Ik haat je niet, echt niet

Ik haat je niet

Eigenlijk is alles hetzelfde gebleven

Met trillende vingers frummelde ik aan de zoom van mijn mouw, terwijl ik uit het raam van de taxi tuurde. Buiten trokken de straten van mijn jeugd voorbij diezelfde stoepen waar ik ooit samen met Daan lachend mijn toekomst plande. Zeven jaar Al zeven jaar had ik mijn geboortestad niet gezien.

We zijn er, zei de chauffeur, zijn stem haalde me zacht uit mijn gedachten.

Vlakbij het oude flatgebouw kwam de taxi tot stilstand. Met een automatische beweging checkte ik of mijn telefoon ergens veilig zat, graaide in mijn tas, betaalde de chauffeur vijftien euro en stapte uit. De deur viel dicht achter me. Heel even bleef ik staan. De lucht in Nijmegen rook anders dan in Amsterdam. Hier rook de stad naar vers gemaaid gras uit het parkje aan de overkant, naar broodjes uit de bakkerij op de hoek en naar iets dat ik alleen met één woord kan omschrijven: thuis. Het deed pijn, en toch was het ook warm als een hand op mijn hart, aarzelend over wat er zou komen.

Ik was maar een paar dagen terug. Officieel om mijn moeder te helpen met papierwerk dat bleef liggen, maar in werkelijkheid hoopte ik Daan weer te zien. Misschien heel misschien kon hij mijn leven veranderen.

Ik wist dat hij vlakbij woonde. Niet dat ik hem volgde of zo vrienden lieten hem soms vallen in gesprek, of op sociale media flitsten flarden nieuws voorbij: hij had een goede nieuwe baan, een eigen appartement, en zijn moeder was bij hem ingetrokken. Elke keer dat ik iets hoorde, probeerde ik me zijn gezicht voor te stellen, zijn dag, wat zijn gedachten misschien waren. Maar ik verbood mezelf erbij stil te staan, bang om mijn hart opnieuw open te leggen

************************

De volgende dag besloot ik door het centrum te slenteren. Geen specifiek doel gewoon de stad opsnuiven, bekenden pleintjes opnieuw zien, het ritme voelen waarin ik ooit zo vanzelfsprekend meebewoog. Mijn blik bleef hangen bij een ouderwets krantenstalletje hier kocht ik vroeger stripverhalen. De bankjes op het plein, waar ik met vriendinnen na school ijsjes likte. Het café om de hoek, waar ik ooit onhandig cappuccino over een nieuwe blouse morste.

En toen zag ik hem.

Daan liep aan de overkant, zijn blik op oneindig, schouders ontspannen diezelfde houding die ik me herinnerde. Geen moment getwijfeld: ik stak, tegen het gele licht in, de straat over, hoorde ergens een claxon, maar het drong nauwelijks tot me door. Mijn voeten leken vanzelf te bewegen, de bonken van mijn hart waren luider dan het stadslawaai.

Daan! Mijn stem brak, veel te hoog. Hij keek om, zijn gezicht kwam me tegelijk vreemd en vertrouwd voor.

Fenna? Voorzichtig, zonder emotie.

Die neutraliteit het deed meer pijn dan ik verwachtte. Alles in mij waar ik zeven jaar geen woorden voor vond, kwam nu naar buiten. Mijn ogen vulden zich met tranen, mijn stem trilde.

Daan, ik heb het zo verprutst, mompelde ik. Misschien heb ik niet eens het recht je te spreken… maar ik hou nog steeds van je. Het spijt me, echt waar, vergeef me.

De woorden kwamen snel, zonder logica, alsof ze zich zeven jaar hadden opgestapeld en nu tegelijk uit mijn mond moesten. Ik omhelsde hem, klampte me wanhopig aan hem vast alsof ik met pure wilskracht de tijd kon terugdraaien.

Daan trok zich niet meteen terug. Heel even verslapten zijn schouders, bewogen zijn armen onzeker het gaf me hoop, heel even. Misschien, dacht ik, misschien leven onze herinneringen ook in hém…

Maar het moment was snel voorbij. Hij duwde me vriendelijk doch beslist van zich af, zijn blik kil, zijn gezicht gesloten.

Ga maar, fluisterde hij.

Het kwam zo vlak dat het voelde alsof ik lucht was, niets voorstelde in zijn leven. Toen, nog zachter:

Ik haat je.

Zijn ogen spuwden minachting, en voordat ik kon antwoorden, draaide hij zich om en verdween de straat in. Verstijfd bleef ik achter op de stoep. De stad draaide door: mensen haastten zich over het trottoir, autos toeterden, ergens lachten kinderen… Soms keek iemand me vragend aan waarom staat die vrouw daar zo, bleek, met holle ogen? Maar ik zag het niet.

Het enige dat ik hoorde, was het steeds zachter wordende geluid van zijn voetstappen en mijn eigen onrustige ademhaling. Elke seconde voelde als een eeuwigheid. Eén gedachte bleef nageven: Dit is het einde. Voor altijd.

Ik strompelde terug naar huis. Mijn benen voelden vreemd, loodzwaar, maar bleven gaan. In gedachten was het leeg, leeg op het bonken van Daans laatste woorden.

Bij binnenkomst probeerde ik niets uit te leggen. Ik ging zitten, starend naar de bomen buiten. Mijn moeder vroeg niets, zuchtte alleen bedrukt en zette thee. Het vertrouwde geluid van de waterkoker, de geur van een verse Earl Grey het haalde me zachtjes terug naar het nu.

Hij heeft me niet vergeven, fluisterde ik, mijn handen om de warme beker geklemd. De stoom prikte tegen mijn gezicht, maar ik voelde het nauwelijks.

Zonder iets te zeggen ging mijn moeder naast me zitten, haar hand geruststellend op mijn schouder. Zoals vroeger, na een ruzie of als ik weer eens met gescheurde knieën thuiskwam. Dat simpele gebaar deed alles in mij smelten.

Je wist dat het zo zou gaan, zei ze, haar stem vol stille spijt.

Ik wist het. Mijn stem was vlak, moe van het herhalen in mijn hoofd. Maar ik hoopte. Dom hè?

Niet dom, zei ze zachtjes. Je hebt je keuze gemaakt. Je hebt Daan pijn gedaan… Na jullie breuk veranderde hij. Alsof zijn hart van ijs werd.

Ik zuchtte diep, zette mijn mok neer, leunde achterover. Onwillekeurig doken de beelden van toen op.

Het leek destijds zo simpel. Ik was tweeëntwintig, alles open, vol vertrouwen in het goede. Daan betrouwbaar, nuchter, niet groots in woorden maar aanwezig in daden. Altijd klaar om te helpen, altijd luisterend.

Maar er was een probleem tenminste, zo zag ik het toen. Daan werkte als timmerman, studeerde in de avonduren, droomde van een eigen zaak. Zijn plannen waren groot, maar ongewis. Ik wilde zekerheid, niet rijkdom. Gewoon: vastigheid, een huis, toekomstperspectief. Met Daan leek het te schommelen: bijbaantjes, studie in de avond, dromen die dromen bleven.

En toen bood een oom uit Amsterdam mij werk aan. Zonder te twijfelen accepteerde ik het het voelde als een unieke kans.

Er was nog meer. Iets wat ik lang niet wilde toegeven. In Amsterdam ontmoette ik Mark zakenman, twee keer mijn leeftijd, met een zelfverzekerde uitstraling. Onze eerste ontmoeting was op het bedrijfsfeest, waar ik me onhandig voelde tussen de senior collegas. Mark was vriendelijk, attent, vroeg naar mijn plannen.

Het begon met kleine boeketten die via de receptie kwamen, uitnodigingen voor diners, bezoekjes aan het theater. Zijn wereld was gepolijst: taxiritten, shoppen zonder naar de prijs te kijken, gebaren waarvan ik dacht dat ze uit films kwamen. Beetje bij beetje gleed ik erin mee.

Niet dat ik hem begeerde. Maar de zekere wereld rondom hem, waarin alles vanzelf sprak, trok me aan. Geen zorgen om morgen, geen stress om geld alles lag open, als ik dat wilde.

Ik vond die nieuwe levensstijl zo prettig, dat ik Daan vergat, zelfs begon te minachten. Ik liet hem weten dat hij toch nooit iets zou bereiken.

Een keer ging ik terug naar Nijmegen. Niet om Daan te spreken, maar puur om te laten zien wat ik bereikt had. Ik wilde hem mijn nieuwe leven tonen, hem bewijzen dat ik het bij het rechte eind had.

Alles was tot in de puntjes gepland. Lunch in zijn favoriete café aan de Grote Markt, een jurk van Mark, een fonkelende ring en een splinternieuwe handtas.

Toen Daan binnenkwam, keek ik hem direct aan. In zijn ogen zag ik verwarring, pijn. Maar ik week niet terug ik voelde me sterk. Even was ik zelfs trots.

Pas toen hij het café uitliep en ik bleef zitten met mijn opgepoetste vriend, voelde ik echte leegte. De tas, de ring, de man die naast me zat ineens was het allemaal zielloos. En ergens diep van binnen vroeg ik me af: was dit het waard?

************************

Het duurde maanden voordat de bitterheid door mijn façade sloop. Aanvankelijk was Mark nog dezelfde galante man, maar gaandeweg trok hij zich terug. Kleine steken hier en daar: minder bloemen, meer kritiek (Moet je niet wat meer opletten op jezelf?), opmerkingen over mijn vrienden (Kun je niet wat interessant volk ontmoeten?).

Steeds vaker was ik alleen in het grote appartement dat hij voor me huurde. Mijn dagen eindigden met tv en routine. Als ik toenadering zocht, wuifde hij elke poging weg:

Je hebt toch wat je wilde?

Ik zocht excuses. Hij heeft het druk, zware business Het waait wel over. Maar diep vanbinnen wist ik: ik was niet meer dan een mooie pop. Zodra het nieuwe eraf was, was ik overbodig.

De dure jurken bleven onaangeroerd in de kast, sieraden lagen verstopt op de bodem van een lade. De geur van luxueuze parfum werd me zelfs tegenstrijdig. Mezelf betrappend op wegdromen aan het raam dacht ik steeds vaker: Wat als?

Als de avond viel en de stilte zich nestelde, besefte ik hoe armzalig een leven is zonder iemand om het mee te delen. Dromen over stabiliteit bleken betekenisloos zonder warmte en liefde.

Mijn gedachten zochten opnieuw Daan. Zijn handen, grof maar warm van het vakmanschap, zijn rustige glimlach, zijn vertrouwen. Ooit voelde het als een veilige haven.

************************

Op de derde dag in Nijmegen wandelde ik naar het park waar we vroeger vaak kwamen. Onder de grote esdoorn stonden de bankjes waar we uren konden praten over alles en niets. Daan zei een keer: Ik wil ooit een huis, met ramen waardoor de ochtendzon binnenstroomt en altijd geluk. Toen lachte ik, vond het dagdromen. Nu voelde het als een gemis.

Plots hoorde ik een stem.

Fenna?

Het was Bastiaan, een gezamenlijke vriend van Daan en mij. Zijn verbaasde blik veranderde meteen in een warme glimlach.

Wat doe jij hier? Vragend, maar niet indringend.

Gewoon, mijn moeder bezoeken, probeerde ik luchtig.

Hij nodigde me uit om mee op een bankje te zitten. We praatten, hij vertelde over zijn baan, over stadskwesties. Ik voelde me langzaam iets rustiger worden, alsof een oude jas ongemerkt nog paste.

Bastiaan keek me met een schuin oog aan en vroeg ineens: Heb je Daan nog gezien?

Ik keek naar de bladeren onder mijn schoenen. Ja. Gisteren.

En?

Hij wil niks meer met me te maken hebben… Hij haat me. Mijn stem was dun, alsof ik de woorden eruit moest persen.

Bastiaan zuchtte, keek de verte in. Hij heeft lang nodig gehad. Je was ineens weg, geen telefoontje, geen kaart. Het was een klap.

Ik weet het, fluisterde ik, zonder op te kijken.

Bastiaan hield zich in, gaf geen verwijten. Hij probeerde het een plekje te geven. Is zelfs met iemand anders uitgegaan, maar het werd niks. Hij heeft je echt liefgehad, Fenna. Na die keer dat je terugkwam om op te scheppen met je nieuwe geluk… hij werd alleen maar stiller. Gisteren was hij dronken als een tor toen hij me belde. Zo heb ik hem lang niet meegemaakt. Je maakt het hem niet makkelijk.

Ik beet op mijn lip. Ik wil niet dat hij me vergeeft. Alleen dat hij weet dat ik spijt heb. Elke dag heb ik spijt. Maar ik besef nu ik kan het niet rechtzetten, ik kan de tijd niet terughalen.

Bastiaan knikte. Laat hem los. Je maakt het echt alleen maar erger. Geef hem zijn rust, Fenna. Je hebt zijn wonden weer opengehaald.

************************

Die avond zat ik aan het raam bij mam. Buiten flonkerden de lichtjes van de stad, alles leek feestelijk, maar ik vond er geen vreugde in. In mijn hoofd speelden scènes zich af van wat had kunnen zijn. Daan en ik, samen een appartement zoeken, lachen om kleine problemen, proosten op elk eerste succesje…

De volgende ochtend pakte ik mijn spullen. Mijn moeders ogen waren treurig, maar niet verwijtend. Pas goed op jezelf, zei ze bij het afscheid.

Ik knikte, kuste haar wang, snoof nog één keer haar geur op en liep naar buiten.

Op het station kocht ik een treinkaartje naar Amsterdam. In de trein bleef ik door het raam kijken: langs flatjes en speeltuintjes die mijn verleden vasthielden. Ik zag mensen met boodschappentassen, fietsen tegen de paal, moeders die hun kinderen naar school brachten. Alles zo bekend en toch voorgoed voorbij.

Want ergens daar, tussen al die mensen, was hij: Daan, de man die ik had moeten uitleggen waarom ik vertrok. Die ik niet eens een afscheid had gegund. Die ik voor altijd kwijt was.

************************

Een half jaar later. Het leven in Amsterdam ging verder. Werk, koffiedates, standaardvragen van collegas. Maar iets in mij was fundamenteel anders geworden. Ik verdrong het verleden niet meer. Ik accepteerde mijn fout en het verdriet dat ik had veroorzaakt.

Langzaam leerde ik verder te leven. Niet opgelucht, maar wel eerlijker. Ik heb gedaan wat ik heb gedaan, sprak ik mezelf toe. Het was verkeerd, maar het is gebeurd. Er zat een vreemde rust in dat besef.

Op een avond, terwijl ik stond te koken, trilde mijn telefoon. Een onbekend nummer.

Ik haat je niet. Maar ik kan je ook niet vergeven.

Ik staarde naar het scherm. Mijn hart sloeg over. Ik liet mezelf zakken op de vloer, klemde het toestel tegen mijn borst, alsof ik Daans kloppende hart op die manier kon voelen.

Wat betekende het? Een opening, of juist een definitief afscheid? Ik wist het niet. Maar voor het eerst voelde het alsof er weer een dun draadje was. Heel kwetsbaar, maar nog niet gebroken. Daar, in Nijmegen, was iemand die nog aan mij dacht, hoe pijnlijk ook. Iemand die de deur niet volledig dichtsloeg.

Voorzichtig glimlachte ik door mijn tranen heen. Misschien is dit niet het einde. Misschien praten we ooit, zonder verwijten, zonder rotzooi uit het verleden. Misschien kunnen we dan beiden echt verder samen, of alleen.

Voor nu is het genoeg om te weten dat hij af en toe nog aan mij denkt. Dat hij me niet heeft uitgewist uit zijn leven, maar als een stukje geschiedenis bewaart.

En dat is voorlopig genoeg.

Please rate
Bagattia News
Ik haat je niet, echt niet