Het nieuws dat hij een dochter had gekregen, bereikt Teunis van Dijk op de administratie van het houtbedrijf. Het is op die dag dat het loon wordt uitgekeerd. De mannen vertrekken al, met hun lege koffieblikken in de hand, terwijl Teunis nog bij de poort staat, verfrommelde eurobiljetten in zijn vuist.
Kijk nou toch, wat een pech, mompelt Teunis tussen zijn tanden, een spuw in het zaagsel. Ik had mn vrouw nog zo gevraagd: geef me een zoon. Moet ze me een meid aansmeren.
Vanbinnen kookt hij van boosheid en teleurstelling op zijn vrouw, Agaath. Hij voelt zon woede, dat hij niet eens naar huis wil. Nu Agaath met hun pasgeborene nog in het streekziekenhuis ligt, pakt Teunis zijn paar spulletjes in een canvas zak, propt er wat schone was en een homp brood bij, en steekt het riviertje de Vecht over naar het dorpje aan de andere kant, waar zijn moeder woont vijftien kilometer verderop.
Twee weken na de bevalling keert Agaath terug naar het lege huis. Ze stapt naar binnen, bekijkt de opgeruimde kamer blijkbaar heeft Teunis toch nog wat opgeruimd voor hij vertrok. Ze legt het in een deken gewikkelde bundeltje op bed, en zakt huilend op een kruk. Haar schouders schokken. De dochter, klein en stil, slaapt rustig, soms smakgeluidjes makend met haar lipjes. Agaath kijkt naar haar en denkt bitter: Wie had kunnen weten dat jij, mijn bloedje, alles zo op zn kop zou zetten?
Teunis is een stevige vent, vierkante kaak, kenmerkend nuchter, in het dorp worden mannen als hij kopstukken genoemd. Hij duldde geen tegenspraak; elke andere mening was voor hem een aanval. Hij had in zijn hoofd gestampt dat hij een zoon moest een erfgenaam, net als hijzelf, de jongste na twee zussen, en volgens hem hingen de Van Dijks op zijn schouders. En nu krijgt hij een meisje. Een blok aan het been.
Zijn moeder probeert hem om te praten, maar Teunis blijft stug: Zolang dat meisje bij ons is, kom ik niet terug. Vijftien kilometer voelt voor Agaath als een onoverbrugbare kloof.
Toen Agaath na de bevalling bijgetrokken is, pakt ze haar leven weer op. Zwangerschapsverlof is er nauwelijks in 1957: het werk op het erf wacht, net als de boerderij. In de hoop dat het Teunis milder stemt, geeft ze haar dochter een jongensnaam: Jiska stoer en eigenwijs, typisch Hollands. Het meisje groeit sterk en makkelijk op. Geen gehuil, geen gezeur. Na zes maanden klimt ze al aan de spijlen van het ledikant, en na een jaar is ze onafscheidelijk van het houten hobbelpaardje dat de buurman getimmerd heeft. Jiska is vroeg met lopen en praten een jaar en ze kletst. Binnen de kortste keren sjeest ze rond als een wervelwind, zoals oma het noemt.
Op de crèche pakt Jiska meteen de leiding. Ze is rap, kordaat en sterk. Jongens gaan haar uit de weg, ook al zijn ze ouder. Drie jaar is ze als ze de vijfjarige buurjongen een halt toeroept als hij haar schepje wil afpakken. Al jong ontwikkelt ze een eigen karakter: niet bij iedereen op schoot, niet luisteren naar elk commando. Ze rent in haar opgelapte schort over het erf, bewoapend met een wilgentak om de koeien van de buren uit de moestuin te jagen. Waar haalt zon klein meisje die lef vandaan?
Teunis vindt intussen troost bij Klazien, een gescheiden vrouw met twee kinderen. Het begint uit verveling, maar Klazien, kordaat en vindingrijk, weet hem in te palmen. Ze belooft hem: Ik zal jou een kind geven, Teunis, de beste van allemaal. Maar dan wel een zoon! bromt Teunis, al klinkt zijn stem al minder streng.
De tijd gaat voorbij, maar Klazien raakt niet zwanger. Misschien probeert ze het wel, maar het lukt gewoon niet. Twee jaar gaan voorbij, Teunis trekt wit weg. Andermans kinderen opvoeden is niks aan, hij verlangt naar zijn eigen bloed.
Wanneer hij hoort dat zijn dochter, Jiska, zich wel als een ventje ontvouwt sterk, rechtvaardig, dapper begint iets te kriebelen. Oma dringt er nogmaals op aan: Ga kijken naar je kind. Bloed kruipt waar het niet gaan kan. Misschien was Teunis niet gegaan als hij niet bij Klazien gedroogde wortels en gekke kruiden vindt, verstopt achter de kast. Hij vermoedt duistere krachten en hoort van haar bezoekjes aan de plaatselijke kruidenvrouw.
Diezelfde dag pakt Teunis zijn boeltje en vertrekt met een klap, waarna Klazien hem achterna gilt dat het voor hun vruchtbaarheid is maar hij is al gevlogen.
Na bijna vier jaar komt Teunis weer thuis. Voor het eerst ziet hij zijn dochter. Ze staat mager en wild in een vaal katoenen rok in het midden van de kamer en kijkt hem fel, onderzoekend aan. Een vreemde. Het koekje dat hij uit zijn zak tovert, weigert ze.
Die kijkt je wel aan, zeg, moppert Teunis terwijl het hem onrustig maakt. Zeker opgehitst? Hij kijkt Agaath verwijtend aan.
Agaath, die opgelucht is haar man te zien, gebaart druk:
Ach, Teunis! Ik heb alleen maar goed over je gepraat. Hopend dat je terug zou komen. Toch familie.
Ze houdt nog steeds van hem, ondanks al zijn hardheid of beter gezegd: wreedheid. Zwijgzaam, altijd ontevreden, één klap op tafel en iedereen weet genoeg. Soms zelfs haar een dreun gevend. En die hand heeft hij de laatste tijd vaker opgestoken.
Jiska is vijf jaar nu; ze begrijpt steeds meer. Zodra haar vader kwaad naar haar moeder kijkt, balt ze haar vuistje: Stomme boeman! Wacht maar, ik zal je!
Het vuistje is onschuldig, kinderlijk. Toch ergert Teunis zich aan haar verzet iets wat hij bij zichzelf onderdrukt.
Rust keert terug als Agaath een zoon krijgt Peter. Meteen draagt Jiska zorg: ze sleept hem op haar rug, voedt hem met de lepel, speelt, verschoont, zorgt dat hij leert lopen.
Teunis is opgelucht, maar zijn vreugde is gereserveerd, zwijgend. Zoals altijd tiranniseert hij het gezin, alles moet naar zijn wil.
Agaath buigt gelaten voor de vloeken, zolang hij haar maar niet slaat.
Jiska, nu zeven, stampt soms hard met haar voet en roept: Ik ga het de politie vertellen!
Teunis schiet dan overeind van woede: Wat denk je wel, snotaap, wie denk je dat je bent?
Eens probeer hij haar te slaan met een dunne tak, maar Jiska zwijgt, houdt het in, alleen haar kaken gespannen om het schort. Teunis is tevreden: eindelijk onder controle. Maar de dag erna brengt Jiska echt de wijkagent mee.
Agaath schrikt: zo eigenwijs had ze haar dochter niet verwacht. Ze gaat pleiten:
Meneer de agent, je mag je eigen kind toch opvoeden? Teunis is een harde werker, zorgt voor het gezin Dat weet iedereen hier.
Agent Jan Groeneveld zet z’n pet af, veegt het zweet van z’n voorhoofd:
Maar Agaath, je moet uitkijken. Dit kan over een poosje wel serieus worden, tot aan het gemeentehuis aan toe. Voor nu: let op.
Teunis kijkt schuldbewust naar de vloer, speelt de spijtige man:
Kijk nou toch: de politie erbij halen! Wat als zon kind je straks de baas wordt? Wat dan? Niemand in het dorp klaagt over Teunis, hij drinkt niet, heeft een vaste baan geen reden tot ingrijpen.
Vanaf dat moment is Teunis voorzichtiger met Jiska, maar soms kijkt hij haar met afkeer aan en snauwt: Jouw brutale aap
Agaath vermoedt dat de storm voorbij is en raakt weer zwanger. Nog een dochter, Natasja. Teunis houdt zich afzijdig; bemoeit zich amper. De zorg komt uiteindelijk opnieuw op Jiska neer.
Jiska, inmiddels op de basisschool, haalt haar diploma en zegt vastberaden: In de stad ga ik verder leren. Teunis wordt rood, zijn rossige haar lijkt recht overeind te staan.
En van wat ga je leven dan? Ga je mama en mij nog meer belasten? Hebben we je niet al genoeg gevoed en gekleed?
Jiska, vijftien nu, stevig en zelfverzekerd, kijkt hem recht aan: Ik heb je geld niet nodig. Zorg eerst maar dat de jongste te eten krijgen.
Zijn hand schiet naar de riem, Jiska staat paraat naast het fornuis, wed met de vuurhaak.
Probeer het maar! Je zal er spijt van krijgen!
Agaath springt ertussen. Teunis ziet haar vastberaden gelaat en weet: dit is menens. Hij gooit zn riem neer en vlucht naar buiten, scheldend.
Ga maar, dochter, fluistert Agaath onder tranen. School is je kans. Ga maar.
Je zou moeten scheiden! roept Jiska.
‘Je bent niet wijs! Wat stel je voor aan je moeder?’
‘Hoe lang wil je je laten kleineren?’ snuift Jiska.
‘Dat hebben we nu eenmaal zo geleerd,’ verzucht Agaath.
Zoals je wilt maar voor jou buig ik niet langer. Ik kom niet terug, ook al haal ik school niet.
In de stad vindt Jiska alles overweldigend. De keuze voor de technische school is logisch: machines spraken haar altijd aan, het rumoer, de smeer van de lokale werkplaats trekt haar. Ze doorstaat de examens glansrijk door haar basisschoolkennis en vastberadenheid.
Op de studentenkamer krijgt ze gezelschap van Marije, een vrolijk, geblondeerd meisje uit een dorpje verderop. Marije komt vooral voor de leuke jongens. Denk je niet dat die Koen, de grote, wat voor mij is? Zijn vader schijnt directeur te zijn
Kan mij niet schelen, zegt Jiska, verdiept in haar aantekeningen. Ik ben hier om te leren.
Jij gek! lacht Marije. Jiska vindt een schoonmaakbaan in de katoenfabriek; het is weinig geld, maar voldoende.
De hydraulica-docent, meneer Hendrik van Loon, maakt indruk. Jong, scherp, brilletje op, netjes. Marije vindt hem helemaal wat, maar de studenten nemen aanvankelijk een loopje met hem. Tot Jiska haar voeten neerzet:
Kappen nou, jongens. Ik wil leren wie niet, kan vertrekken!
Iedereen weet: je legt het af tegen Jiska van Dijk. De sfeer slaat om. Hendrik bedankt haar later oprecht.
De jaren gaan voorbij. Jiska bezoekt thuis nog zelden alleen als er hulp nodig is op het land, bij de oogst. De band met haar vader blijft stroef; ze helpt haar moeder financieel en bij noodgevallen. De jongere broer en zus vergeten haar aandeel al snel.
Na haar examen trouwt Marije, scheiden Jiskas broer en zus op hun tenten als stadskinderen. Jiska vraagt zich af of haar ook ooit een normaal leven met een gezin is gegund.
Op een avond op een dansfeest vraagt Willem de Bruin haar ten dans een voorzichtige, stille kerel. Dat wordt haar man, ze krijgen samen een dochter, Lianne. Al snel merkt ze dat Willem lui wordt, zijn hart niet meer bij haar ligt. Hun huwelijk strandt; Jiska staat er alleen voor. Ze heeft haar baan in de fabriek, haar flat van de zaak, en Lianne, die naar de crèche gaat.
Inmiddels woont haar broer Peter bij haar in, hij leert voor chauffeur. Peter kijkt zijn ogen uit eigen woning, waterleiding, alles proper en zijn grote zus die alles runt. Hij bewondert haar kracht en zelfstandigheid.
Marije scheidt inmiddels ook, haar man bleek niet volwaardig. Ze huilt uit bij Jiska. Jij hebt gelijk, geld maakt niet gelukkig stabiliteit, dat is het. Zon man als jouw docent Hendrik die zou ik willen.
Jiska haalt haar schouders op, maar de naam Hendrik blijft hangen. Op een avond in het café De Glazen Bol, loopt ze hem tegen het lijf. Hij zit verdiept in een boek. Ze maakt een praatje en het oude vertrouwde gevoel keert terug. Ze lopen samen naar huis. Hendrik nodigt haar uit op zijn volkstuintje, waar hij een huis bouwt.
Als er op een dag schimmige types op het plot verschijnen om koper te stelen, springt Jiska, zonder na te denken, met een hakbijl naar buiten en jaagt de dieven weg. Hendrik kijkt haar vol ontzag aan. Het is het begin van hun liefde.
Een maand later vraagt Hendrik haar ten huwelijk. Zij huilt voor het eerst in jaren. Ze trouwen in het gemeentehuis, een bescheiden bruiloft, familie bij elkaar. Haar vader komt, nors maar aanwezig, en spreekt voor het eerst warme woorden over zijn dochter.
Het leven lacht ze toe. In het huis aan de rand van het dorp groeien Jiska, Hendrik en Lianne vreedzaam. De boomgaard bloeit, moeder Agaath komt vaak helpen. Vader Teunis schuift steeds vaker aan de tuintafel, drinkt een kopje thee, loopt met Lianne langs de Vecht.
Op een lome zomerse avond, als de lucht goudroze kleurt boven de appelbomen, vraagt Lianne: Mam, ben je gelukkig?
Jiska kijkt naar haar man en dochter, het huis, de tuin. Denkt terug aan alles wat ze overwon en weet opeens: Ja, ik ben gelukkig.
Hendrik trekt haar tegen zich aan.
Lianne huppelt de tuin in, terwijl de avond langzaam valt. De komende jaren beloven goed te worden een tijd van rust en gemeende liefde. Het verleden is verleden: haar plek in de wereld is eindelijk die van waardigheid, kracht en warmte.







