Hij dwaalde door de nachtelijke straten van Amsterdam en wankelde flink na een goeie slok jenever. Waar hij terecht was gekomen? Het kon hem niet boeien. De stad was zn thuis en zijn benen zouden hem vanzelf wel weer naar huis brengen. Daar had hij nu geen aandacht voor. Hij was druk zat in zn hoofd filosofeerde hardop, tegen het universum.
Waarom, waarom loopt mijn leven zo? Zevenentwintig, en al mijn vrienden hebben kinderen op de basisschool, terwijl bij mij alle meiden er na een maand al vandoor gaan als ik geluk heb. Ben ik bot? Nee joh Nou ja, misschien soms. Maar zo hoort een vent toch te zijn, grijnsde Sander. Het enige waar ik een beetje goed in ben is mn zaak. Tot miljonair ben ik nog lang niet, maar ik kan er prima van leven.
Plots stopte hij, greep naar zijn hoofd, tranen prikten in zijn ogen:
Zoveel geld aan die arts uitgegeven, en dan uiteindelijk: Ik kan niks meer voor je doen. Hier heb je het adres van een specialist in Utrecht. Maar ik denk niet dat die je verder helpt. Weet je wat, morgen ga ik gewoon die specialist opzoeken ook.
Hij was bij de brug beland. Staarde naar het donkere water van de Amstel:
Moet ik gewoon springen? Is diep zat hier en alles eindigt in het water, keek nog eens naar de rivier. Ach nee, ik ga me niet verdrinken. Veel te koud. En Sokrates heeft nog geen eten gehad. Ik ga naar huis.
Hij liep verder over de brug en ineens zag hij daar, midden op de brug, een vrouw staan. Jong nog. Op haar borst een rugdrager met een klein kindje erin. Ze staarde naar het water en klom opeens op de reling. Ze zette haar voeten op de bovenste balk, spreidde haar armen Sander stoof op haar af, greep haar net op tijd bij haar middel en trok haar naar zich toe. Samen vielen ze op het ruwe asfalt. Het kind begon meteen te huilen.
Ben je niet goed of zo?! riep Sander, in één klap nuchter.
Wat wil je nou? Waarom bemoei je je ermee? nu barstte de vrouw in huilen uit.
Geen idee, ik had gewoon het gevoel dat jij en dat kleine joch het veel te vroeg vinden om dood te gaan, knikte hij richting het jengelende kindje. Hup, opstaan, en naar huis. Naar je man, je moeder of wie je verder ook hebt.
Ik heb geen huis, geen man, geen moeder. Helemaal niemand.
Mooi, komt zij ook nog op mijn bordje, zette haar met kind en al overeind. Kom, mee.
Ik ga echt niet met jou mee. Straks ben je een gek!
Tja, van de brug springen kan morgen ook nog, joh. Maar van een gek ben je nu ineens bang? trok haar zachtjes mee. Hup, kom nou maar.
***
Zo liepen ze samen door het slapende Amsterdam, onder het gehuil van het kind.
Uiteindelijk kon Sander het niet meer aan:
Waarom huilt ie nou de hele tijd zo?
Hij heeft honger, denk ik, ze trok haar kindje dichter tegen zich aan.
Geef m dan melk.
Ik heb geen melk. En geen geld.
En geen nadenkvermogen ook niet, keek om zich heen. Daar! Een nachtwinkel, kom, we halen wat melk.
***
De kassière en de beveiliger keken ze wantrouwig aan, maar Sander greep kordaat een mandje en keek de vrouw aan:
Kom, draaide zich naar de kassière, Waar ligt jullie melk?
Daar zo, wees ze nors.
Ze liepen naar het schap.
Pak maar wat je nodig hebt! commandeerde Sander.
Deze, ze pakte een klein pakje.
Neem maar meer. Alles wat nodig is, gewoon doen! wachtte tot ze meerdere pakjes in het mandje legde. Wat nog meer?
Luiers.
Luiers? Wat zijn dat?
Daar liggen ze, ze glimlachte een beetje.
Gooi maar erbij.
En mag ik ook van die natte doekjes?
Natuurlijk.
Bij de kassa haalde Sander zijn pinpas tevoorschijn.
We nemen alleen contant, zei de kassière.
Hij haalde een gehavende streng van 50-eurobiljetten uit zijn jas. Duwde er één naar haar toe.
Wisselgeld heb ik niet, zei ze ongevoelig.
Geef dan maar chocolade terug, Sander wees geïrriteerd naar het schap. Die daar.
***
Thuis aangekomen keek ze verrast rond. Sander trapte zijn schoenen uit en liep gelijk naar de keuken. Pakte een haring uit de koelkast en gooide die naar de kat, Sokrates. Greep daarna de jus dorange en dronk gulzig. Toen liep hij op haar af:
Jij slaapt daar, wees een kamer aan. Keuken, wc, douche, pak wat je nodig hebt. Ik ga slapen.
En hij verdween naar zijn eigen kamer. Stopte nog even en vroeg:
Hoe heet je eigenlijk?
Fenna.
Ik ben Sander.
***
Valt mee, geen gek, dacht Fenna terwijl ze in de keuken de gaskookplaat opzette, water kookte. Wat een sukkel ben ik eigenlijk. Zo maar op de brug klimmen Wat hadden ik en Sil al die tijd buiten moeten doen? Koud hoor. Nou ja, morgen stuurt ie me vast weg. Maar vanavond zitten we tenminste warm.
Toen het water kookte, rende ze naar haar kamer. Legde kleine Sil huilend op bed. Haalde uit haar tas een flesje, spoelde die om, goot melk, vulde bij met kokend water.
Sil dronk blij zn flesje leeg. Fenna maakte hem schoon met een nat doekje en deed een schone luier om. In no time sliep hij.
Ze liep naar de wc, friste zich op. Terug op de keuken schoot haar te binnen dat ze al lang niet had gegeten. Ze opende de koelkast, pakte uit zichzelf een stuk rookworst en propte het naar binnen. Terwijl ze kauwde, sneed ze een stuk brood, worst en kaas af.
Toen haar maag weer rustig was, voelde ze zich wat opgelaten. Maar ze haalde haar schouders op, kroop bij Sil op bed en viel direct in slaap.
***
s Ochtends had ze Sil een paar keer gevoed, hij was amper acht maanden, altijd honger. Tussendoor hoorde ze hoe de huisbaas opstond, rommelde.
Tijd om te gaan, dacht Fenna, stond voorzichtig op, Je weet dat geluk niet eeuwig duurt.
Sander stond in de keuken te prutsen.
Ga zitten! knikte hij naar een stoel. Ik bak een eitje voor je.
Nee joh, laat mij maar, duwde hem zachtjes opzij bij het fornuis.
Ze pakte verse bieslook, sneed het fijn en strooide het over het roerei. Waste de glazen goed af. Maakte koffie.
Sander zat ondertussen luidruchtig te bellen, orders te geven, ruzie te maken aan de lijn. Fenna had het idee dat hij haar verder totaal niet zag staan. Toen het eten op was, dronk hij zijn koffie en stond op.
Ze verstijfde: Nu gooit hij mij er vast uit.
Fenna, luister even goed. Ik ben een weekje weg. Het belangrijkste: geef Sokrates te eten, zo heet de kat. GEEN kattenvoer uit blik geven hoor! Alleen verse vis of vlees. Mijn kantoor? Niet binnenkomen! In de rest van het huis: doe wat je wil.
Uit de slaapkamer klonk gehuil. Fenna schoot overeind, keek vragend naar hem.
Ga maar! knikte hij.
Na vijf minuten stond ze terug met haar kind op de arm. Op tafel lagen een paar vijftig-eurobiljetten.
Dit zou genoeg moeten zijn voor een week, knikte hij naar het geld. Ik ben weg.
Hij liep naar de deur. Op dat moment reikte Sil zijn handjes uit en brabbelde iets wat wel pa-pa leek. Misschien was het verbeelding, maar Sand er voelde iets klems in zijn borst. Want vader zou hij nooit worden.
Fenna, mag ik hem even vasthouden? vroeg hij, tot zijn eigen verbazing.
Ja hoor, gaf ze hem Sil. Meteen verscheen er een glimlach op haar gezicht. Je hebt nog nooit een kind vastgehouden hè?
Nee…
Zo moet dat!
Sil kraaide van vreugde en zwaaide met zijn handen, terwijl Sander betoverd keek.
Ik zal nooit een eigen zoon hebben, zijn gezicht betrok, hij gaf het kindje aan Fenna terug.
En vertrok.
***
Hij kwam thuis, na een week. Ook die Utrechtse arts had bevestigd: eigen kinderen zou hij niet krijgen. Hij was zwaar terneergeslagen.
Wat moet ik nou met al dat geld, een vierkamerappartement, zon dikke Volvo? Een echte vent hoort geld te verdienen voor zn gezin. Bij mij thuis is het altijd rommelig, en mn auto heeft zeven stoelen.
Hij stapte met een donderwolk op zijn gezicht zn huis binnen maar trof een keurig schoon appartement aan. Fenna keek hem verlegen lachend aan.
Pa-pa! hoorde hij en zag Sils handjes naar hem reiken.
Sander liet zijn koffer vallen en zn armen gingen als vanzelf naar de kleine jongen uit.







