Terug is geen optie
Margriet zette haar theekopje op tafel en keek naar haar man. Hij stond in de hal voor de spiegel, zijn nieuwe overhemd netjes in model trekkend. Het was een smal model, fijn geruit zoals jongens van vijfentwintig dragen, niet mannen die over een maand Abraham gaan zien.
Hugo, ga je naar je werk of ergens anders heen?
Naar mn werk natuurlijk, waar anders.
Gewoon nieuwsgierig. Je droeg vroeger nooit zoiets.
Hij draaide zich om. Er zat iets anders in zijn blik. Afstandelijk, haast gejaagd. Alsof hij ergens moest zijn en zij in de weg stond.
Margriet, mensen vernieuwen hun garderobe. Das toch normaal.
Ik zeg toch niks.
Precies, je zegt niks, maar kijkt wel.
Hij trok zijn nieuwe, korte, donkerblauwe jas aan. Niet de grijze die al zeven jaar aan het haakje hing. Margriet volgde hem met haar ogen, pakte haar kopje en liep naar de keuken. Buiten was het begin maart: grijs, nat, en typisch Hollands. Op de vensterbank stond haar geranium, die trouw elke dinsdag water kreeg. Donkergroene bladeren, licht prikkelende huiselijke geur. Ze leunde met haar voorhoofd tegen het raam en dacht: de laatste keer dat ze samen iets hadden gedaan was in oktober geweest. Naar het theater, dat zij leuk vond. Hij had de hele terugweg gezwegen.
Vijfentwintig jaar. Ze hield allang niet meer bij hoeveel dagen dat waren.
Margriet werkte als boekhoudster bij een klein bouwbedrijf aan de rand van Gouda. Rustige plek, vertrouwde gezichten, en niemand wisselde graag van baan. Iedereen noemde haar steevast mevrouw Jansen, zelfs de oudere collegas. Ze was precies, keurig, nooit te laat, nooit te vroeg weg. Thuis was alles net zo op orde. Elke zondag een schone loper op tafel, gestreept linnen, licht en fris. Haar ochtendjas, zacht badstof en melkachtig wit, had ze drie jaar geleden gekocht zorgvuldig bewaard. s Avonds zat ze graag met een boek, thee en zelfgemaakte zwarte-bessenjam, in augustus geweckt volgens Hollands gebruik. Haar leven liep als een goedgepast jurkje niet te groot, niet te klein, niks overbodigs.
Met Hugo veranderde er iets rond februari. Hij had zich ineens ingeschreven bij de sportschool. Op zichzelf niks bijzonders, maar wel de toon: niet “ik wil fit blijven”, maar “ik ben dat slome lijf zat”. Margriet had het gelaten opgevat. Mannen rond hun vijftigste moeten weleens wat, ze had dat vaker gehoord. Midlifecrisis sportscholen, diëten, nog even bewijzen dat ze wat waard zijn. Moest hij zich maar uitleven. Gezondheid, toch?
Daarna kwam een nieuwe aftershave. Zoetig, scherp, licht chemisch. Heel wat anders dan de subtiele houtgeur van vroeger. De geur bleef na hem in de gang hangen. Margriet bestudeerde het flesje in de badkamer een buitenlandse naam, zwart met zilveren letters. Ze zette het zonder commentaar terug.
Toen volgden meer overhemden. Nog eentje. Toen een strakke, dure spijkerbroek, per toeval gezien toen zij de kast uitmestte. Ze hing hem zwijgend terug.
In maart bleef Hugo steeds vaker nog even op kantoor. Eerst één avond per week, toen meer. Vergaderingen, projectruzies, even langs bij een vriend. Margriet luisterde en knikte. Na vijfentwintig jaar vertrouw je elkaar anders was al het voorgaande zinloos geweest.
Toch knaagde er iets. Niet luid, niet scherp, maar als een oude wond in de regen.
In april zag ze dat hij zijn telefoon anders vasthield. Vroeger lag dat ding gewoon ergens. Nu zat het in zijn zak, zelfs tijdens het eten. Ging het scherm af, liep hij de gang op. Eén keer betrapte ze hem: zij kwam de keuken in, hij draaide het toestel vliegensvlug om en vroeg of ze hulp wilde bij het avondeten. Hij had haar werkelijk nog nooit gevraagd te helpen met koken.
Haar vriendin Annemiek, vriendin sinds de HAVO, was recht voor zn raap:
Margriet, zie je het niet? Typisch midlife. Mijn Leo kocht op zn achtenveertigste een motor. Drie maanden stoer doen in zn leren jack, toen had hij de balen en verkocht hij het ding weer.
Hugo is niet zo.
Dat denken ze allemaal, totdat ze het toch blijken te zijn.
Annemiek, doe niet zo overdreven.
Ik zeg het gewoon. Kijk goed om je heen.
Margriet keek. En hoe meer ze keek, hoe minder ze snapte wat ze eigenlijk zag. Hugo was thuis, at, sliep, praatte soms over zijn werk, het lek in de badkamer. Alles zoals altijd, en toch niet. Een vreemde vertrouwdheid. Niet onaardig, niet bot, maar hij leek zijn eigen leven te draaien, zijn woorden bijzaak.
Op een avond, hun bekende theeritueel, durfde ze het aan. Ze schonk hem eerst in, zoals altijd, zette een schaaltje koekjes op tafel.
Is alles goed met je, Hugo?
Ja hoor.
Je bent zo afwezig de laatste tijd.
Hij keek even op.
Werk is zwaar. Stress.
Begrijp ik. Ik vraag het gewoon.
Er is niks aan de hand, zei hij, en pakte een koekje.
De mei was zacht dat jaar. Margriet zette petunias op het balkon, traditiegetrouw gekocht bij het oude dametje op de markt. Rood en wit, rij aan rij in lange bakken. Elke ochtend sproeien, zien of er al knoppen kwamen haar kleine geluk zonder moeilijke vragen.
In mei kwam Hugo soms niet voor middernacht thuis. Zakendiners, zo heette het. Margriet zweeg. Ze luisterde naar hem die zich stil in de badkamer omkleedde, de krakende plank bij het bed. Inslapen lukte vervolgens maar slecht.
Op een regenachtige avond vroeg ze het direct:
Hugo, heb je iemand anders?
Hij aarzelde, net iets te lang voor een simpel nee.
Waarom denk je dat?
Gewoon.
Margriet, verzin niks.
Prima. Ze vroeg niet meer.
Maar binnenin verschoof iets. Geen breuk, geen ramp. Een kast die een stukje uit het lood is gezet, waardoor de kamer vreemd aanvoelt.
Zomer: af en toe sliep Hugo bij een vriend. Eén keer, toen weer. Margriet stopte zijn overhemd in een tasje zonder commentaar. Misschien had Annemiek toch gelijk gewoon een midlifecrisis. Gaat vanzelf weer over. Ook mannen van vijftig raken weleens de weg kwijt en komen weer thuis. Vijfentwintig jaar smijt je niet zomaar bij het oud papier.
Half juli zat hij ineens aan de keukentafel, die ruitjesblouse uit maart aan. Vouwde zijn handen, staarde uit het raam naar de geranium. Margriet hield haar kopje vast. Ze wist wat er zou komen misschien al maanden.
Margriet, we moeten praten.
Zeg het maar.
Ik ga weg.
Ze zette haar kopje neer. De thee was nog warm, haar hand voelde de hitte door het keramiek.
Naar wie?
Hij aarzelde.
Ze heet Carlijne. Ze is tweeëntwintig. Ik ken haar sinds een half jaar.
Op het balkon naast hen werden bloemen gesproeid, het water tikte gelijkmatig op het balkon hieronder.
Dus vanaf februari, zei Margriet.
Zo ongeveer.
Toen je die nieuwe overhemden kocht.
Margriet
Ik verwijt niks. Ik probeer het plaatje compleet te krijgen.
Hij keek haar aan met een soort ongemakkelijke spijt. Alsof hij huil, drift, drama verwachtte iets waardoor hij zich rechtvaardig zou voelen.
Je snapt het niet, zei hij uiteindelijk. Ik wil weer voelen dat ik leef. Dat er nog iets in het verschiet ligt. Kijk ons eens: bejaarden zijn het!
Je bent negen-en-veertig, Hugo.
Nou precies.
Ik snap je punt niet.
Hij stond op. Rommelde, zette haar kopje in de spoelbak. Zinloos handelingetje om haar blik te ontwijken.
We leven als huisgenoten, dat weet je zelf ook. Elke dag hetzelfde: tafelkleed, geranium, thee klokslag acht. Dit is geen leven, Margriet. Dit is doods.
Het is een thuis, zei ze zacht. Vijfentwintig jaar aan gebouwd.
Ik weet het. En daar ben ik je dankbaar voor. Maar ik kan het niet meer.
Margriet keek naar hem en dacht dat ze hem nauwelijks kende. Niet omdat hij veranderd was. Misschien was hij altijd al zo zij had gewoon een ander beeld willen zien.
Haal je vandaag je spullen?
Kennelijk onverwachte vraag.
Nee, dat komt later.
Goed.
Ze goot haar thee leeg en zette de kop naast die van hem. Toen droogde ze haar handen en liep weg. In de woonkamer raam opengezet; buiten was het warm, asfaltgeur en een vleugje lindebloesem. Ze stond daar en ademde. Dacht aan de plantenbakken die morgen water moesten. Aan dat de boter bijna op was.
Soms redt een mens zijn hoofd met zulke huis-tuin-en-keuken-zaken beter dan met diepe gesprekken.
De eerste weken na zijn vertrek waren vreemd. Niet verpletterend ze stond op, at, werkte, gaf trouw haar bloemen water. Maar het huis klonk anders. Te stil. Zijn spullen verdwenen uit de badkamer, de kapstok was te leeg. Margriet kocht een nieuwe haak en hing daar haar tas, zodat het gat gevuld was.
Annemiek kwam meteen het eerste weekend. Ze bracht zelfgebakken witte-kooltaart mee en bleef tot het donker werd.
Hoe is het nou echt?
Gaat wel.
Margriet, serieus.
Serieus dus: gaat wel. Slecht, maar gaat wel. Snap je dat?
Tuurlijk, Annemiek was even stil. Was het een fatsoenlijk gesprek?
Best wel. Hij vond het een moeras: bejaarden en sleur.
Moeras, ja hoor.
Zijn moeras, niet het mijne.
Margriet schonk thee bij. Buiten werd het avond, de keuken zacht verlicht, taart op de plank, behaaglijk. Margriet wist: ik kan het goed inrichten, zon huis. Alleen is zoiets vooral bedoeld voor zn tweeën.
Annemiek, ze is dus tweeëntwintig.
Ik heb het al gehoord.
Geen jaloezie hoor. Gewoon, rare rekensom: toen ik tweeëntwintig was, was Hugo al een volwassen vent. En nu is zij zo oud als ik toen.
Hij wil zijn jeugd terug, dat willen ze allemaal.
Tijd komt nooit terug.
Nee. Maar daar moet hij zelf nog achterkomen.
Margriet zei niks. Er was iets wat zij zelf ook nog moet begrijpen maar ze wist nog niet wat. Alles voelde net even scheef, alsof een kast was verschoven. Je loopt in dezelfde ruimte, maar het klopt niet.
Op het werk merkte niemand iets; Margriet Jansen was sowieso nooit de grootste prater. De jonge Katelijne vroeg een keer of alles goed ging. Margriet zei dat ze gewoon wat moe was. Katelijne kwam even later langs met koffie uit de automaat; onverwacht lief.
Augustus ging voorbij in een soort verdoving. Niet echt goed, niet echt slecht gewoon vreemd. Margriet maakte jam, zoals altijd. De afgeschuimde restjes at ze zelf, op witbrood. De zwarte bessen waren groot en zoet; een troostend rijtje potten op het schap. Het leven ging verder, gewoon omdat het niet anders kon.
Een keer belde Hugo over de laatste spullen. Zaterdag kwam hij. Ze liet hem binnen, zag hem zijn boeken, gereedschap en papieren pakken. Hij keek even naar de keuken, naar de geranium.
Hoe is het?
Gaat wel.
Neem het me niet kwalijk.
Doe ik niet, Hugo. Ik leef gewoon verder.
Hij knikte en ging. Zij hoorde zijn voetstappen wegsterven op de trap, maakte een omelet drie eitjes, wat bieslook. Daarna petunias controleren: ze waren al over hun hoogtepunt, september naderde.
In oktober werd de scheiding formeel geregeld. Zonder gedoe, vrij zakelijk. Margriet had een goede advocate jong, energiek, beetje overwerkt gezicht, maar snel en efficiënt. De flat stond al voor hun huwelijk op Margriets naam, dus veel viel er niet te verdelen. Hugo had kennelijk teveel aan zijn nieuwe leven om nog over het oude te willen kibbelen.
Ze liep de rechtbank uit, bleef even op de stoep staan. Druilerig weer, kraag omhoog, richting bushalte. Onderweg kocht ze een gevlochten broodje met maanzaad bij Bakker Bart. Thuis thee, een dikke plak brood. Uit het raam kijken hoe de bladeren zich lieten vallen, elk op zijn eigen tijd.
“Relatiepsychologie,” las ze later toevallig online, “leert dat de échte breuk vaak veel eerder plaatsvindt dan de feitelijke scheiding.” Dat klopte: het was al aan het rafelen toen ze zijn stilte in het theater zag, zijn ondersteboven gelegde telefoon. Ze wilde het alleen niet onder ogen zien.
November bracht kou en een nieuw ritme. Margriet begon, eindelijk, aan de aquarelcursus waar ze jaren over sprak maar nooit tijd voor vond. Elke woensdag in het buurthuis, verf en papier, onbekenden die niks van haar wisten. Haar schilderijen waren amateuristisch, vlekkerig, scheef maar ze genoot van de rust, kleuren, water.
De lerares, een oudere vrouw met opvallende zilveren oorbellen, zei op een keer:
U bent te voorzichtig met de verf. Gewoon, lef hebben. Het papier kan het aan.
Margriet dacht, ja, dat geldt eigenlijk voor veel dingen.
Annemiek bleef trouw bellen en soms op bezoek. Ze praatten over werk, boeken, de toestand in de wereld. Langzaamaan werd Hugo in hun gesprekken een voetnoot en dat stemde Margriet stil tevreden. Niet uit desinteresse, maar omdat het leven ruimte ging innemen waar eerst alleen verdriet zat.
Soms vroeg ze zich af: wat heb ik fout gedaan? Elke vrouw van haar leeftijd met een man die voor een jonge kiest, stelt zichzelf die vraag. Maar Margriet vond geen zinnig antwoord. Ze was trouw, zorgzaam, geen drama, werkte hard. Misschien lag haar fout daarin: dat ze dacht dat het genoeg was.
Maar zelfs die gedachte vervaagde weer, als de tram op de hoek want eigenlijk zou ze niet weten wat ze anders had moeten doen.
De winter was wit en koud. Margriet kocht nieuwe laarzen burgundy rood, lage hak, heerlijk warm. Een collega complimenteerde ze: “Ze staan je goed zo!” Ze dacht er de hele dag aan terug.
In januari belde Annemiek. Haar stem klonk nerveus.
Zit je?
Ik sta bij het fornuis. Wat is er?
Nog iets van Hugo gehoord?
Nee, geen contact.
Hij heeft een hartaanval gehad. In een of andere club.
Margriet draaide het gas uit.
Echt?
Ja, zei Tamara van zijn afdeling. Viel op de dansvloer. Ambulance erbij.
Leeft hij?
Ja hoor, ziekenhuis. Maar het was wel heftig.
Margriet zweeg even. Buiten dwarrelde de sneeuw breed, traag.
Hoe leefde hij sinds de scheiding?
Tja… Heel actief, zon beetje. Carlijne overal op sleeptouw. Clubs, feestjes, vroeg naar bed nooit. Hard trainen in de gym. Iets te veel van het goede, kennelijk.
Juist.
Ga je iets doen?
Ik weet het nog niet.
Ze hing op en keek naar de sneeuw, kinderen maakten een sneeuwpop achter de flat. Daar stond ze, probeerde uit te vogelen wat ze voelde. Iets dat leek op onrust, iets met vermoeidheid. En diep daaronder een klein, ongemakkelijk stukje opluchting dát ze hier stond, in haar eigen huis, en nergens anders hoefde te zijn.
De volgende dag belde ze het ziekenhuis. Ja hoor, afdeling B, bezoek mocht.
s Avonds pakte ze wat spullen: Spa rood, appels, een zakje biscuitjes van gister, gewoon uit gewoonte gebakken. Het ziekenhuis rook zoals elk ziekenhuis: warme lucht, ontsmetting, en een vage spanning. Margriet vond zijn kamer, werd door een moe-ogende verpleegkundige begeleid.
In de zaal lag Hugo bij het raam. Hij was veranderd of misschien viel het haar nu pas op. Magerder, grijzig gezicht, donkere kringen. Geen herboren Godenzoon, maar een man die zich had verslikt in zijn eigen wilde plannen.
Hij zag haar, leek niet te geloven wat hij zag.
Margriet
Hoi Hugo.
Ze zette de tas op het kastje, schoof een stoel aan, ging zitten.
Ik dacht niet dat je zou komen.
Maar ik ben er toch.
Hij keek haar aan, er speelde van alles in zijn blik, maar Margriet besloot het niet uit te pluizen.
Hoe voel je je?
Beter. Gisteren was vreselijk, vandaag beter. Ze houden me nog een week.
Goed zo. Gewoon blijven liggen.
Margriet Hij slikte. Carlijne is niet gekomen. Ik had haar gebeld toen ze me binnenbrachten. Ze zei: ik kom wel. Maar eh, ze kwam niet.
Margriet keek naar de appels in het tasje, toen naar hem.
Dat dacht ik al.
Hoezo?
Intuïtie.
Hij deed zijn ogen dicht, bleef een poos stil. Daarna:
Ik ben echt een sukkel geweest.
Blijkbaar.
Niet misschien, het is zo. Ik weet niet wat me bezield heeft. Ik keek naar die meid en dacht: ik ben weer vijfentwintig! Snap je?
Ja, ik snap het.
Maar eigenlijk was ik gewoon een oude dwaas waar ze medelijden mee had zolang het goed uitkwam.
Margriet zei niets. Buiten was een staalblauwe lucht, sneeuw op het kozijn.
Margriet, ik wil je echt om vergeving vragen.
Niet nu. Eerst uitzieken.
Het moet nu… Ik vergeleek jou met haar, terwijl ik je had moeten waarderen. Jij bouwde het huis, ik noemde het een moeras. Dat is niet eerlijk.
Margriet keek naar zijn handen op het laken. Die kende ze als haar broekzak. Handen veranderen minder dan een gezicht in vijfentwintig jaar.
Margriet. Ik wil terugkomen.
Stilte, dik als dektape.
Hoor je me?
Ik hoor je.
Ik wil terug. Ik heb ingezien dat ik zonder jou… Jij was het leven. Dat andere was iets anders.
Margriet stond op, liep naar het raam. Een kale kastanje, een duif op de tak. Ze dacht eerlijk na. Wat voelde ze nu voor deze man? Ze zocht naar iets levends, waar ooit iets levends zat. Maar vond vooral rust. Geen koude, geen wrok gewoon rust. Zoals pijn die eindelijk genezen is.
Hugo, zei ze zonder om te kijken, je komt wel weer op je pootjes terecht. Ze maken je beter, echt.
Maar Margriet, ik bedoel…
Ik wéét wat je bedoelt. Ik ben blij dat ik ben gekomen. Maar ik kom niet terug.
Hij keek naar haar, zijn gezicht verschoot iets.
Waarom niet?
Hoe zeg je: eerlijk, maar niet gemeen?
Omdat ik nu vooral medelijden voel, Hugo. Warmte, zorg. Maar geen gevoel dat er een leven in zit voor samen. Snap je? Verschil tussen houden van en je druk maken?
Maar je zou kunnen…
Nee. Sommige dingen komen niet meer terug. Niet omdat ik het niet wil. Ze zijn er gewoon niet meer. Zoals water in een opgedroogde sloot.
Margriet, alsjeblieft.
Ik kwam kijken omdat je nog telt voor me. Ik bracht appels, water. Echt, geen toneelspel. Maar samen verder dat is weg. Niet uit boosheid, maar omdat het niet meer bestaat.
Hij deed zijn ogen dicht. Na een pauze:
Ik snap het.
Fijn zo.
Ze pakte haar jas, sloeg hem om zich heen.
Ik geef de zuster een seintje dat ze extra op je let. Bel je trouwens even onze zoon? Hij moet het weten.
Ons contact is niet zo…
Doe het gewoon. Hij is je kind.
Ze pakte haar tas, liep naar de deur, keek toen even om.
Die appels zijn Elstar, van de markt. Lekker, moet je eten.
Ze ging en trok de deur zachtjes dicht.
Op de gang rook het naar ziekenhuiswarmte met een tikje bleek. Ze knikte naar de verpleging, daalde de trap af. Buitendeur open, frisse lucht, typisch Nederlandse winterstilte. Ze liep naar de bushalte.
De sneeuw stoof niet meer. Alles stil, helder. Er kraakte iets onder haar schoenen. Ze dacht: wat zal ik Annemiek straks zeggen? Misschien niks. Eerst maar zelf laten bezinken.
De bus kwam snel; ze schoof op een stoel bij het raam. De stad gleed voorbij: kale bomen, lantaarns, mensen met boodschappentassen. Het leven liep zoals het liep.
Wat zij nu dacht: het moeilijkste van een man die naar een jongere vrouw vertrekt, is niet het vertrek zelf. Het zwaarst is wat daarna komt. Niet blijven hongeren naar wraak of wachten; maar iets bouwen voor jezelf. Dat is moeilijker dan het klinkt.
Margriet keek uit het raam en dacht aan woensdag, haar aquarelles. De juf zei: deze week sneeuwlandschap. Reflecties in de sneeuw, blauwgrijs. Niet eenvoudig, maar ze zou het proberen.
Haar halte kwam snel. Ze stapte uit, trok haar kraag recht en liep naar huis. De route was bekend: hier een apotheek, daar de bakker, het speeltuintje met piepende wip, zelfs zonder kinderen.
Trap op, deur open. Binnen was het warm, rook het licht naar thuis. Sloffen aan, keuken in, water op voor thee. Streek het tafellaken recht licht, linnen, een smalle streep. Ze streek een kruimel weg.
Terwijl het water kookte, liep Margriet naar het raam. De geranium stond fier. De bladeren moesten een sopje eenvoudig klusje.
De ketel floot.
Ze schonk thee, vouwde haar handen om de mok, liet zich verwarmen.
Buiten ontstaken de straatlantaarns, vroeg en met tegenzin, zoals dat hoort in januari.
Margriet nipte en dacht: vrijdag maar eens naar de markt voor melk en eieren. Nog wat extra Elstars halen voor een appeltaart; Annemiek vroeg al tijden om dat recept.
Dat leek haar een prima vrijdagplan.
En woensdag zou ze sneeuw schilderen.
***
Daarbuiten denderde januari door, druk en doelloos. Maar in deze keuken met haar geranium was het stil. Helemaal van Margriet alleen. Die stilte zou ze niet meer afstaan.
Haar telefoon lag op tafel. Hij kon altijd bellen, nog een poging wagen. Ze wist dat ze dan zou opnemen. Vragen hoe het ging, hem streng toespreken over de dokters. Want ze kende geen andere manier.
Maar terug zou ze nooit gaan.
Weet je, Margriet Jansen, sprak ze hardop, haar stem stevig en rond in de stille keuken, het was geen moeras. Het was gewoon leven. Alleen niet van hem.
Ze dronk haar thee leeg. Spoelde het kopje schoon. Stak het leeslampje in haar kamer aan het grote licht was niks voor lezers.
Haar boek lag klaar, bladzijde gemarkeerd. Ze pakte het op, begon te lezen waar ze gebleven was. Buiten viel geruisloos de sneeuw. De geranium stond strak. Het laken lag glad op tafel.
Alles op zijn plek.







