LIENEKEN
Sergius van Veen keek nors naar de broek en het overhemd voor hem, wierp ze met een geërgerd gebaar terug op de stoel. Hoe kon hij hiermee de deur uit? De broek zat vol kreukels, geen plooi te bekennen, glom opvallend op de billen, en na zijn recente vijf kilo gewichtsverlies hing hij erin als in een aardappelzak. En het overhemd? Het ooit lichtblauwe was nu flets en bijna grauw, de manchetten waren gerafeld en de kraag slap en vormeloos een regelrechte schande! Lieneken zou hem zo nooit eens naar de dorpswinkel hebben laten gaan, laat staan dat hij er colleges in gaf aan de universiteit. Kleren deden hem nooit iets, maar hij was altijd tot in de puntjes verzorgd, bijna een heer van stand. Nu niet meer.
Hij had nooit gemerkt hoe de overhemden wisselden, de pakken, de jassen en schoenen als vanzelfsprekend klaar hingen, alleen maar omdat je je hand in de kast stak of Lieneken even attendeerde dat hij iets representatiefs nodig had. Lieneken, Lieneken, wat heb je me toch geflikt? Wat bezielde je? Sergius had nooit zon verraad van haar verwacht! Ze was bijna tien jaar jonger, nooit ernstig ziek geweest, en deze keer leek het gewoon een ordinaire griep drie dagen wat koorts, een irritante hoest. Naar de huisarts was ze niet gegaan als ze niet, vanwege het schooljaar en het invullen van haar medische verklaring, met de andere onderwijzers naar de praktijk was getrokken.
Het leek zon formaliteit, die huisarts aan de rand van Amsterdam, en toch stuurden ze haar rechtstreeks door naar het ziekenhuis. Toen begon het draaikolk van zorgen waar hij zijn hoofd niet bij kon houden, en bij de jaarwisseling was het ineens voorbij. Sergius begreep het verstandelijk allemaal wel, maar hij haatte die huisartsenpraktijk alsof die Lieneken had vermoord terwijl juist daar het alarm werd geslagen! Maar voor hem, als een kind, leek het alsof daar alles fout was gegaan en het dus ook hún schuld was.
Hij had Lieneken leren kennen toen hij als promovendus in Delft seminars gaf over integraalrekening en de eerstejaars Lieneken één van zijn studenten was. Het was achteraf een raadsel hoe hij op haar lette, terwijl hij altijd viel op opvallende, luidruchtige types. Zij was juist een jeugdig, onverschrokken meisje met blozende wangen, sproetjes die s winters net zo vurig kleurden, en korte vingers met afgekloven nagels en inktvlekken. Op die vingertjes was hij gevallen. Vertederd, zonder het door te hebben, raakte hij aan haar gehecht; bracht haar thuis, ging eten bij haar oma in Hilversum, samen pannenkoeken bakken. Daarna was trouwen slechts een formaliteit.
Die veertig gezamenlijke jaren had Lieneken haar omvang verdubbeld, haar vlechten afgeknipt, gerookt als een schoorsteen, en werd ze adjunct-directeur van een Amsterdamse school voor wiskunde. Sergius zag altijd haar kinderlijke handen, haar rafelige nagels, zijn hart kromp nog steeds als hij naar haar keek geen ander deed ertoe. Hun leven was allesbehalve idyllisch; in veertig jaar gebeurde er van alles. Sergius had zijn misstappen, enkele onbenullige en twee zware, waarbij hij zelfs het huis verliet. Maar Lieneken kon er ook wat van; drie jaar lang was ze heimelijk met de directeur van een groot bedrijf aan de Zuidas. Hun twee dochters waren uiteindelijk de ankers die hun gezamenlijk schip door alle stormen hielden.
Eerlijk was het niet altijd geweest: eerst leefden ze armzalig op een postzegelflatje in Zwolle, en later draaiden hun dagen om muziek- en tekenlessen dan wel schaatswedstrijden en eindeloze kinderziektes. Nu waren ze gegroeid naar een ruim appartement in Utrecht, de dochters woonden zelfstandig in Rotterdam en Groningen, zelden kwamen de kleinkinderen nog langs. Juist nu alles kon, na al dat hard ploeteren, had Lieneken hem onbevattelijk achtergelaten. Zonder handleiding voor het zijn alleen.
Het verlies kwam zo onverwachts, dat Sergius niet eens direct begreep wat er speelde. Op de begrafenis hield hij zich meer als een jarige dan als weduwnaar veel aanwezigen fluisterden dat zijn verdriet blijkbaar niet diep ging. Dat was oneerlijk; hij voelde het pas scherp, maanden later toen de lente inviel. Zijn energie vloeide weg, hij was mager geworden, kon het huis niet meer verdragen.
Er was geen sprake van dat hij bij zijn dochters kon intrekken. De ene dook met milieubeschermers de wereld rond, redde bruinvissen in het Wad, telde trekvogels bij de Waddeneilanden. De ander woonde bij haar man in Eindhoven, verslond zich in haar zoon voor Sergius was in haar huishouden nauwelijks ruimte. Dus ging hij langs bij vrienden.
Maar gezellig kon je het niet noemen: hij kwam onaangekondigd s ochtends, at gulzig, dommelde in een stoel, nam thee met speculaas of lange vingers, liet zich bedelven onder kruimels in zijn oubollig overhemd en zat stil bij hun keukentafels, tot het moment kwam dat hij kon vertrekken, alleen om enkele dagen later weer aan te schuiven.
Thuis kookte hij nauwelijks, terwijl hij altijd de kok was geweest. Voor zichzelf alleen had hij er gewoon geen zin meer in. Hij verviel snel aan de buitenkant, werd oud en leeg, en zijn vrienden schrokken ervan: hij moest nodig opnieuw aan de vrouw.
En nu moest hij opnieuw met een zekere Anne-Konstantien naar het theater. Dat zou toch niks worden alleen met Lieneken hield hij het soms voor haar gezicht uit, al vond hij theater meestal kitsch, gemaakt, oervervelend of zwaar middelmatig. Maar Lieneken had die glans in haar ogen, spaarde de programmaboekjes en kon de voorstellingen bij thuiskomst woord voor woord navertellen; hoe kon hij weigeren?
Nu gaven zijn zelfbenoemde beschermengelen hem voor de zoveelste keer kaartjes, sleepte hij zich, strompelend in smalle nette schoenen, met een stekende rug en tussen plassen smeltende sneeuw, naar deze absurde voorstellingen. Bij de pauze trakteerde hij deze oude juffrouwen op appelsap en slappe gebakjes, verlangend naar het kussen in zijn lege Utrechtse slaapkamer dat nog steeds rook naar Lieneken, of tenminste zo leek het hem. Maar weigeren kon hij niet. En hij wist best, rationeel, dat hij het niet redde in zijn eentje. Al begreep hij vaak niet waarom hij eigenlijk moest doorgaan.
Deze Anne-Konstantien bleek nog verrassend jong ogend en keurig. Tien jaar geleden zou ze zelfs zijn type geweest kunnen zijn: vijftien jaar jonger, klein, verzorgd, intelligent en sociaal vaardig. Bij haar voelde Sergius zich dubbel zo oud en versleten, maar haar interesse in hem was overduidelijk; ze kwam meteen met voorstellen voor de komende weekenden.
Het stuk was gelukkig uit te houden kort en zonder pauze. Daarna zou hij haar eigenlijk mee moeten nemen naar een café, maar het lot was hem gunstig gezind: Anne-Konstantien vond zichzelf een meesterlijke stoofmakers en nodigde Sergius uit voor een spontaan diner bij haar thuis in de Rivierenbuurt. De uitnodiging was overduidelijk voorbereid, maar hij snakte zo naar huiselijke warmte dat hij geen moment twijfelde en dankbaar instemde.
In haar kleine, glanzende appartementje hing de geur van kaneel en vanille. Anne trok zich heel even terug, kwam in een sportieve huisoutfit terug, waardoor ze jeugdiger leek dan ooit, en sprong moeiteloos tussen fornuis en tafel. Ze bediende Sergius vlot, praatte makkelijk, en even dacht hij dat zon gezellig huisje precies was wat hij nodig had een manier om zijn verstikkende verleden te vergeten en opnieuw te beginnen, eindelijk vrij van herinneringen die hem dag en nacht achtervolgden.
Maar Sergius liep onwillig terug naar huis, diep in de nacht; de volgende dag spraken zij en Anne af een tentoonstelling te bezoeken in het Museum voor Moderne Kunst, daarna zou ze hem mee kleding kopen want als compagnon van een dame hoorde je je niet te schamen! En zaterdag stond er bij Anne een familiair lunch op het programma. Eigenlijk had ze hem het liefst meegenomen naar haar buitenhuis in de bossen, maar haar dochter had gevraagd de kleindochter uit Amstelveen op te vangen, dus zouden ze zaterdag gezellig thuis eten en het uitstapje uitstellen tot zondag.
Zaterdagochtend haastte Sergius zich naar de kapper, zag er spontaan vijf jaar jonger uit, trok zijn nieuwe geruite overhemd aan, een soepele fluwelen spijkerbroek, scoorde bloemen en een chocoladereep voor de kleindochter, en stapte vrolijk het trappenhuis in het rook hier heerlijk naar gebraden eend en appeltaart. Zingend stapte hij de lift in en glimlachte naar zijn eigen spiegelbeeld.
Anne verwelkomde hem warm, haast alsof ze haar geliefde terugzag uit de oorlog, en dirigeerde hem direct naar de keuken voor de lunch.
Waar is je kleindochter? vroeg Sergius.
Komt zo, die zat te mokken op haar kamer, had geen zin de deur uit te komen, grinnikte Anne.
Sergius zette ondertussen de bloemen in een vaas, opende een fles wijn en sinaasappelsap voor het meisje, sneed het brood en nam plaats aan tafel.
Maak kennis, Sergius! riep Anne opgewekt. Dit is mijn kleindochter, Lieneken!
Hij zag direct grote, heldere ogen, roze wangen, een paar verdwaalde sproeten op een guitige neus. Lieneken keek hem achterdochtig aan, zenuwachtig knabbelend op een nagel van haar duim. Als ik nu maar niet hier dood neerval, dacht Sergius, stond abrupt op en liep zonder een woord de kamer uit…







