En stel je voor, het lot wilde dus dat Anneke uitgerekend tijdens een sneeuwstorm moest bevallen. Volgens de berekeningen had ze nog drie weken te gaan, tijd zat, en dan zou die winterse bui misschien allang overgedreven zijn en had je rustig met dieper vriezend weer naar het ziekenhuis gekund. Maar nee hoor, het moest en zou nu gebeuren! Maar eerlijk is eerlijk: niet Anneke zelf, maar dat kleintje dat in haar buik zat, die had haast. Het werd hem blijkbaar té krap daarbinnen, en wat maakte een sneeuwstorm die al dagen aanhield nou uit?
Met zon weer komt er natuurlijk geen enkele auto het dorp in. De wegen waren compleet verdwenen onder een dikke laag sneeuw, soms zakte je er zeker tot aan je knieën doorheen. En het bleef alleen maar sneeuwen als je naar buiten keek via het kleine raam, zag je een eindeloze witte deken, met dwarrelende sneeuwvlokken alsof het meel uit een gescheurde zak was. Moest je dan tóch nog even naar de schuur voor iets, dan kreeg je direct die snijdende oostenwind in je gezicht, en je ogen vol sneeuw. Echt Hollands weer, maar niet op een fijne manier.
En net op zon dag besloot dat jongetje dus om geboren te worden. Al de hele ochtend liep Anneke maar wat heen en weer. Haar rug deed pijn, ze voelde zich zwaar en onrustig, maar kennis van zaken, dat had zij niet. De schoonmoeder, Truus, zag haar heen-en-weer geloop:
Joh Anneke, moet jij soms gaan bevallen? Waarom loop je zo te ijsberen?
Geen idee mam, maar ik voel me allesbehalve rustig.
Laat eens zien, dat buikje van je.
Nou snapte haar schoonmoeder er eerlijk gezegd helemaal niet zoveel van. Tegenwoordig doen de doktoren en verloskundigen alles, vroeger had je volop vakkundige vroedvrouwen in elk dorp. Nu was er nog maar eentje over in hun hele polder: Vrouwtje Vera, terwijl Truus zich herinnerde dat het er in haar tijd zeker drie waren.
Zo te zien is je buik gezakt, Anneke. Volgens mij wil jouw ventje echt komen.
Maar mam, het is toch nog te vroeg?
Nou meid, daar hebben wij niks over te vertellen, het is maar net wat Onze Lieve Heer beslist.
Anneke kreeg tranen in haar ogen. Ze vond het doodeng, het was haar eerste keer, niemand die het haar echt duidelijk kon maken. Haar schoonmoeder was zelf jaren geleden maar één keer bevallen, dat was allang vergeten.
Weet je wat, Anneke, ik ga Vera wel halen. Zet jij vast een emmer water op het fornuis: als ‘t kookt, zet je ‘m uit. En als je het redt, pak dan wat schone handdoeken en lakens; je weet waar alles ligt, maak het klaar. Maar geen paniek hoor, als het niet lukt, laat maar zitten. Toen ik Michel kreeg, zei Vrouwtje Vera ook: lopen, heen en weer blijven sjokken en ondertussen diep ademhalen. Dan gaat het sneller, zegt ze altijd. En ik ga onderweg ook nog even bij je moeder langs, dan roep ik haar meteen. Hou je taai hoor, kind. Vrouwtje Vera weet precies wat ze doet, vroeger kwamen ze uit heel de streek voor haar. Ze is écht de beste.
Ze knoopte haar sjaal nog wat strakker om, pakte een oude bezemsteel als wandelstok, en stapte het sneeuwgeweld in.
Anneke bleef achter en eerlijk, ze vond het doodeng. Stel dat het nú begint? Hoe zouden haar moeder en schoonmoeder uberhaupt in die sneeuw bij haar kunnen komen? En als haar moeder het niet haalt, wat dan?
Ze had ook geen idee wat ze moest doen, behalve dat ze moest blijven lopen en diep ademen. Maar hoe dan, als het soms zon pijn doet dat je amper lucht krijgt?
En haar Michel was er ook al niet, vastgesneeuwd in de stad. Door die rottige sneeuwstorm kwamen er geen bussen, geen auto’s hij kon niet weten dat zijn zoontje of dochtertje zo snel zou komen. Dr rug deed echt zon zeer!
Toen ineens viel haar moeder Alie in de gang naar binnen, helemaal bedolven onder een lading sneeuw.
Meisje! Anneke! Truus zei al dat je moet gaan bevallen!
Ja, mam.
Ik kom eraan, hoor lieverd, ik ben er zo. Kijk, ik heb wat gedroogde bessen meegenomen, ik maak even een lekker kopje thee voor je. En wat water moet er vast op.
Uurtje later kwamen Truus en Vrouwtje Vera eindelijk binnen. Vera was een klein, kranig oud vrouwtje; ze had haar op de wereld gezet nog vóór ziekenhuizen normaal waren. Ze voelde aan Annekes buik, keek en oordeelde:
Morgenvroeg komt-ie, gok ik.
Hoezo morgen vroeg? riep Anneke verbaasd. Het is nog niet eens middag!
Meisje, die pijntjes van gisteren waren gewoon voortekenen. Dat kan soms dagen voor de bevalling. Nu gaat het pas écht beginnen, maar nog geen centimeter ontsluiting. Rustig aan maar, morgen is het zo ver. Ik ga straks weer naar huis.
Blijf alstublieft bij mij, Vera, vroeg Anneke smekend, alleen met u erbij voel ik me een beetje veilig.
Vera, die wel honderden babys heeft zien komen, kreeg medelijden.
Goed dan, ik blijf. Als de moeder kalm is, wordt het kindje sneller geboren.
Maar Anneke wist niet dat die voortekenen pas het begin waren, een soort sneeuwklokjes leuk maar gauw voorbij, want daarna begon het pas echt. De weeën werden zo heftig dat ze dacht dat haar lijf uit elkaar scheurde. Liggen kon niet, lopen ging niet, alleen pure pijn.
Truus en haar moeder, Alie, liepen radeloos heen en weer, wisten niet wat te doen, konden alleen zuchten en haar hand vasthouden. Vera stuurde ze maar naar de was om schone lakens te strijken, zodat ze uit de weg waren.
Tegen de avond ebde het even weg. Vera keek, vier vingers ontsluiting, vertelde ze. Eerste kindje, dat duurt altijd langer, het pad is nog niet gebaand, zei ze. Voor Anneke voelde het alsof ze geen kracht meer over had. Even rust tussen de weeën, hapje eten, Vera legde haar op bed, rust pakken.
Buiten woei het alleen maar harder, alsof de sneeuw zichzelf alsmaar wilde overtreffen.
Om vier uur s nachts schrok Anneke wakker; het was pikkedonker, Vera lag naast haar te snurken.
Heer God, help me, fluisterde ze met haar gezicht naar de icoontjes aan de muur laat het snel gaan, alsjeblieft.
Toen begon het weer, heftiger dan ooit. Vera kwam overeind, keek: nog steeds maar vijf centimeter. Duurde lang, zei ze, maar bij de eerste keer is dat niet gek. Komt goed.
Toen het buiten eindelijk een beetje licht werd, was Anneke volledig uitgeput: haar nachthemd nat van het zweet, haar ogen dof, haar haren in de war.
Bijna klaar, zei Vera, ik zie het hoofdje al.
Omaatje, help me! smeekte Anneke, Omaatje, help me!
Anneke, doe niet zo gek, schrok haar moeder, er is hier geen omaatje’. Zo noemt ze haar overgrootmoeder altijd, legde ze uit aan Vera, als klein kind kon ze oma niet uitspreken en zei altijd omaatje, dat is altijd zo gebleven. Oma Zwaantje is haar lievelings, eerste achterkleinkind en zelf had ze alleen maar zonen.
Anneke, je ziet de haartjes al. Nog één keer flink persen, meisje, hup, samen! Vera ademde met haar mee, zo, puf-puf-puf.
Anneke schreeuwde het uit, perste, ademde, en nog eens. Toen eindelijk voelde ze haar baby in Veras oude, ervaren handen plonzen.
Misschien is dit wel de laatste die ik aanneem,’ dacht Vera, terwijl ze glimlachte naar dat nieuwe leven. Heel voorzichtig legde ze het zoontje op Anneke haar buik:
Kijk eens, Anneke, een prachtig jongetje! Zie eens wat een heer! Wat een stem, dat wordt later vast een voorzitter iedereen zal om hem heen draaien.
Anneke huilde van geluk, kuste die minuscule vingertjes. Hoe paste zon wonder ooit in haar? Ach, wat jammer dat Michel er nu niet bij is, hij zou zijn zoontje zo geweldig vinden de mooiste ter wereld.
Klaasje, mijn Klaasje, fluisterde ze.
Hoezo Klaas? vroeg de schoonmoeder. Je zei laatst nog dat je hem Jan zou noemen als het een jongen werd.
Maar hij is gewoon een Klaas, kijk nou toch! lachte Anneke, Klaas Michielsz.
Vera had haar werk weer gedaan, je zag haar moe worden. Nieuwe levens verwelkomen is prachtig, maar kost bergen energie. Ze moest nog wel even terug door de sneeuwstorm.
Anneke lag eindelijk te slapen, haar zoontje bij haar. Ook haar moeder ging huiswaarts, moe van alles, sinds gisteren niet meer thuis geweest. Ze wikkelde haar sjaal hoog tot aan haar oren, groette zacht en dook de straat op.
Kijk eens aan, de sneeuwstorm leek af te zwakken, de sneeuw dwarrelde als kleine korrels misschien is het morgen wel over. Dan komt Michel ook zo snel mogelijk thuis. Nog even en ze was bij haar eigen huis.
Weet je wat, dacht ze, ik loop eerst even langs Omaatje, vertel haar het nieuws. Misschien heeft ze nog wat nodig. Al brengt ze veel tijd zelf door, ze eet amper, maar ik breng vaak brood.
Omaatje, de overgrootmoeder van Anneke, woonde twee huizen verderop, die zomer zou ze 93 worden. Al jaren alleen, wilde nooit bij de familie intrekken; ze redde zich op haar dooie gemak. En de familie was dichtbij, kwamen elke dag wel even langs.
De poortrammel kreeg ze net open, vast omdat Michel gisteren geholpen had je zag de sneeuwschep nog staan. Ze veegde een pad naar de voordeur, maakte de stoep schoon, stapte naar binnen.
Oma Zwaan! Oma Zwaan! riep ze, stampte het ijs van haar laarzen. Je moest hard roepen, want oma was behoorlijk doof. Het is Alie, ik kom even kijken hoe het gaat!
Niemand gaf antwoord, ze lag zeker nog te slapen. Jas uit, laarzen uit, naar de voorkamer en daar was het…
Omaatje lag netjes aangekleed op bed, handen gevouwen op haar borst, haar mooiste jurk aan, keurig gekamd. Dat viel Alie meteen op: dat jurkje had ze nooit eerder gezien, net als die hagelwitte hoofddoek. Ze liep langzaam naar haar toe, streek een traan weg en sloot zacht haar ogen.
Op het nachtkastje lag een foto van Anneke, erbij een klein Maria-beeldje en een stompje kaars.
Dankjewel, lieve Omaatje, je hebt Anneke geholpen. Ze heeft haar zoontje gekregen. Klaas heet hij. Maar dat weet je allang, Oma. Ze gaf haar een zoen op die rimpelige wang, dankjewel, dankjewel.







