zwakjes; het was waardering dat ze niet in paniek raakte.

Ze hield zijn hand vast. Zo hoorde het. Dat deed ze vroeger bij haar vader, en bij mevrouw van Dijk uit het portiek, toen het slecht ging. Er is iets aan een hand vasthouden dat woorden overbodig maakt.

Na twee minuten trok de kleur voorzichtig bij.

Voelt het beter? vroeg Marloes.

Beetje. Redt u het alleen?

Ik bel wel even de receptie, gewoon voor de zekerheid.

Ze belde rustig en helder voor medische hulp. De hulp kwam snel. Even later stond er niet alleen een arts, maar ook Smit zijn dochtereen kordate vrouw van halverwege de veertignaast hen.

Pap?

Alles goed, Katelijne. Deze mevrouw hielp me.

Katelijne keek Marloes recht aan. Geen wantrouwen, eerder dankbaarheid.

Dank u wel, zei ze eenvoudig.

Twintig minuten later kwam de ambulance. Na onderzoek meldde de arts: nu naar het ziekenhuis voor controle, het was net op tijd. Smit bleef op Marloes letten.

Gaat u mee naar beneden? vroeg hij.

Waarom?

Vijf minuten maar, even naar de zaal. Voor ik vertrek.

Katelijne knikte. Ook al had ze haast, zij begreep het.

Met zn drieën liepen ze naar de befaamde balzaal van het hotel. Zwaar opgeluisterd, lange tafels, kaarslicht, duurdere mensen. Smit hield zich dapper recht, maar je zag de uitputting in zijn gezicht.

Iedereen keek. Marloes zag Arjen pas bij de vijfde tafel, naast een man met bril. Toen hij haar zag werd zijn gezicht al wit: ongemak, verbazing, enmisschien vooralschaamte.

Smit vroeg direct: En dat is?

De man met bril zei: De vrouw van Arjen de Vries, volgens mij.

Arjen de Vries? Smit draaide zich naar haar man.

Arjen stond langzaam op. Ja, meneer Smit, dit is mijn vrouw, Marloes de Vries.

Waarom was ze niet bij het diner?

Ze voelde zich niet niet zo lekker.

Dat gold voor mij ook, zei Smit droog. Maar uw vrouw hielp meerg doortastend. Waarom was u niet bij het diner, mevrouw?

De hele zaal keek. Marloes stond recht. Ze keek naar haar handenhaar werkhanden. En toen zei ze:

Mijn man sloot me op. Hij vond mij niet geschikt voor dit gezelschap.

Het was muisstil. Je hoorde bijna de zachte sneeuwvlokken buiten.

Arjen stond erbij alsof zijn houvast plots weg was.

Marloes trok haar trouwring afgeen drama, gewoon, ze legde hem vlak naast Arjens waterglas op het witte tafelkleed.

Ik haal mijn spullen en ga naar Fenna, zei ze. Papieren zie ik thuis wel verschijnen.

Tegen Smit: Beterschap. En luister naar de artsen, die weten waarover ze praten.

Katelijne kneep even in haar hand. Stil. Alleen even vasthouden, dat was genoeg.

Marloes liep weg. Zomaar, rustig. Door de chique gang, haar donkergroene jurk, tasje over haar schouder, geen ring meer.

In de gang stond Sanne met de schoonmaaktrolley, duidelijk luisterend bij de deur. Ze deed niet alsof ze niks gemerkt had.

Gaat het? vroeg Sanne zacht.

Het gaat goed, antwoordde Marloes. En tot haar eigen verbazing: Echt goed.

Sanne haalde een papieren bekertje met warme thee. Van de keuken, altijd voorraad. Neem maar, dat doet goed.

Marloes dronk gretig. De thee, een beetje zoet, warmde haar handen en lijf. Ze voelde zich lichter, alsof twintig jaar gewicht in vijf minuten van haar rug gegleden was.

Werk je er al lang?

Sanne haalde haar schouders op. Van alles gedaan, hier toevallig beland. Mensen zijn interessant.

Kun je een beetje bakken? vroeg Marloes plotseling.

Sanne glimlachte. Beetje. Opa was bakker.

Mooi zo, zei Marloes.

Ze dronk haar laatste slok, zette het beker neer, liep naar boven om haar spullen te pakken.

In de kamer deed ze alles snel in haar koffer, haar jas over haar arm, haar tasje. De kamer met de zware gordijnen, het bed, de nog ongebruikte oorbel op de kaptafel.

Die stopte ze toch in haar tas. Zonde om te laten liggen.

In de lift belde ze Fenna.

Die nam bij de tweede toon op, zoals altijd.

Kom maar, meid, zei Fenna meteen. Verse erwtensoep staat klaar.

Hoe weet je

Ik ken je veertig jaar. Als je zo belt, moet je gewoon komen, lachte Fenna.

Marloes liep Hotel De Noorderzon uit, de frisse avond in. Buiten kraakte de sneeuw onder haar laarzen, lantaarns gloeiden warm. Taxi stoppen lukte snel: een zwijgzame chauffeur, precies goed.

Onderweg keek ze naar de stad. Ze dacht aan de bakkerij.

Nee: ze zag haar voor zich. Een kleine winkel, de geur van vers brood, een houten toonbank van de rommelmarkt, ochtendlicht, mensen die niet alleen voor een broodje komen, maar ook voor de warmte.

Zo duidelijk als een net gemaakte herinnering.

***

Acht maanden later.

Bakkerij Warm Thuis opende begin september in een rustige straat, niet in het centrum, maar ook niet in de buitenwijken van Groningen. Fenna vond het pand: vroeger een bloemenzaak, fijne grote ramen. Ze lieten alles zelf schilderen: houten planken, muurkleuren, tegeltjes.

Marloes wilde houten schappen. Fenna mopperde even: moeilijker schoonmaken, hygiëne. Maar later was ze om. Het werd prachtig, die planken vol brood.

De recepten kwamen uit haar hoofd en mams oude schrift, vergeeld, met dat zalige jaren zestig-handschrift waar Marloes soms van moest huilen als ze het opensloeg. Roggebrood met zuurdesem, appeltaart, krentenbollen, Friese oranjekoek, taaitaai.

Sanne belde na een maand plots aan.

Klopt het dat jij een bakkerij begonnen bent? vroeg ze. Je meende het echt met dat brood?

Zeker weten.

Nou, als je iemand zoekt

Graag, zei Marloes.

Sanne kon ontzettend goed bakken. Opa had haar de fijne details geleerd: ze voelde het deeg aan haar handen, precies zoals het moest. Dat leer je niet uit een boek, dacht Marloes, alleen van generatie op generatie, van hand tot hand.

Met Katelijne, de dochter van Smit, was het contact na drie maanden weer. Ze kwam zelf langs.

Gewoon even koffie drinken en u normaal bedanken, zei Katelijne. Mijn vader vertelde: die hand vasthouden, dat maakte het verschil.

Ze spraken vaker af. Katelijne hield van zaken, van cijfers, maar was verrassend warm daaronder, iemand die altijd vroeg of ze wat kon doen. Vorstelijk, maar nooit stijf.

Meneer Smit knapte goed op. De controle in het ziekenhuis was net op tijd, zei men. Hij belde: Hoe gaat de bakkerij?

We zijn net open.

Zeg het even tegen Katelijne als het eerste brood uit de oven komt. We komen proeven.

Op de openingsdag stonden ze voor de deur: Smit met zijn dochter, gewoon in een dikke winterjas, roze van de kou, zichtbaar ontspannen. Marloes lachte. Verse rozijnenbol, zo uit de oven.

Niets beter dan warm brood, zei hij.

Ongelooflijk hoeveel mensen waren komen opdagen. De rij stond tot buiten. Fenna achter de kassa, pratend met iedereen. Sanne rende tussen oven en toonbank, rozig en blij, met wat bloem op haar wang. Marloes bakte.

Bij het deeg aan het grote werkblad voelde ze zich thuis, de geur van brood hing zo zwaar in de lucht dat ze zelfs bij de open deur op straat rook.

Haar handen breed, grof, werkhanden.

Goede handen.

Zou Arjen inmiddels weten van de bakkerij? Ongetwijfeld, zulke dingen gaan in Groningen als een lopend vuurtje. De zaak was toch al beslist voordat alles escaleerde; Smit had zijn keuzes gemaakt, hoorde Marloes later van Katelijne. Dus die scène in de balzaal veranderde niets.

Ze dacht er nauwelijks meer aan. Geen pijn. Gewoon niet meer nodig.

Deze nieuwe werkelijkheid vulde haar dagen met gedachten aan brood, aan deeg, aan Sannes gevoel voor timing, Fennas grappen, Smit die iedere twee weken langskwamaltijd datzelfde roggebrood en één oranjekoekKatelijne met wie ze eindeloos kon praten na sluiting.

Het deeg was klaar. Marloes verdeelde het, legde stukken in bakvormen, schoof ze in de oven.

Buiten dwarrelde de eerste echte sneeuwvlokken van het jaar. Groot, zacht, warme lichten in het raam, mensen bleven even stilstaan om te ruiken.

Tegen half zes zag ze hem.

Aan de overkant, zonder muts in een lange jas, stond Arjen. Hij keek naar binnen, naar het warme licht, de rij aan de toonbank. Hij stond, keek.

Marloes keek terug. Hij zag haar nietof deed alsof.

Het gekke was: ze voelde niets, geen boosheid, geen bitterheid, geen behoefte naar buiten te lopen. Alleen dat kalme, lichte gevoel als je een oude foto ziet van iemand die lang geleden belangrijk was.

Hij draaide zich na een minuut om, zette zijn kraag op, liep weg, keek niet om.

Marloes ging terug naar haar oven.

Het brood was bijna klaar. De geur maakte haar zeker en zacht, zoals vroeger op zondagochtend toen haar moeder bakte: dan wist je, thuis is alles veilig, alles klopt.

Marloes! riep Sanne bij de toonbank. Nog drie broden, bakken we er morgen weer bij?

Ik ben er om zeven uur.

Ik om acht, lachte Sanne.

Fenna kwam naar het keukenblok, tikte haar aan.

Heb je hem gezien?

Ja.

En?

Marloes dacht even na.

Het doet niets, Fenna. Gewoon iemand die voorbij loopt.

Fenna kneep zacht in haar hand. Geen woorden nodig.

Buiten viel sneeuw, in de oven steeg brood. Het rook binnen naar brood en een beetje naar kaneel van de koffiebroodjes. Mensen roken, lachten, werden daar warm van.

Marloes klopte op een broodbodem: precies goed, dof en stevig.

Het brood was gelukt.

Please rate
Bagattia News
Ring op het Tafelkleed